PlusAchtergrond

Deze Auschwitz-geliefden hadden elkaar 72 jaar niet gezien

Onwaarschijnlijk lang wisten twee bijzondere gevangenen te overleven in Auschwitz, tot ze elkaar uit het oog verloren. Het beloofde weerzien bleef uit tot op hoge leeftijd. Eindelijk kon hij vragen hoe hij gered was.

David Wisnia in zijn slaapkamer in Levittown, Pennsylvania. Beeld Hollandse Hoogte / The New York Times Syndication

De eerste keer dat ze elkaar spraken, in 1943 bij het crematorium van Auschwitz, besefte David Wisnia dat Helen Spitzer geen gewone gevangene was. Zippi, haar bijnaam, zag er schoon uit, ging goed gekleed. Ze rook ook lekker. Op haar verzoek had een medegevangene hen aan elkaar voorgesteld.

Alleen al haar aanwezigheid daar was ongebruikelijk: een vrouw die niet binnen de vrouwenafdeling was gebleven en ook nog sprak met een mannelijke gevangene. Voordat David wist wat er gebeurde, waren ze alleen, alle gevangenen rondom hen waren verdwenen. Dat was geen toeval, besefte hij later. Ze spraken af elkaar over een week weer te ontmoeten.

Op de afgesproken dag ging David naar de barak tussen de crematoria 4 en 5. Hij klom naar boven op een geïmproviseerde ladder, gemaakt van pakketten met kleding van gevangenen. Helen had het geregeld; de ruimte tussen honderden dozen was net groot genoeg voor allebei. David was 17 jaar oud, zij 25.

Oude foto’s

De Joodse geliefden ontmoetten elkaar ongeveer elke maand in hun schuilhoek. Eerst waren ze steeds bang te worden ontdekt, wat hun dood zou hebben betekend. Maar het ging goed en ze keken uit naar hun afspraakjes. David, die in het kamp al een zekere faam als zanger had verworven, voelde zich bijzonder: “Ze had mij gekozen,” herinnerde hij zich. Maar ze wisten na een paar maanden dat dit niet veel langer kon doorgaan. Rondom hen heerste de dood. Toch spraken de geliefden vaak over hoe ze ooit samen in vrijheid zouden leven. Ze wisten dat ze zouden worden gescheiden, maar ook dat ze na de oorlog met elkaar herenigd zouden worden.

Ze deden 72 jaar over die hereniging.

Deze herfst zat David Wisnia oude foto’s te bekijken in het huis in Levittown, Pennsylvania, waar hij 67 jaar had gewoond. Nog altijd is zingen zijn passie, tientallen jaren was hij cantor in de plaatselijke synagoge. En nog steeds houdt hij ongeveer eenmaal per maand lezingen over de oorlog, gewoonlijk voor een gehoor van scholieren en studenten, soms ook in bibliotheken.

“Er zijn nog maar weinig mensen over die precies weten hoe het was,” zegt hij.

Helen Spitzer hoorde bij de eerste Joodse vrouwen die in maart 1942 in Auschwitz aankwamen. Ze sprak goed Duits, was een volleerd grafisch ontwerper en had vooral veel geluk. Ze kreeg een kantoorbaan met steeds meer verantwoordelijkheden, die privileges opleverden. Zo mocht ze zich vrij over het kampterrein begeven en soms zelfs uitstapjes maken. Toch was ze nooit een collaboratrice of een kapo, een Jood die toezicht hield op andere gevangenen. Ze gebruikte haar positie om gevangenen te helpen.

David Wisnia werd meteen na aankomst ingedeeld bij het Leichenkommando, dat de stoffelijke resten moest binnenbrengen van medegevangenen die zelfmoord hadden gepleegd door tegen de onder hoogspanning staande hekken aan te lopen. Later moest hij zingen bij feesten van de kampbewakers. Bij wijze van voorrecht kreeg hij een nieuwe en minder macabere baan in een gebouw dat de SS’ers de ‘sauna’ noemden. Hij moest er kleding van pas aangekomen gevangenen desinfecteren met dezelfde Zyklon B-korrels waarmee gevangenen in de gaskamer werden vermoord.

Op een middag in 1944 beseften David en Helen dat ze waarschijnlijk voor de laatste maal naar hun liefdesnestje klommen. De nazi’s hadden de laatste gevangenen op dodenmarsen gestuurd en waren bezig de sporen van hun misdaden uit te wissen.

Dodenmars

Tijdens dat laatste rendez-vous beloofden de geliefden dat ze elkaar na de oorlog zouden weerzien in Warschau. David had een Joods gemeenschapscentrum gekozen als plaats van de hereniging, ze moest de naam goed onthouden.

David werd nog voor Helen met een van de laatste transporten uit Auschwitz weggevoerd. In december 1944 belandde hij in concentratiekamp Dachau, waar hij even later op een dodenmars werd gestuurd. Onderweg vond hij een schop waarmee hij een SS-bewaker wist neer te slaan. Hij nam de benen en hield zich de dag erop schuil in een schuur, tot hij dacht dichtbij Russische militairen te horen. Hij rende naar de tanks en hoopte er het beste van. Het waren geen Russen, maar Amerikanen.

Uit de fotoalbums van David Wisnia, met zijn hereniging met Helen Spitzer. Beeld Hollandse Hoogte / The New York Times Syndication

Zijn bevrijders gaven hem een uniform, al kon een Pool nooit een volbloed soldaat worden. Na de oorlog werkte David op veel plaatsen voor het Amerikaanse leger. Hij dacht niet meer aan wat hij en Zippi elkaar hadden beloofd. Zijn toekomst lag niet langer in Warschau, maar in Amerika.

Helen Spitzer was een van de laatste vrouwen die Auschwitz levend verlieten. Ze moest naar vrouwenkamp Ravensbrück, waar ze werd ingedeeld bij een dodenmars. Zij en een vriendin ontsnapten door de rode streep op hun kleding te verwijderen. Zo konden ze zich zonder op te vallen aansluiten bij de vluchtende plaatselijke bevolking.

Te midden van de chaos wist Helen het eerste kamp voor Joodse ontheemden in de Amerikaanse zone te bereiken. In de lente van 1945 verbleven daar minstens 4000 overlevenden.

Kort daarop trouwde ze met Erwin Tichauer, de politiecommandant van het kamp. Weer had ze een bevoorrechte positie, nu als mevrouw Tichauer. Zij en haar man woonden buiten het kamp. Uiteindelijk emigreerden ze naar Amerika. Eerst naar Austin in Texas. In 1967 kreeg haar man een aanstelling aan de Universiteit van New York als hoogleraar biotechniek.

Kort na de oorlog hoorde David Wisnia van een vroegere gevangene uit Auschwitz dat zijn geliefde uit het kamp nog leefde. Rond die tijd ging hij helemaal op in zijn werk voor het Amerikaanse leger in Europa, als voorbode van zijn emigratie naar de VS.

Vol in het uitgaansleven

In februari 1946 was het zover. Zijn oom en tante haalde hem op in de haven van Hoboken, en herkenden in de 19-jarige kerel in uniform aanvankelijk niet de kleine David die ze voor het laatst in Warschau hadden gezien. Hij had haast om de verloren tijd in te halen en stortte zich in het New Yorkse uitgaansleven. In 1947 ontmoette hij zijn toekomstige vrouw Hope.

Toch bleef hij op de hoogte, dankzij een wederzijdse vriend, hoe het zijn vroegere geliefde verging. Onderwijl werd hij vader van vier kinderen en opa van zes kleinkinderen. In 2016 besloot hij te proberen met Helen contact te zoeken. Hij had zijn gezin over haar verteld en zijn zoon, een rabbijn in New Jersey, benaderde haar. Na enig aarzelen stemde ze toe in een ontmoeting.

Ze hadden elkaar 72 jaar niet gezien. Hij had gehoord van haar slechte gezondheid, maar wist verder weinig van haar leven. Hij had altijd vermoed dat hij zijn leven aan haar te danken had en wilde nu wel eens weten of dat waar was.

Vijf keer gered

Zippi lag ziek in bed, omringd door boeken, toen David Wisnia en zijn kleinkinderen arriveerden bij haar flat in Manhattan. Sinds de dood van haar man, in 1996, was ze alleen geweest. Het echtpaar had geen kinderen. Met de jaren waren haar gehoor en zicht steeds verder achteruitgegaan.

Eerst herkende ze hem niet. Toen bracht David zijn gezicht dicht bij het hare.

“Haar ogen gingen wijd open, bijna alsof ze terug­keerde in haar oude leven,” volgens Davids kleinzoon Avi Wisnia.

Ze spraken twee uur met elkaar. Bij het afscheid moest en zou David het vragen: was het aan haar te danken dat hij Auschwitz had overleefd?

Ze hield haar hand omhoog en spreidde de vijf vingers. Haar stem klonk opeens luid, met een zwaar Slowaaks accent: “Ik heb je vijf keer gered van de gaskamer.”

Davids reactie: “Ik heb het eigenlijk altijd geweten.”

Helen was nog niet uitgepraat en vertelde dat ze na haar ontsnapping aan de dodenmars naar Polen was teruggegaan: “Ik heb in Warschau op je gewacht.” David was van zijn stuk gebracht. Zij had zich aan hun afspraak gehouden, hij niet.

Ze had van hem gehouden, zei ze zachtjes. En hij van haar, zei David.

Voor hij wegging, vroeg ze hem om voor haar te zingen. Hij pakte haar hand en zong het Hongaarse liedje dat zij hem in Auschwitz had geleerd. Hij kende de woorden nog.

Na die middag zouden ze elkaar nooit terugzien. Helen overleed vorig jaar, 100 jaar oud.

© The New York Times
Vertaling René ter Steege

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden