Plus

Kloof tussen stad en platteland? Niet in het Amsterdam van de achttiende eeuw

De stikstofcrisis en het boerenprotest legt ook de kloof bloot tussen stad en platteland. Maar tot ver in de 18de eeuw was de Amsterdamse elite nauw verbonden met het buitenleven, zo blijkt uit het boek Boeren op de buitenplaats van landschapshistoricus en boerenzoon Gerrit van Oosterom.

Peter de Brock
Gezicht op buitenplaats Goudestein aan de Vecht, bij Maarssen en Breukelen. Door Jan van der Heyden (1666). Beeld
Gezicht op buitenplaats Goudestein aan de Vecht, bij Maarssen en Breukelen. Door Jan van der Heyden (1666).

Amsterdammers die het zich konden permitteren vluchtten vroeger in de zomer de stad uit. Bij oplopende temperaturen was de stad geen fijne plek om te verblijven. Rond 1640 werd daardoor de bouw van buitenplaatsen langs de Amstel, het Gein, de Waver of de Holendrecht razend populair. Op haar zomer­verblijven ontsnapte de stedelijke elite niet alleen aan de ondraaglijke stank en besmettelijke ziekten, maar kon ze op de bijhorende pachtboerderijen ook het ideaal nastreven van een zorgeloos landelijk bestaan in een utopisch boerenlandschap.

De zomerse trek naar het platteland en de negatieve aspecten van het ­leven in de stinkende en ongezonde stad, worden volgens landschapshistoricus en boerenzoon Gerrit van Oosterom (1975) vaak te makkelijk met elkaar in verband gebracht. Het was namelijk vooral de economische bloei van Amsterdam, stelt hij in zijn proefschrift, die leidde tot een stortvloed aan beleggingen in landerijen en boerderijen rondom de stad. Voor zijn promotie-onderzoek bestudeerde hij ruim honderdzestig buitenplaatsen in het Amstelland.

De geschiedenissen van de buitenplaatsen en de landbouw zijn voorheen vooral los van elkaar bestudeerd. Kunsthistorici waren met name geïnter­esseerd in de stilistische aspecten van het fenomeen, maar zelden in de rurale tradities. Onbegrijpelijk, vindt Van Oosterom. ‘We kunnen niets zeggen over de reden waarom buitenplaatsen ook boerderijen en landerijen bevatten als we alleen kijken naar hofdichten en tuintraktaten, maar niet naar kasboeken en pachtcontracten,’ stelt Van Oosterom in zijn proefschrift waarvan onlangs een schitterend geïllustreerde handelseditie is verschenen

Maatschappij ter Bevordering van den Landbouw

De gewoonte van den Zomer op het Land door te brengen, moet ons, natuurlijk, den aandagt op den Landbouw doen vestigen; en dien als een allergeschiktste en den mensch allerwaardigste uitspatting, zo wel als nuttige oefening, doen beschouwen.’

Met deze woorden verantwoordde secretaris Jeronimus de Bosch in 1788 de oprichting in Amsterdam van de Maatschappij ter Bevordering van den Landbouw. Woorden die volgens Van Oosterom veel vertellen over hoe de Amsterdamse elite, buitenleven en landbouw zich tot elkaar verhielden: ‘Voor deze families waren Amsterdam en het omliggende platteland geen tegenstelling, maar één groot economisch, sociaal en cultureel speelveld.’

‘Zo veel als we weten over de eigenaren van de buitenplaatsen, zo weinig weten we door een chronisch gebrek aan bronnen over de pachtboeren,’ aldus Van Oosterom. Uit de pachtcontracten blijkt wel dat veel boeren uit de directe omgeving afkomstig waren. Ook over de financiële welstand van de buitenplaatsboeren is weinig bekend. Maar arm kunnen ze volgens hem niet zijn geweest ‘want ze waren in staat om relatief grote boerderijen voor soms stevige pachtprijzen te pachten en een eigen veestapel te onderhouden.’

De manier waarop de stadsbewoners naar het platteland en zijn bewoners keken werd gekenmerkt door tegenstrijdigheden. Het beeld van de boer als koddig, dom of sluw en doortrapt werd in de Renaissance herzien: landbouw werd opeens iets nobels. Het leidde tot kunstzinnige verheerlijking van het boerenbestaan, in gedichten, op schilderijen en zelfs op behang.

Tijdens de Verlichting zag de stedelijke elite voor zichzelf een gidsrol weggelegd bij verheffing van de in hun ogen onderontwikkelde boeren. Daarbij bleek ‘onse boer’ op de buitenplaats een handig instrument.

De tekst loopt door onder de foto

Buitenplaats Oostrust aan de Amstel. Een ets door Abraham Rademaker (1730). Beeld
Buitenplaats Oostrust aan de Amstel. Een ets door Abraham Rademaker (1730).

Goede bereikbaarheid was een must

De pachtboer werd nadrukkelijk niet gezien als personeel, zoals huishoudsters en kindermeisjes die vaak meeverhuisden tussen Amsterdam en de buitenplaats. Sommige Amsterdamse landeigenaren voelden zich ook betrokken bij de dorpsgemeenschap en sommigen betaalden mee aan inzamelingsacties voor kerken. Koopman Johannes de la Croix (1685-1730) liet tot veertig jaar na zijn dood jaarlijks tien gulden na aan het dorpsschooltje in Stokkelaarsbrug.

De voorkeur voor een buitenverblijf in de achtertuin van Amsterdam had alles te maken met de bereikbaarheid. De Amsterdamse eigenaren wilden maximaal ‘een dag gaans’ van de stad verkeren. Goede bereikbaarheid was een must, omdat ze vaak voor zaken aan de stad waren gebonden.

Jacob Poppen (1638-1694) bijvoorbeeld, reisde dagelijks met zijn koets van zijn buitenplaats Over-Holland aan de Vecht naar Amsterdam en terug. Koopman Quirijn Brants (1668-1741), die graag dagen buiten de stad verbleef, werd bij zijn mogelijke aanstelling bij handelshuis De Geer duidelijk gemaakt dat hij en zijn gezin ‘geen hele weeck buyten dienen te blijven’.

Snel weer van de hand gedaan

Het idee dat de gekoesterde buitenplaats van generatie op generatie werd doorgegeven, zoals in Oost-Nederland, gaat niet op voor het Amstelland. Veel polderbezit werd hier na gemiddeld twee decennia weer van de hand gedaan.

Toch waren er ook families die hun buitenplaats langer in bezit wensten te houden. Zeepzieder en koopman Anthony van der Giessen (1684-1757) verbood het zijn erfgenamen bijvoorbeeld het buiten Zorgvliet binnen veertig jaar na zijn overlijden te verkopen. Ook doopsgezinde en katholieke Amsterdammers waren als religieuze minderheden meer gehecht aan hun polderbezit. Zo bleef Beek en Hof aan het Gein door een gerichte huwelijkspolitiek ruim honderdvijftig jaar in bezit de doopsgezinde families Block, Van Beeck en De Clercq.

Toch werd het merendeel van de buitens uiteindelijk in het kader van de vooruitgang gesplitst of gesloopt. Langs de Amstel en in de dorpsranden was de kans groot dat er direct naast of tegenover het eigen buiten een herberg, een fabriek of andere onwelgevallige constructie verrrees, die de zorgvuldig geconstrueerde landelijke iylle bruut zou verstoren.

Gerrit van Oosterom: Boeren op de buitenplaats. Uitgeverij Noordboek, € 49,90.

Schandaleuze affaires

Ondanks de ongeschreven regels over de gewenste sociale afstand tussen de standen kwamen er wel ‘ongepaste relaties’ voor tussen Amsterdamse landeigenaren en pachtboeren. Theodorus de Jongh, heer van de Groote Lindt (1698-1765) onderhield op zijn buitenplaats Blomswaard in Abcoude een jarenlange affaire met de gescheiden analfabete boerin Grietje Janse van Schaik.

Burgemeester Jan Benningh (1490-1556), eigenaar van buitenplaats Kostverloren, trouwde zelfs met ‘een boere dochter’ uit Diemen die ‘wel seer rijck’ was. En het was een publiek geheim dat diverse leden van het Amsterdamse regentengeslacht Hooft kinderen hadden verwekt bij boerinnen in het Amstelland.

Overzichtskaart van Gerrit Drogenham en Daniël Stoopendaal  met daarop de ligging van de Amsterdamse buitenplaatsen (ca. 1720). Beeld
Overzichtskaart van Gerrit Drogenham en Daniël Stoopendaal met daarop de ligging van de Amsterdamse buitenplaatsen (ca. 1720).

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden