Plus Achtergrond

Steeds vaker drukt in Latijns-Amerika het leger burgeronrust de kop in

De jonge democratieën in Latijns-Amerika blijven buitengewoon kwetsbaar. Leiders grijpen terug op het leger om onrust onder de bevolking de kop in te drukken. ‘Dat is een gevaarlijk spel.’

Het leger werd in oktober in Valparaiso in Chili in stelling gebracht tijdens demonstraties tegen de hogere prijzen voor de metro. Beeld AFP

Oude, maar nog lang niet vergeten televisiebeelden keren steeds vaker terug in Latijns-Amerika: presidenten die in tijden van crisis de natie toespreken, geflankeerd door generaals. Zo stonden laatst in Ecuador militaire leiders in de houding achter president Lenín Moreno terwijl hij de noodtoestand uitriep in reactie op heftige protesten tegen de verhoging van de brandstofprijzen. Een paar dagen later deed de Chileense president Sebastián Pinera hetzelfde, met een tiental in gevechtskleding gehulde officieren aan zijn zijde.

In beide landen schakelen de leiders ook militairen in om de straatprotesten neer te slaan, een voor velen schokkende ontwikkeling in een werelddeel dat zijn best doet het verleden van militaire dictaturen achter zich te laten.

Maar militairen traden de laatste tijd ook op de voorgrond in landen waar burgers niet massaal de straat opgingen. Er is dus kennelijk meer aan de hand.

Zo verscheen in Peru president Martín Vizcarra te midden van hoge militairen toen hij verzekerde dat hij niet zou zwichten voor druk uit het parlement, waar de oppositie in de meerderheid is, om af te treden. In Bolivia hield president Evo Morales een toespraak tot militairen toen werd gedemonstreerd tegen zijn omstreden herverkiezing, vooral in het oosten van het land, in en om de stad Santa Cruz. Morales, al sinds januari 2006 onafgebroken aan de macht, drong bij de officieren aan op ‘handhaving van de politieke eenheid van ons vaderland’.

Een en ander betekent niet dat Latijns-Amerika weer in de greep dreigt te raken van militaire dictaturen, zoals tijdens een groot deel van de Koude Oorlog. Maar overal legt de toenemende onvrede met de politieke status quo, in combinatie met politieke instabiliteit, een tegenstelling bloot die in de Latijns-Amerikaanse democratieën net onder de oppervlakte is gebleven.

De militairen trokken zich na de Koude Oorlog uit de politiek terug, maar behielden enorme culturele invloed. De niet-militaire instituties bleven zwak, zodat presidenten soms leunden op de militairen als lapmiddel om die instellingen en hun eigen gezag overeind te houden.

Tijden van crisis en onrust

Dit informele pact werkte over het algemeen goed, hoewel het ook een systeem heeft ­gecreërd waarin zwakke leiders in tijden van crisis en onrust geneigd zijn een beroep te doen op generaals. En dat zien we de laatste tijd steeds vaker.

Het komt veel minder dreigend over dan nog maar een generatie geleden; benarde politieke leiders willen nu vooral laten zien dat de militairen achter hen staan. In veel Latijns-Amerikaanse landen zijn de strijdkrachten een gerespecteerd instituut.

Toch kan zo’n aanpak leiden tot slijtage van de moeizaam bevochten taboes op de rol van militairen in de politiek. De generaals worden op die manier immers betrokken bij de politiek van dag tot dag en gedwongen partij te kiezen in sociale conflicten waar ze buiten zouden moeten blijven. En het versterkt de opvatting dat ze uiteindelijk elk conflict kunnen beslechten.

Het leger op straat in Quito, Ecuador, na heftige protesten in de hoofdstad. Beeld AFP

“Dat is een heel gevaarlijk spel,” oordeelt Aníbal Pérez-Liñán, docent politieke wetenschappen aan de University of Notre Dame in de Verenigde Staten. “Als alle presidenten naar dat middel zouden grijpen om aan de macht te blijven, wordt een nieuwe militarisering van de politiek onvermijdelijk.”

In Chili nam dezer dagen het aantal slachtoffers meteen toe nadat militairen de straat op waren gestuurd, wat natuurlijk herinneringen opriep aan de militaire dictatuur (1973-1990) van generaal Augusto Pinochet.

Verschuilen achter de generaal

De democratie is goed geweest voor de militairen in Latijns-Amerika, vindt John Polga-Hecimovich, docent aan de U.S. Naval Academy in Annapolis, Maryland. Als onuitgesproken voorwaarde voor hun terugtrekking uit de politiek behielden de meesten speciale voorrechten, ook op zakengebied, terwijl burgerpolitici de strijdkrachten een flinke mate van autonomie toestonden. Maar de generaals hadden volgens Polga-Hecimovich een ‘reden van bestaan’ nodig om te bewijzen dat ze de begroting voor militaire uitgaven waard waren. Oorlogen tussen Latijns-Amerikaanse staten lijken immers niet meer van deze tijd.

Tegelijkertijd hadden de democratische instellingen de grootste moeite wortel te schieten in nog steeds gepolariseerde en door corruptie en klassenconflicten geteisterde maatschappijen. Het bracht burgerpolitici en militairen tot ‘een nieuwe vorm van militarisme’, in de woorden van de Argentijnse politieke wetenschapper Rut Diamint. Waarbij de generaals zich niet verzetten tegen democratisch gekozen bestuurders, maar zich opwierpen als hun bondgenoten, en mogelijke plaatsvervangers. Zo kregen militairen belangrijke verantwoordelijkheden, zoals de leiding over infrastructuurprojecten en zelfs over sociale instellingen. Met als gevolg dat officieren ‘rechtstreekse en bevoorrechte banden onderhouden met de maatschappij’, schrijft Diamint.

Ook in Santiago, de Chileense hoofdstad, is het al geruime tijd onrustig. Beeld AFP

Burgerpresidenten doen daar hun voordeel mee, want in veel Latijns-Amerikaanse landen hebben de strijdkrachten meer aanzien dan welke andere instelling ook, met uitzondering van de rooms-katholieke kerk.

De groei van de democratie in Latijns-Amerika gedurende de jaren negentig en nul geldt als een van de grootste succesverhalen ter wereld. Maar toen de onvermijdelijke crises de kop opstaken, ontwikkelden politieke leiders de gewoonte zich achter de generaals te verschuilen.

De linkse presidenten in Venezuela, Bolivia en Nicaragua willen dat de wereld hen ziet als leiders van een voorhoede van burgers en militairen die de strijd aanbinden met vijanden in eigen land en daarbuiten. Rechtse presidenten in Colombia, Guatemala en Brazilië schuiven ‘hun’ militairen naar voren als nobele strijders tegen de toenemende criminaliteit.

Zelfs de linkse Mexicaanse president Andrés Manuel López Obrador, die altijd wantrouwend stond jegens de invloed van militairen, heeft soldaten ondergebracht bij een nieuwe politie-eenheid; en dat terwijl hij ooit had beloofd ‘de militairen van de straat te halen’. Javier Corrales, een politieke wetenschapper aan het Amerikaanse Amherst College, noemde dit als voorbeeld van de ‘gestage militarisering van democratieën’.

Kapot politiek systeem

Niet alleen in Latijns-Amerika stokt de ooit gestage opmars van de democratie. Die ontwikkeling viel samen met de uitbarsting van lang opgekropte woede over ongelijkheid en corruptie. Op dat punt is in grote delen van Latijns-Amerika veel verbeterd, maar de problemen blijven groot. Bijgevolg is dat overal in de regio het geloof in verkiezingen is afgenomen en de politieke polarisatie gestegen. Volgens veel burgers is het politieke systeem kapot.

In grote delen van de wereld, ook in Chili, heeft dat bijgedragen aan een collectieve woede en de overtuiging dat alleen massale opstanden voor echte verandering kunnen zorgen. Maar zelfs in landen waar geen sprake is van zulke protesten, stijgt de achting voor de militairen terwijl die voor burgerregeringen daalt. Polga-Hecimovich: “Militairen doen zich graag voor als morele gezagsdragers bij wie de verdediging van de Grondwet of de vlag in goede handen is.” Na de Koude Oorlog kwam dat voornamelijk neer op interventies in grote politieke crises, wanneer burgers leken te verlangen naar een neutrale en betrouwbare scheidsrechter die een snelle en vreedzame oplossing garandeert.

Nu democratieën niet aan de verwachtingen kunnen voldoen en de onrust toeneemt, doen benarde presidenten een beroep op militairen om hen uit de nood te helpen.

Het leidde tot een nieuwe dynamiek, waarbij leiders naast generaals poseren ter ontmoediging van hun politieke rivalen, en om betogers duidelijk te maken dat ze niet van plan zijn af te treden. “Zo’n foto van een burgerpresident naast militairen is een uiterst krachtig signaal aan betogers dat ze op straat in brand kunnen steken wat ze willen, maar het leger de regering niet in de steek laat,” aldus Pérez-Liñán.

Die nieuwe praktijk moet niet worden verward met de dreiging van het gebruik met militair geweld, vindt hij. Zelfs in het door een intens conflict geteisterde Venezuela zouden militairen zo’n bevel niet opvolgen.

Polga-Hecimovich heeft veelvuldig en nauw contact gehad met Latijns-Amerikaanse officieren. Hij gelooft niet dat velen van hen zijn ingenomen met hun nieuwe rol, maar door de ‘deal’ aan het einde van de Koude Oorlog hebben ze weinig keus. “Als je geen oorlogen hoeft te voeren, kun je maar beter reageren als er in tijden van crisis een beroep op je wordt gedaan,” zegt hij. “Als dat niet de rol is van militairen, wat dan wel?”

© The New York Times
Vertaling René ter Steege

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden