PlusAchtergrond

Vluchtelingen verlaten transitzones Hongaarse grens: ‘Er was geen afleiding’

Vluchtelingen mogen eindelijk de transitzones bij de Hongaarse grens verlaten. Sommigen hebben bijna twee jaar niets anders gezien dan het omheinde detentiecentrum. ‘Alles was er wit. Er was geen afleiding, niets voor de kinderen.’

Karzan Amin en zijn gezin wonen nu in een asielzoekerscentrum, in afwachting van hun proces. ‘Ik ben moe van het reizen, ik wil gewoon dat mijn kinderen naar school kunnen.’Beeld János Bődey

‘Ik ben Karzan en mijn gezin zat bijna twee jaar vast aan de grens.” Achter het groene hek van het asielzoekerscentrum in het Hongaarse dorpje Vámosszabadi stelt de Koerdische vluchteling ­Karzan Amin (37) zich voor. In een reflex steekt hij zijn hand uit, maar die komt niet door de spijlen van het hek. “Wacht maar,” zegt hij. “We waren net op weg naar buiten.”

Tot een paar weken geleden was dat – naar buiten – ondenkbaar: hoewel Amin met zijn vrouw en vier jonge kinderen de grens met Hongarije al overstak in augustus 2018, betrad het gezin op 20 mei dit jaar pas voor het eerst in hun leven Hongaars grondgebied. Op 14 mei werd door de Europese rechter namelijk bepaald dat Hongarije vluchtelingen niet langer dan 28 dagen mag detineren. De regering-Orbán zag zich daardoor gedwongen om alle vluchtelingen in de zogeheten transit­zones aan de Servische grens over te plaatsen naar open centra elders in het land; iedereen zat er al een stuk langer vast.

IJsjes in het winkelcentrum

Geen enkel ander gezin zat er echter zo lang als het gezin Amin. De twee jongste kinderen, geboren tijdens de reis naar Europa die vijf jaar geleden begon, kenden tot mei niets anders dan de wereld van het detentiecentrum aan de grens: sinds hun overplaatsing laat hij ze langzaamaan de buitenwereld ontdekken. Vanaf het asiel­zoekerscentrum in Vámosszabadi rijdt er elke dag een busje naar de stad Győr; Amin neemt zijn kinderen mee naar het winkelcentrum daar, trakteert ze er op ijsjes. Zijn vrouw gaat nooit mee; volgens Amin kreeg ze door een psycholoog in de transitzone slaappillen voor­geschreven en slaapt ze sindsdien de hele dag.

Vandaag gaat Amin ook de stad in, met zijn zoontje Ahmed. Het busje staat al voor, maar hij wil graag afspreken in het winkelcentrum, om zijn verhaal te vertellen. Als hij een uur later in het winkelcentrum doorkrijgt dat hij een Nederlandse verslaggever voor zich heeft, breekt er ineens een grote glimlach door op zijn gezicht. “Maar dan kunnen we Nederlands praten,” zegt hij in vloeiend Nederlands. Hè? Hij lacht en legt uit hoe het kan dat hij zo goed Nederlands spreekt: in het leger in Irak leerde een delegatie van Nederlandse militairen hem hoe je land­mijnen onschadelijk maakt. Amin raakte bevriend met een van hen, die hem tijdens het werken aan de landmijnen ook gelijk de ­Nederlandse taal bijbracht.

De rest van zijn verhaal vertelt hij in rap Nederlands, met één oog op zoontje Ahmed (4) die in het winkelcentrum alles dat felgekleurd is of glimt aan wil raken of wil beklimmen. De helft van Ahmeds jonge leven speelde zich af in het detentiecentrum.

“In de transitzone was alles wit,” zegt Amin. “Er was geen afleiding, niets voor de kinderen; veel ouders lieten hun kinderen de hele dag op hun telefoon spelletjes doen.” Wel waren er andere kinderen om mee te spelen – maar die vertrokken sinds de overplaatsing bijna allemaal. “Er zijn nog maar vier families over. Iedereen is weg: op naar Duitsland, of België.”

Gevaarlijke situatie door de PKK

Amin en zijn gezin blijven in Hongarije, om hun proces af te wachten. In 2015 vertrok het gezin uit Irak, nadat Amin in een gevaarlijke situatie terecht was gekomen. De Koerdische afscheidingsbeweging PKK was actief in het gebied waar hij destijds schapen hield, en de politie pakte hem om de haverklap op om hem te vragen wat hij gezien had. Hij werd steeds banger dat hij op een dag per ongeluk echt iets zou zien dat niet voor zijn ogen bestemd was. Dat zou hij niet overleven, dat wist hij zeker. Toen een vriend omkwam en haast niemand zich om het gezin dat hij achterliet leek te bekommeren, besloot Amin met zijn eigen gezin te vluchten.

Wat volgde was een lange reis vol moeilijk­heden, tweeënhalf jaar in een kamp in Servië en toen in de Hongaarse transitzone. Omdat zij er het langst van iedereen vastzaten, maken Amin en zijn gezin volgens hun advocaat de grootste kans in Hongarije te mogen blijven. De chauffeur van het asielzoekerscentrum – een Palestijn die al lange tijd in Hongarije woont – zei ­tegen Amin: reis toch door, geloof me, je wilt hier niet wonen. “Maar hij woont hier zelf al dertig jaar. Ik zei tegen hem: als het hier zo slecht is, waarom vertrek je zelf dan niet? Ik ben moe van het reizen, ik wil niet weer opnieuw beginnen. Viktor Orbán, de politiek hier: het maakt me allemaal niet uit. Ik wil gewoon dat mijn kinderen naar school kunnen.”

Wanneer Amin en Ahmed aan het eind van de middag op de parkeerplaats van de Lidl weer worden opgehaald, is het busje op één andere Irakees na leeg.

“Waar zijn de Nigerianen?” vraagt de chauffeur.

Amin haalt zijn schouders op. “Ze zeiden dat ze hier om vijf uur zouden zijn, maar ze hadden wel tassen mee.”

De chauffeur twijfelt. “We wachten nog vijf minuten,” besluit hij. “Als ze er dan niet zijn, dan weten we: die zijn op weg naar Duitsland.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden