PlusAchtergrond

‘Tranen lopen over haar wangen’: dagboek van een Amsterdamse arts aan de grens met Oekraïne

null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Marjolein van Maanen, internist van het Amsterdam UMC, verleende medische zorg op een hulppost voor vluchtelingen in een Hongaars dorp, net over de grens met Oekraine. Ze zag er gebroken gezinnen die geweld en diepe armoede ontvluchten. Een weekverslag.

Marjolein van Maanen

Ik lees de krant, zie de beelden, hoor de verhalen; een gruwelijke oorlog zonder mededogen is gaande op nog geen dag rijden hier vandaan. Nooit eerder heb ik mijn gedachten gewijd aan Oekraïne, hoogstens bij het topo-proefwerk van mijn dochters, maar nu laat het land me niet meer los. Ik heb het gevoel dat ik moet helpen, mijn handen uit de mouwen moet steken, als mens, als Amsterdammer, als wereldburger maar ook als dokter.

Ik meld me aan bij Medspot, een Hongaarse vrijwilligersorganisatie. Zij verlenen 24 uur per dag medische zorg op een hulppost in Beregsurány, een piepklein dorpje net over de grens, opgezet door de internationale hulporganisatie Orde van Malta. Na een aantal dagen krijg ik bericht; ik mag komen. Mijn ratio en gevoel worstelen in de dagen voor vertrek.

Zaterdag 9 april: op weg

Ik vertrek met een koffer gevuld met warme kleren, slaapzak, stethoscoop en een boek. De autorit van Boedapest naar de grens van Oekraïne is lang en saai maar het meezingen met de Eagles en Michael Kiwanuka zorgt voor afleiding. Bij het laatste benzinestation koop ik nog wat pinda’s en chocola – mijn survivalkit.

Wat tref ik aan? Zal het veilig voelen? Hoe presenteert iemand die op de vlucht is zijn medische klachten? Tegen de tijd dat ik aankom is het nat, koud en schemerig. Een vriendelijke Hongaarse arts vangt me op en laat me de bus, alias spreekkamer, en de hulppost zien. Her en der staan blauwe en witte tenten waar vluchtelingen worden opgevangen. De gymzaal van de school is nu slaapzaal. In een hoek liggen stapels luiers, knuffels, babyvoeding en dozen vol koek en snoep. Ik zie groepjes mensen staan, kindjes klampen zich vast aan moeders been en kijken met grote ogen in het rond.

Voor ik ga slapen wenst de jongen van het ‘charity büfé’ me goodmorning, ik glimlach en loop naar de container op het gras. Dit is voor de komende dagen mijn slaapkamer, al lijkt het meer op een mobiele apotheek. Ergens onder de dozen paracetamol, antibiotica en pleisters vind ik een veldbed. Ik kruip in mijn slaapzak en val zowaar direct in slaap.

Zondag 10 april: aan de slag

De vogels wekken me en na een plens koud water in mijn gezicht en een kop oploskoffie komt de eerste patiënt de bus in: een baby van 3 maanden met koorts en een kuchje. Vooral moeder maakt zich zorgen, de baby ligt vrolijk spartelend op de onderzoeksbank. Met paracetamol en vitamines – de wonderpil voor veel klachten blijkt later – vertrekken ze weer naar de warme gymzaal, wachtend op de bus naar een volgende verblijfplaats. Dat is het ritme aan de grens; de hele dag door komen vluchtelingen aan, worden opgevangen, zien indien nodig de dokter, krijgen te eten, en trekken weer verder. De hulpverleners en een paar betrokken dorpelingen zijn de constante factor.

Ik zie een oudere dame met hoofdpijn. Echt spraakzaam is ze niet, maar na een paar minuten vraagt ze zachtjes of ik een zwangerschapstest heb. Nee, niet voor haar, maar voor haar dochter. Laat ik dat nou nét niet hebben. Ik zoek nog naar een apotheek maar op zondag is alles in deze uithoek van het land dicht.

In de avond wandel ik, de dag overpeinzend, naar de grenspost. Patrouillerende politieauto’s halen me in, later laat ik me vertellen dat ze op zoek zijn naar vluchtelingen die op een oneigenlijke manier de grens oversteken. Smokkelaars? De prachtig groen gekleurde controlehokjes steken schril af tegen de donkere lucht in de verte. Het stemt me droevig over de grens te kijken naar een land in oorlog.

Maandag 11 april: SayHi

Ik word wakker door gebons op de deur: er is een dokter nodig. Ik wurm me uit mijn slaapzak en haast me naar de bus. Ik probeer met handen en voeten met een jong meisje te praten, maar kom niet verder dan een verlegen glimlach. Lange leve de vertaalapp SayHi, die ons helpt elkaar te begrijpen. Het meisje vertelt dat ze naar Duitsland gaat met haar moeder, oma en twee broertjes. Ze is verdrietig, wil het liefst gewoon naar huis. Ik durf niet te vragen naar vader, bang voor het breken van haar hart. Ze vertrekt met slechts een pilletje tegen reisziekte en een aai over de bol.

In de middag komt de jager uit het dorp om met zijn geschoten wild een warme maaltijd te maken. Vandaag is het hertensoep; ik doe mijn best maar toch lukt het me niet het lekker te vinden. Het is een aangrijpend beeld om vluchtelingen en vrijwilligers door elkaar aan de picknicktafels te zien zitten. In de avond zorgt de uitbundige kledij van een grote Romafamilie voor de nodige kleur op de binnenplaats. Bepakt en bezakt vertrekken ze midden in de nacht met de bus naar Boedapest.

Dinsdag 12 april: armoede

Ik loop al vroeg door het dorp en zie armoede; veel luiken zijn gesloten, tuinen verwilderd en de buurtkroeg is dichtgetimmerd. Ik kom onderweg meer ooievaars tegen dan dorpelingen. Dan ontdek ik een miniwinkeltje waar je werkelijk alles kan krijgen; van kefir tot haarverf en kitscherige Mariabeeldjes. Mijn enthousiasme deel ik later met een Oekraïense vrijwilliger. Zij vertelt dat de schappen over de grens veelal leeg zijn en mensen in Transkarpatië (het arme westen van Oekraïne) vooral uit angst voor voedselnood vluchten. Een jonge vrouw vertelt me later die dag dat zij niet uit angst voor bombardementen de grens oversteekt, maar in de hoop op een beter leven. Ze is lerares in Lviv en vertelt over het afscheid van de kinderen uit haar klas. Tranen lopen over haar wangen. Ik geef haar iets om rustig te slapen.

De dag staat verder, tussen het zien van wat snotterende kinderen door, in het teken van dozen met medicijnen uitzoeken, afkomstig uit heel Europa. De huisarts schuift mij de dozen toe waarbij volgens hem de kennis van een internist gewenst is. Hij buigt zich over de nog grotere dozen met ‘medicatie huisarts’. Dan begint de zoektocht naar een ziekenhuis in Oekraïne, in oorlogsgebied, waar deze medicijnen veel harder nodig zijn.

Woensdag 13 april: gebroken van vermoeidheid

Ik schrik wakker om half vier ’s nachts, buiten gaat een alarm af, ik zit rechtop in mijn slaapzak maar voordat ik echt bang word is het alweer stil. De rest van de nacht vraag ik me af hoe het voelt voor mensen, in Marioepol, Charkov en alle plaatsen die minder aandacht krijgen, om van luchtalarm naar luchtalarm te leven.

De ochtend is rustig. Op een piepjonge moeder met baby van drie weken en peutertje na, is iedereen vannacht vertrokken; een bus naar Spanje, een bus naar Italië en een aantal vluchtelingen naar Boedapest. In de middag zie ik een moeder vervuld van verdriet en angst omdat haar zoon aan het front vecht. Ze is trots, maar de doodsangst om hem te verliezen overheerst. Dan zie ik een oudere man, gebogen als een rietje en gebroken van vermoeidheid, gevlucht uit Kiev. Nooit had hij zijn land willen verlaten, maar nu dan toch, uit diepgewortelde angst voor meedogenloze Russen.

Even later is iedereen op de hulppost in rep en roer; een hotemetoot – het blijkt de Hongaarse staatssecretaris – met in zijn kielzog de nodige televisiecamera’s brengt een bezoek. Hij spreekt voor mij onverstaanbare woorden van dank waar iedereen ogenschijnlijk van onder de indruk is. Ik beantwoord een paar vragen voor tv, een nieuwe ervaring.

Donderdag 14 april: de wereld draait door

Een twaalfjarig mager meisje met grote bruine kijkers en in felgekleurde rok komt de bus binnen, met oma aan haar zijde. Ze heet Nadezhda, is misselijk en bij onderzoek zie ik een groot litteken op haar buik. Oma vertelt dat ze een paar kilometer over de grens wonen. Ze reizen naar Boedapest, niet om de oorlog te ontvluchten, maar in de hoop daar een operatie te krijgen. Geld voor medische zorg hebben ze niet. Moeder en de andere drie zusjes blijven thuis, hun familie is uit elkaar gerukt.

In de middag maak ik een wandeling in een nabijgelegen dorp. Het is er levendig, de oorlog lijkt ver weg. Ik gniffel om de pubermeisjes, ook hier dragen ze crop tops en loeren ze naar de jongens in het park.

In de avond is het druk, veel van de vluchtelingen die net zijn aangekomen willen hun bloeddruk weten, het lijkt rond te zoemen op de binnenplaats. Opeens hebben ze ook allemaal hoofdpijn, dus bepakt met doosjes paracetamol én natuurlijk vitamines verlaten ze de bus. Het placebo-effect kent elke dokter.

Vrijdag 15 april: druppel op een gloeiende plaat

De dag van vertrek, terug naar kroost en lief. Vervanging dient zich aan, net als nieuwe patiënten. Ik zwaai naar de keukenbrigade, de brutaalste van het stel drukt me tegen haar enorme boezem. Ik schuif de jongen van de ‘charity büfé’ mijn overgebleven chocola toe en krijg een vette glimlach terug. En dan krijgen we goed nieuws; de overtollige medicijnen mogen de grens over, naar een kinderziekenhuis in Charkov. Het doet me goed.

Ik heb de bloesem zien bloeien. Ik heb angst en verdriet gezien in de ogen van vrouwen. Ik heb grote mannen klein zien worden. Ik heb diagnoses gesteld en medicatie verstrekt. Ik heb ontwapenende kindergezichtjes gezien. Ik heb bolletjes geaaid en pleisters geplakt. Ik heb dankbaarheid gezien. Ik heb mensen zien lachen, huilen en alles ertussenin.

Geen oorlogswonden, geen heroïsche geneeskunst, geen interne zorg maar tóch iets kunnen betekenen voor de mensen die huis en haard en vaak ook zonen en geliefden hebben moeten achterlaten, veelal op zoek naar een beter leven.

Marjolein van Maanen is internist bij het Amsterdam UMC. Beeld Sophie Saddington
Marjolein van Maanen is internist bij het Amsterdam UMC.Beeld Sophie Saddington

Vluchtelingenstroom

Meer dan 12 miljoen Oekraïners zijn huis en haard ontvlucht sinds de Russische invasie op 24 februari, meldde de vluchtelingentak van de Verenigde Naties (UNHCR) deze week. Ruim 7 miljoen van hen bevinden zich nog in het eigen land, dat voor de oorlog 44 miljoen inwoners telde. De rest heeft veiliger oorden buiten de eigen landsgrenzen opgezocht.

Van deze groep zijn veruit de meesten de grens met Polen over gevlucht. Het buurland heeft volgens de UNHCR ruim 2,8 miljoen Oekraïeners opgevangen. De overigen staken de grens over met Roemenië (757.047), Rusland (549.805), Hongarije (471.080), Moldavië (426.964), Slowakije (342.813) en Belarus (23.753).

Een deel van de vluchtelingen die naar Polen, Hongarije en Slowakije waren gevlucht zijn intussen doorgereisd, met name naar andere EU-landen. Hoeveel dat er zijn is niet duidelijk: omdat deze landen deel uitmaken van de Schengenzone, waarbinnen vrij gereisd kan worden zonder grenscontroles, kunnen Oekraïners vrijelijk naar andere EU-landen zijn doorgereisd. Roemenië is wel EU-lid, maar hoort nog niet bij de Schengenzone.

De Oekraïense vluchtelingen worden door Brussel en de EU-lidstaten, in elk geval vooralsnog, met open armen ontvangen. De Europese Commissie maakte in maart direct 3,4 miljard euro vrij uit het coronaherstelfonds om EU-landen te helpen bij het opvangen van vluchtelingen. Tijdens een donorconferentie in de Poolse stad Warschau werd begin deze maand nog eens ruim 10 miljard euro opgehaald om vluchtelingen uit Oekraïne te helpen.

Kort na het uitbreken van de oorlog activeerde Brussel bovendien de Temporary Protection Directive. Middels deze niet eerder toegepaste maatregel hebben alle Oekraïense vluchtelingen in de EU per direct het recht om drie jaar te blijven en te werken binnen de 27 lidstaten. Ook krijgen zij sociale bijstand en toegang tot huisvesting, medische behandeling en scholen.
Tom Kieft

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden