Drie jaar nadat haar man in de oorlog was omgekomen, opende Fatima Rawass vorig jaar mei in Aleppo een schoonheids­salon voor gesluierde vrouwen.

PlusReportage

Vrouwen bouwen Aleppo op: ‘Er zijn geen mannen meer in Syrië’

Drie jaar nadat haar man in de oorlog was omgekomen, opende Fatima Rawass vorig jaar mei in Aleppo een schoonheids­salon voor gesluierde vrouwen.Beeld Hollandse Hoogte

Vrouwen zag je in Oost-Aleppo eerder zelden op straat zonder hun echtgenoot. Nu een generatie mannen is gedecimeerd door de oorlog, is het aan de vrouwen het land er weer bovenop te helpen.

In het oostelijk deel van Aleppo zag je voor de oorlog zelden vrouwen op straat, althans niet zonder begeleiding van hun echtgenoot. De mannen in de oude commerciële hoofdstad van Syrië zorgden niet alleen voor eten op tafel, ze gingen ook naar de winkel om het te kopen. Vrouwen werden geacht thuis te blijven.

Toen begon de burgeroorlog. Acht jaar later is de strijd in Aleppo voorbij, maar elders in Syrië wordt nog gevochten. De oorlog heeft een generatie van Syrische mannen veroordeeld tot de dood, gevangenisstraf of een moeizaam vluchtelingenbestaan.

Het regime van president Bashar al-Assad heeft weer de macht in het grootste deel van het land, dat echter onherkenbaar en zwaar verminkt uit de strijd is gekomen. Nu is het aan de vrouwen om hun land er weer bovenop te helpen.

Grootmoeders voeden hun tot wees geworden kleinkinderen op. Alleenstaande vrouwen zijn bezorgd dat ze nooit een man zullen vinden. Weduwen helpen gezinnen die door het verlies van hun naasten in ondraaglijk verdriet zijn gedompeld.

Nu gaan vrouwen vaak alleen het huis uit, naar hun eerste baan nog wel. Oude gewoontes bleken niet bestand tegen de gruwelen van de oorlog en het instorten van de economie. In grote steden als Damascus was werken voor vrouwen niets nieuws, maar in de meer aan sociale en religieuze tradities vasthoudende gebieden zijn de veranderingen snel gegaan.

Salon voor gesluierde vrouwen

“Voor de oorlog waren vrouwen overal bang voor,” volgens de 32-jarige Fatima Rawass. In mei opende ze in Aleppo een schoonheidssalon voor gesluierde vrouwen, drie jaar nadat haar man in de oorlog was omgekomen. “Maar nu is er niets meer om bang voor te zijn.”

Rawass had buiten haar familie nog nooit een man ontmoet toen ze op haar 19de hoorde dat ze met een neef was verloofd. Met haar scherpe tong, waarmee ze in de buurt een zekere faam had verworven, vertelde ze haar ouders dat ze niets van hem moest hebben. Haar moeder was verbluft door zoveel brutaliteit. Maar kort daarop begon haar verloofde haar te bellen, soms wel drie keer per dag. Ze werden verliefd, trouwden en betrokken een woning in het oosten van Aleppo waar Rawass bijna nooit uitkwam. Ze herinnert zich dat ze thuis de hele dag schoenen met hoge hakken droeg onder haar abaya, de lange zwarte mantel die veel vrouwen dragen in conservatieve delen van Syrië, waar de meeste bewoners soennitische moslims zijn. Rawass’ echtgenoot werkte en deed de boodschappen, zij paste op de kinderen.

In 2012 braken in Aleppo gevechten uit die de stad splitsten: in het oosten waren de rebellen de baas, in het westen de regeringstroepen. Eind 2016 had het regime de hele stad weer in handen. Het oostelijk deel lag bijna geheel in puin.

Rawass had haar man gesmeekt te vluchten, maar hij wilde bij zijn timmerbedrijf blijven. Hij weigerde zich aan te sluiten bij de rebellen, die hem daarom in de gevangenis gooiden. Vijftien dagen later hield Rawass het thuis niet meer uit. Haar kinderen hadden honger en ze besloot voor het eerst op eigen houtje naar een winkel te gaan om melk te kopen. Het regende bommen en granaten, sluipschutters waren overal. Rawass zou nog veel vaker onder deze omstandigheden naar buiten gaan, ook om te proberen haar man vrij te kopen. Ze verkocht alles wat ze bezat, nam naaiwerk aan en leende geld.

“Ik hoop dat ik eerder sterf dan jij,” zei hij haar op een dag in juli 2016, kort na zijn vrijlating. “Want jij bent sterker dan ik.”

Een dag later hoorden ze explosies. Hij rende naar buiten, werd geraakt door granaatscherven en stierf ter plaatse.

Rawass ging kort daarop naar de arts die haar enige tijd terug voor uitputting en depressie had behandeld. De blikken van ‘vreemde’ mannen op straat deerden haar niet. Ze ging in de leer bij een schoonheidssalon, spaarde en dankzij een lening van de Rode Halve Maan kon ze een salon openen in haar deels verwoeste huiskamer. Buiten hing ze een bord op, ‘Salon Rawass’.

Ze is weer verliefd, maar durft het verbod van haar vader niet te trotseren. Hij wil niet dat ze hertrouwt, ze dient zich alleen om de kinderen te bekommeren. Gehoorzaamt ze niet, dat kan hij ze van haar afnemen. Hij vindt het toch al niks dat zijn dochter werkt en nog haar eigen geld verdient ook.

Had ik maar geen kinderen, denkt Rawass weleens, dan hoefde ze zich om niemand anders te bekommeren. Door haar werk vergeet ze vaak haar sores. “Maar ’s nachts denk ik aan al die vreselijke dingen van de laatste jaren.”

Paars neonlicht

De kuststad Latakia ligt een paar uur rijden ten zuiden van Aleppo. Lekaa al-Shaekh (34) en haar verloofde lieten zich er fotograferen in de trouwzaal, ingericht in oud-Egyptische stijl. Hier hadden ze elkaar ontmoet en hier gaan ze, eindelijk, trouwen. Al-Shaekh zegt het vergenoegd terwijl ze met haar verloofde poseert op een witte sofa, beschenen door paars neonlicht en versierd met witte plastic kunstbloemen.

Zij en haar vriendinnen verlangden vroeger nogal wat van hun toekomstige echtgenoten: van bruidegoms in Latakia een bruidsschat bestaand uit minstens een auto, een huis en een flinke stapel bankbiljetten. In Aleppo was een kilo aan gouden juwelen de norm.

Dat was tot de strijd begon. Duizenden jonge mannen uit Latakia werden de oorlog ingestuurd. Het is de thuisbasis van de Assadclan, leden van de Alawieten, een religieuze sekte die landelijk ver in de minderheid is. Overal in Syrië stortte de economie in en al-Shaekh besloot zich aan te passen aan de nieuwe, harde tijden. “Er zijn zo weinig mannen, dat is het probleem,” legt ze uit. “Sommige vriendinnen verlangen nog steeds dat ze alles van hun man krijgen, maar dat gaat echt niet meer.”

Toch weigeren sommige vriendinnen concessies te doen en zoeken ze op Facebook desnoods een buitenlandse partner, wat voor de oorlog ongehoord was. Sommigen hadden zelfs succes. Maar misschien wel de meesten zijn wanhopig. “Er zijn geen mannen meer in Syrië,” constateert de 36-jarige Afraa Dagher uit Latakia. “Op mijn leeftijd zijn ze allemaal martelaren of soldaten.”

Hoe moet ze nu mannen ontmoeten? “Ik weet het niet,” zegt ze met een vermoeide glimlach. “Ik laat het maar over aan God.”

Mannelijke blikken

Paro Manoukian (44) een Armeense christen, bestiert in Aleppo haar eigen kledingatelier. Ze is een van de zeer weinige vrouwen in een industrie waar mannen de dienst uitmaken. Vorige zomer droeg ze in de werkplaats in de kelder een rood topje, rode lippenstift en heel veel gouden sieraden. Ze opende de zaak na haar scheiding in 2011. Er werken uitsluitend vrouwen die hun mannen, broers of zonen aan de oorlog moesten afstaan. Een groen plastic gordijn beschermt hen tegen mannelijke blikken.

In het atelier praten drie werkneemsters over hun problemen: geld, mannen en kinderen. Ze hebben het liever niet over mensen in hun omgeving die zijn overleden.

Hayat Kashkash (53) mocht van haar man niet werken, tot zijn ambtenarensalaris de stijgende prijzen niet meer kon bijhouden. Ze zocht een baan zonder zijn toestemming te vragen. “Prima, aan de slag,” zei hij toen ze eenmaal werk had gevonden.

Een triomf, maar voor Hayat ook een last. “Nu moet je naast het werk in het atelier ook nog koken, wassen, schoonmaken en op de kinderen letten,” zegt ze. Haar twee zonen zijn dienstplichtige soldaten, ook daarom wil ze werken. “Ik hoef dan niet steeds te denken aan het gevaar dat ze lopen.”

Fatima Kelzy mengt zich in het gesprek: “Ik werk hier om aan mijn kinderen te ontsnappen,” zegt ze lachend terwijl ze met een sigaret in een mondhoek pompoms op een T-shirt plakt. Iedereen lacht. Zij is hier de grapjas, altijd bereid om collega’s op te beuren. Ze was 11 toen ze trouwde, nooit had ze verwacht ooit iets anders te zijn dan huisvrouw. Nu, op haar 44ste, is ze een werkende weduwe en moeder van zes ongetrouwde dochters. Opeens zegt ze serieus: “Eigenlijk werk ik alleen voor mijn kinderen, want ik ben moeder en vader tegelijk.”

© The New York Times
Vertaling René ter Steege

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden