Plus

Nóg lagere lonen: Ethiopië wordt het nieuwe Bangladesh

In Ethiopië verdienen textielarbeiders nog geen euro per dag. Kledingmerken verruilen Azië, waar de lonen de laatste jaren stegen, dan ook steeds vaker voor het Afrikaanse land.

De fabrieken in Ethiopië zien er zeer modern uit. Ze zijn dan ook hooguit drie jaar oud. Beeld Getty Images

Uit een recent rapport van de Universiteit van New York blijkt dat Ethiopische textielarbeiders 23 euro per maand verdienen. Ook in het Oost-Afrikaanse land is dat een aalmoes die je niet over de armoedegrens heen tilt.

 Veel arbeiders houden na aftrek van de huur van hun huis amper geld over om eten en andere dingen te kopen. Volgens het rapport moeten sommige arbeiders dagelijks zes uur lopen om op het werk te komen en vallen mensen flauw van de honger.

Op het eerste oog zien de fabrieken in Ethiopië er zeer modern uit. Ze zijn dan ook hooguit drie jaar oud. Binnenin zien de ateliers er ook clean en geordend uit. Een wereld van verschil met de industriële bouwvallen en volgepakte sweat­shops van Bangladesh en andere Aziatische lagelonenlanden.

Toch verdienen collega’s in Bangladesh vier keer meer – en die in China ruim tien keer – dan hun Afrikaanse lotgenoten. Volgens de Wereldbank ligt de armoedegrens wereldwijd op 2 euro per dag.

H&M, Gap, Calvin Klein

De meeste Ethiopische textielfabrieken staan samengepakt op één groot industriepark, Hawassa, in het zuiden van het land. Het park is aangelegd door de overheid. Sinds de opening van de industriezone in 2017 zijn er al 25.000 banen gecreëerd. Het einddoel is 200.000 extra banen in de textielsector voor heel Ethiopië.

Dat succes is helemaal te danken aan de enige troef die de Ethiopische regering kan uitspelen: “Wij hebben de goedkoopste arbeiders ter wereld.” Toen de lonen in de Aziatische landen een paar jaar geleden begonnen te stijgen, zochten grote concerns een uitweg. H&M, Gap, Guess en de PVH-groep waaronder Calvin Klein en Tommy Hilfiger vallen, waren de eerste om toe te happen. Zij gingen in zee met de hoofdzakelijk Chinese bedrijven die zich in Hawassa hebben gevestigd.

In de textielfabrieken blijkt het verloop zeer groot. Veel werknemers geven er na verloop van tijd de brui aan, ook omdat de meeste ateliers geleid worden door Chinese managers, die volgens arbeiders in het rapport de gewoonte hebben om hun personeel hard aan te pakken en veel te schreeuwen. In de Ethiopische cultuur ligt dat gevoelig.

Lagere productiviteit

Dat grote verloop zorgt er samen met het gebrek aan opleiding en ervaring van de werknemers voor dat de productiviteit in Ethiopië vooralsnog lager ligt dan bij de Aziatische concurrenten. Bovendien zijn de transportkosten in het land hoog, net als de aankoopprijs van sommige chemicaliën.

Die nadelen schrikken veel bedrijven nog altijd af. Aan de slagingskansen van het Ethiopische experiment wordt door sommige economen getwijfeld. Lukt het wel, dan zou dat Ethiopië op lange termijn ten goede moeten komen. Maar op korte termijn, en dat geeft ook de regering toe, zal aan de levensstandaard van de bevolking weinig veranderen.

Van de westerse bedrijven wilde alleen H&M op het rapport van de Universiteit van New York reageren. Het Zweedse concern zegt te geloven dat zijn aanwezigheid ‘een positieve impact heeft op de economie van Ethiopië’. De Ethiopische overheid noemt het rapport op haar beurt ongenuanceerd. Een regeringslid zegt bijvoorbeeld dat bedrijven ‘ook gratis maaltijden en woon-werkvervoer aanbieden’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden