PlusAchtergrond

De prins in de jungle van New Delhi

Prins Cyrus (l), prinses Sakina en een bediende op het dak van jachtslot Malcha Mahal in New Delhi (1998).Beeld BARRY BEARAK/NYT/HH

Een familie die decennia geleden haar intrek nam in de ruïnes van een paleis in de Indiase hoofdstad, claimt dat ze onttroonde aristocraten zijn uit het voormalige koninkrijk van Oudh. Een tragisch verhaal. Maar klopt het wel?

In de lente van 2016 werkte ik voor The New York Times in India toen iemand me belde op ons kantoor in New Delhi. Ik was er niet, een collega gaf even later de boodschap door: “Ellen, heb jij contact gezocht met de koninklijke familie van Oudh?” 

Ik was opgetogen! Nu wist ik zeker dat hij me wilde spreken, de kluizenaar die woonde in het bos midden in de stad. De collega vond het maar ‘een vreemd telefoontje’: “De secretaresse gaf strenge instructies wanneer je moest terugbellen, morgenochtend tussen 11 en 12 uur.”

Natuurlijk kende ik de verhalen over de koninklijke familie van Oudh, verhalen die behoorden tot de grote mysteries van Delhi. De verhalen die de theeverkopers, de riksjachauffeurs en de winkeliers in de oude stad hun klanten graag vertellen. Verhalen over een paleis, afgesloten van de stad eromheen. Er leefden een prins, een prinses en een koningin, als laatste leden van een sjiitisch-islamitische en roemruchte koninklijke dynastie.

Over hen deden verschillende verhalen de ronde, afhankelijk van degene met wie je sprak. Volgens sommigen hadden de Oudhs zich daar gevestigd nadat de Britten in 1856 hun koninkrijk hadden afgepakt. Ze hadden het bos ongehinderd rond het paleis laten groeien, als om de buitenwereld op afstand te houden. Anderen geloofden niet in die verhalen over een zonderlinge koninklijke familie; volgens hen woonden er djinns in het paleis, bovennatuurlijke wezens uit de Arabische folklore.

Een kennis van me had ooit met een telelens een glimp opgevangen van de prinses, die, zo leek het, jarenlang haar haar niet had laten knippen of wassen, de slierten vol klitten reikten tot aan de grond.

Eén ding was zeker, ze stelden geen prijs op bezoek. Ze leefden niet in een paleis, zoals de legende wilde, maar in een bijna volledig vervallen jachtslot uit de 14de eeuw. Rondom hadden ze prikkeldraad gespannen, waarachter valse honden liepen. Borden met dreigende teksten, en fouten in het Engels, moesten indringers verder afschrikken. Zoals: INTRUDERS SHALL BE GUNDOWN.

Geritsel uit de hoge struiken

Toch liet de familie om de paar jaar een journalist toe op het domein, altijd een buitenlander, om af te geven op de Indiase staat. De journalisten kwamen terug met heerlijk macabere verhalen, die ik bewonderend verslond. Zo vertelden de prins en prinses de Britse krant The Times dat hun moeder een eind aan haar leven had gemaakt door vergif in te nemen dat ze had vermengd met vermalen parels en diamanten. Het was, volgens de kinderen, haar ultieme protest tegen het verraad van Groot-Brittannië en India.

Ik kon wel begrijpen waarom die verhalen hier zo’n weerklank vonden. India was doordrenkt van trauma’s, zoals de staaltjes van verraad waarmee de Britse verovering gepaard ging. En veel later het bloedbad toen de Britse kolonialen zich terugtrokken en de weg vrijmaakten voor de Partition, waarbij Pakistan van India werd afgescheiden. Het was het sein tot een van de grootste volksverhuizingen uit de geschiedenis en gruwelijk geweld tussen moslims en hindoes.

Deze koninklijke familie maakte een schouwspel van haar eigen ondergang, van al het lijden dat India had doorstaan.

Een dag nadat ik de boodschap had ontvangen, belde ik het mij opgegeven telefoonnummer. Aan de andere kant nam iemand pas na enige tijd op met een hoge, wat bevende stem. De volgende middag moest ik me om half zes in het bos melden.

De chauffeur van de krant bracht me. Het woud had iets magisch, zo midden in een stad met twintig miljoen inwoners. Britse militairen hadden hier in de 19de eeuw pijnbomen laten planten die zich snel hadden verspreid. Binnen de kortste keren overwoekerden ze weidegronden, wegen en hele dorpen, alles wat in de wijde omgeving lang had bestaan.

Ik moest de auto aan het eind van de weg laten staan, luidde de instructie, naast de hoge muur rond een complex van het Indiase leger. Ik mocht niemand meenemen. Dat verbaasde me niet: de familie van Oudh weigerde immers elk contact met Indiërs. Ik vroeg de chauffeur een eind verderop te wachten en zo stond ik op een gegeven moment alleen en wat ongemakkelijk in het bos met mijn notitieblok in de hand, wachtend op wat zou komen.

Tot ik wat geritsel hoorde in de hoge struiken en een man tevoorschijn kwam. Hij was elfachtig dun en droeg een spijkerbroek met hoge taille, een model dat bij vrouwen eind jaren tachtig populair was. Hij had hoge jukbeenderen, een ingevallen gezicht en wilde plukken grijs haar op het hoofd.

“Ik ben Cyrus,” zei de prins. Het was de hoge stem die ik aan de telefoon had gehoord, waardoor mijn collega dacht dat hij met een secretaresse van doen had. Hij sprak in korte, snel uitgesproken zinnen, zoals iemand die de meeste tijd in zijn eentje doorbrengt.

Toen draaide hij zich om en ging me voor, het bos in. Ik probeerde hem bij te houden zonder verstrikt te raken in de wirwar van boomwortels en doornen. De valse honden uit de verhalen waren gelukkig nergens te bekennen. We kwamen bij een massieve stenen trap die leidde naar het oude jachtslot. Er was nog ongeveer de helft van over, overal kwam de wind naar binnen.

Het slot was omringd door metalen roosters, waarvan er een diende als een soort toegangspoort. De prins trok het met veel geratel opzij en we betraden zijn onderkomen: een stenen, bijna leeg vertrek met een zekere middeleeuwse grandeur. Aan de wanden stonden koperen potten met palmbomen, op de vloer lagen versleten, ooit elegante tapijten. Aan een muur hing een schilderij van zijn moeder, gehuld in een ruimvallend donker gewaad. Ze hield haar ogen gesloten, als in trance.

De prins ging me voor naar het dak om het uitzicht te bewonderen; over de groene boomkruinen tuurden we naar de door stof bedekte, in de hitte glinsterende stad.

Andere grote of grootse steden mogen op ruïnes zijn gebouwd, Delhi bestaat eruit. Het is bijna onmogelijk van de ene naar een andere plek te gaan zonder over een 700 jaar oud graf of een 500 jaar oud fort te struikelen.

Zeven opeenvolgende islamitische dynastieën bouwden hier hun hoofdsteden, elk werd weggevaagd toen hun tijd was gekomen. De ruïnes herinneren de Indiërs eraan dat het huidige tijdsgewricht – democratie, Starbucks, hindoe-nationalisme – slechts een oogwenk is in hun geschiedenis. “Wij waren hier,” lijken die ruïnes de bewoners toe te roepen, “dit was van ons”.

Ik wilde de prins interviewen. Toen ik naar zijn familie vroeg, barstte hij uit in een tirade tegen de verraderlijke Britse en Indiase regeringen. Een antwoord op mijn vraag kwam er niet. Hij gebruikte dezelfde woorden die ik had gelezen in artikelen over hem in kranten als The Washington Post, The Chicago Tribune en The Los Angeles Times. Hij sloeg soms een beetje door en klaagde dat een bende misdadigers achter hem aan zat. Soms spreidde hij zijn handen theatraal als hij jammerde over wat zijn familie was aangedaan, om even daarna op fluistertoon over te gaan.

“Ik krimp, we krimpen allemaal, de prinses ook,” zo vatte hij het verval samen van het huis van Oudh. De prins maakte een afwerend gebaar toen ik vroeg of ik het interview mocht publiceren. Daarvoor had hij toestemming nodig van zijn zus, prinses Sakina. Ze was echter niet in Delhi, ik moest nog maar eens terugkomen.

Dat vond ik vreemd. Waarom nodig je een journalist uit als je niet wilt dat ze over je schrijven?

Het vervallen slot waarin de familie leefde in Delhi ligt middenin de bossen. Beeld Hollandse Hoogte / The New York Times Syndication
Beeld Jamie Groenestein

Bedienden op hun knieën

Het verhaal begon met zijn moeder. Begin jaren zeventig verscheen ze op een perron van het station van Delhi, schijnbaar uit het niets.

Ze noemde zich Wilayat, de begum van Oudh. Begum wil zoveel zeggen als vorstin. Oudh was een koninkrijk dat niet meer bestond. De Britten annexeerden het in 1856, een trauma waarvan de hoofdstad, Lucknow, nooit zou herstellen. In het hart van de stad herinneren gewelfde heiligdommen en paleizen nog aan die tijd.

De begum liet weten dat ze in het station zou blijven totdat ze die paleizen en andere zaken had teruggekregen. Ze nam tot die tijd haar intrek in de wachtkamer voor vips, en liet die inrichten met alles waarmee ze was aangekomen: tapijten, palmbomen in potten, een zilveren theeservies. Nepalese bediendes in livrei en Deense doggen met glanzende vacht hoorden bij de hofhouding. Twee kinderen van een jaar of twintig waren meegereisd, prins Ali Raza en prinses Sakina. Ze spraken hun moeder aan met ‘koninklijke hoogheid’. De historicus Saleem Kidwai vroeg er belet, en zag hoe de Nepalese bedienden op hun knieën liepen.

Het plaatselijk bestuur trachtte uit alle macht de begum elders onder te brengen. De media kwamen op het spektakel in de wachtruimte af, net als sjiitische moslims, die de begum leken te vereren en weleens amok konden maken als haar iets overkwam.

Ammar Rizvi was destijds een hoge functionaris van de deelstaat Uttar Pradesh, waarvan Luck­now de hoofdstad is. Hij werd naar New Delhi gestuurd om een oplossing te vinden en kwam terug met een grote envelop vol Indiase roepies ter waarde van duizenden dollars. Met dat geld kon ze in Lucknow een woning betrekken.

Rizvi: “Zeker in 1975 was dat heel veel geld, maar ze werd boos en gooide de envelop zo ver als ze kon, overal daalden de bankbiljetten neer. Ik en een assistent probeerden er zoveel mogelijk op te rapen.”

Rond die tijd had Wilayat een veel effectievere manier ontdekt om haar zaak te bepleiten: ze schakelde buitenlandse correspondenten in. ‘Indiase prinses regeert in wachtkamer’, was de kop in The Times boven een artikel waarin de auteur hoog opgaf van haar wens ‘het kwaad recht te zetten dat haar en haar voorouders eeuwenlang is aangedaan’. People Magazine schreef over de vrouw ‘die de wereld wil laten weten hoe de afstammeling van de laatste nawab van Oudh wordt behandeld’.

Hoe meer artikelen verschenen in de internationale pers, hoe meer briefschrijvers haar bewonderende en meelevende boodschappen stuurden. Wel verbond de begum strenge voorwaarden aan elk interview: ze mocht alleen worden gefotografeerd bij afnemende maan. De journalisten vonden dat geen bezwaar, blij als ze waren met hun ‘exclusieve’ reportage.

In 1984 had haar tactiek een zeker succes. Premier Indira Gandhi stelde het drietal het eeuwenoude jachtslot Malcha Mahal ter beschikking als residentie. De familie vertrok uit het station, ongeveer tien jaar na hun aankomst. Sindsdien zou Wilayat nooit meer in het openbaar verschijnen.

Een van de prinsen van Oudh in 1857.Beeld Getty Images
Bedienden met honden en haviken van de koning in de 18de eeuw. Beeld Universal Images Group via Getty

‘Zoek me nooit meer op’

Ik had in negen maanden tal van gesprekken gevoerd met de prins en vond het tijd Lucknow te bezoeken, een grote stad in het noorden van India en de bakermat van de Oudhdynastie. Ik wist dat Cyrus hier in de jaren zeventig met zijn moeder en zus had gewoond, dus ging ik naar de wijk waar nog nakomelingen van de Oudhs konden wonen. En tot mijn verbazing wisten ouderen zich Cyrus en zijn familie nog te herinneren. Maar, zeiden ze er achteloos bij, het waren bedriegers. Échte afstammelingen van de dynastie in Kolkata, het vroegere Calcutta, waar de nawab in ballingschap was gestorven, vonden dat volgens hen ook.

En dan waren er al die vragen waarop Cyrus geen antwoord kon of wilde geven. Waar was hij geboren? Wie was zijn vader? En hoe kun je diamanten verpulveren?

Zijn zuster, prinses Sakina, had zich nooit laten zien, maar Cyrus gaf me een boek dat zij over hun levens had geschreven. Het was eigenlijk onleesbaar, apocalyptisch proza vol hoofdletters, zonder interpunctie of een indeling in hoofdstukken. Hier en daar brak in de warrige tekst toch de oprechte tederheid door tussen broer en zus; alsof ze twee kleine kinderen waren, samen gestrand in een reddingsboot.

Sakina schreef dat ze had overwogen om, net als haar moeder, zelfmoord te plegen. Slechts de gedachte aan haar broer weerhield haar.

Op een avond belde Cyrus me. Hij huilde en ik kon hem moeilijk verstaan, maar hij biechtte op dat zijn zus zeven maanden eerder was over­leden. Hij had het aan niemand verteld en het lichaam zelf begraven. Maandenlang had hij over haar gelogen, hij leek zich een beetje te schamen.

Ik hoorde hem aan, liggend op het stapelbed van mijn dochter. Hij zei dat ik hem nooit meer moest opzoeken, om even later te klagen dat hij zo eenzaam was.

Ik wachtte een paar dagen en ging toen toch naar hem toe, met een Filet O’ Fish van McDonald’s. De oude banden leken hersteld. Hij vroeg me om een geweer en een vriendin, wat ik weigerde, en een dekzeil en een opname van Fiddler on the Roof. Dat kon ik wel regelen. Hij toonde zich zorgzaam; zijn taalgebruik was soms nogal oubollig, met verwijzingen naar de popmuziek en -cultuur uit de jaren zestig.

Op een keer vroeg hij om een kus op zijn wang, zijn huid voelde broos aan. Dat was de eerste keer in tien jaar dat iemand hem had gekust, zei hij. Met de flirterig bedoelde toevoeging: “When you are over here, my heart goes doopity doo, Sophia Loren.”

Ik mocht wel over hem schrijven, zolang ik maar niet te veel in detail trad. We hadden het er vijftien maanden over gehad. Ik zou weldra India verlaten en voor de krant in Londen gaan werken. Al die tijd had ik geprobeerd hem iets over zijn afkomst, zijn verleden, te ontfutselen, en steeds hield hij me aan het lijntje.

In ons laatste gesprek, een paar uur voor mijn vlucht naar Londen, vroeg hij me of iemand me kon bereiken als hij kwam te overlijden. Wilde hij zelfmoord plegen? Nee. “Prima, dan zullen we elkaar zeker weer ontmoeten,” zei ik.

Drie maanden later was ik op het vliegveld van Stockholm toen een kennis bij de BBC me op Facebook Messenger meldde dat Cyrus dood was.

Muskietennet

De bewakers bij het militaire complex naast Cyrus’ onderkomen vertelden me later hoe ‘rajah’, de koning, was gestorven. Ze hadden hem, hevig bevend, van zijn fiets zien vallen. Een soldaat hielp hem overeind en hij vroeg een fles limonade en een ijsje voordat hij naar huis strompelde. Dat was ongeveer drie weken na ons afscheid.

Volgens Rajinder Kumar, een van de bewakers, leed Cyrus waarschijnlijk aan dengue, knokkelkoorts. Uit eigen ervaring wist ik hoe die ziekte je kan slopen. Cyrus ging niet in op het aanbod van de soldaten hem naar een ziekenhuis te brengen, daar was hij volgens Rajinder te trots voor. “Hij wilde niet een gewoon iemand zijn.”

Zijn ziekte duurde acht dagen. De soldaten hadden een jongen eropuit gestuurd om te zien hoe het ging. Die zag Cyrus halfnaakt over zijn domein lopen, of rillend onder een muskietennet liggen. Na een paar dagen zag niemand hem meer en ging de jongen op zoek. Cyrus lag ineengekrompen op de stenen vloer, dood.

Maanden later was ik weer in Malcha Mahal, gedreven door nieuwsgierigheid, met ook iets van hebzucht. Ik was maar voor een paar dagen naar India teruggekeerd, om te zien of ik iets tussen zijn bezittingen kon vinden dat me verder zou helpen. Veel spullen waren uit kasten en bureaus gehaald en op de grond gegooid, andere journalisten waren me voor geweest. Tussen de vele brieven en uitgeknipte krantenartikelen zocht ik naar een geboortebewijs, een paspoort, iets dat een verbinding legde tussen de vroegere bewoners en de echte wereld.

In plaats daarvan vond ik brieven die journalisten de afgelopen dertig jaar aan de ‘koninklijke familie’ hadden geschreven, meestal met verzoeken om interviews. Sommigen beloofden geld. Zittend op het versleten tapijt tussen al die brieven moest ik opeens hard lachen. De familie had al die tijd geweigerd de journalisten, mezelf incluis, de waarheid over hun verleden te vertellen, te reageren op de beweringen van de ouderen in Lucknow dat zij bedriegers waren. Met de dood van de laatste telg bleef de waarheid, misschien voorgoed, in nevelen gehuld.

Ik snuffelde verder door de knipsels, waar­onder een artikel uit de Indiase krant The Statesman uit 1993 onder de kop ‘Wanneer de geschiedenis is gebaseerd op leugens’. Iemand, waarschijnlijk Cyrus, had twee passages onderstreept met de teneur dat feitelijke vergissingen, zelfs in gerespecteerde bladen, voor waar worden aangezien als ze maar vaak genoeg worden herhaald.

Twee dingen verrasten me echt.

De eerste was een stapel reçu’s voor regelmatige kleine geldtransfers via Western Union uit de Noord-Engelse industriestad Bradford. Als afzender stond meestal ‘halfbroer’.

De tweede verrassing was een in 2006 met de hand geschreven brief op dun, blauw luchtpostpapier. De toon was wat chagrijnig maar toch intiem, er sprak genegenheid uit jegens de geadresseerde, vermengd met bezorgdheid. Zo’n brief kon alleen zijn geschreven door familie.

‘Ik heb zo’n pijn dat ik zelfs niet naar het toilet kan,’ begint de briefschrijver. Hij werkt vervolgens een lijst van kwalen af, om te eindigen met een klacht: hij kan de last van de continue financiële steun aan Wilayat en de kinderen niet meer opbrengen. Hier was duidelijk niet een rijk man aan het woord. ‘In Gods naam, probeer je financiële problemen op te lossen voor het geval er iets met mij gebeurt. God, sta ons bij.’

De brief was slechts ondertekend met ‘Shahid’, zijn adres stond op de achterkant.

De nawab weende

Dit is misschien het moment om even stil te staan bij de tragedie van het huis van Oudh. In het midden van de 19de eeuw pikte de British East India Company het ene Indiase vorstendom na het andere in. Na Punjab en Sindh was het tijd voor de annexatie van Oudh, een gebied ter grootte van Oostenrijk.

Oudh werd in die dagen bestuurd door een nawab, of provinciale gouverneur, Wajid Ali Shah: een dromerige kunstminnaar die veel tijd doorbracht met feesten in het harem Parikhana, ‘huis van de feeën’. Hij dacht dat de Britten zijn bondgenoten waren, zijn oud­oom had hun immers aanzienlijke bedragen geleend.

De Britten dachten er anders over. Ze zetten de nawab af, met het argument dat hij zich aan wanbeheer schuldig maakte, en dwongen hem zijn rijk af te staan ‘aan de Honorable East India Company’. De nawab weende, zette plechtig zijn tulband af en overhandigde hem aan de Britse gezant. Kort daarop ging hij in Calcutta in ballingschap, waarmee hij Lucknow in rouw dompelde, schreef de historicus Rosie Llewellyn-Jones in haar boek over de vorst. Wajid Ali Shahs moeder reisde naar Londen in een vergeefse poging om koningin Victoria op andere gedachten te brengen. Het kwam haar op een spotdicht in het blad Punch te staan.

Ik ging weer naar Lucknow en nam een taxi naar de wijk achter de imposante graftombes en paleizen van de oude stad. Hier had ik mensen ontmoet die zich Cyrus en zijn gezin konden herinneren. Paard-en-wagens vulden de smalle straten, uit radio’s klonk schelle muziek. De wijk ademde nostalgie over het Oudhtijdperk. Overal zag ik portretten van Wajid Ali Shah, dromerig voor zich uit starend.

Ik kwam in Londen terug met drie echte aanwijzingen: de luchtpostbrief uit Bradford, de naam Shahid en de reçu’s van Western Union. Ze toonden aan dat iemand in het geheim al die jaren voor Cyrus en zijn familie had gezorgd.

Ik nam een trein naar Bradford in Yorkshire en liep naar het adres van Shahid. Het was een grijze, winderige dag. De wandeling voerde langs pandjeshuizen, afhaalchinezen en charmante rijtjeshuizen van gele baksteen, bijna zonder uitzondering bewoond door immigranten uit India of Pakistan. Ik hield stil bij een klein en goed onderhouden huis omgeven door een verzameling stenen tuinkabouters, teddyberen, zeemeerminnen, feeën en yorkshireterriërs.

Ik was zo zenuwachtig dat ik even voor het huis bleef ijsberen voordat ik aanbelde. De deur zwaaide open en voor me stond een breedgeschouderde man gekleed in een pyjama met een tijgerprint. Hij leek me halverwege de tachtig. Hij zag er niet goed uit; zijn ogen waren waterig, zijn borst ingevallen. Maar hij had het gezicht van Cyrus, met dezelfde hoge jukbeenderen en haviksneus.

Hij ging me voor naar binnen, wees me een stoel en ging zelf op een brits liggen. Hij bewoog zich moeizaam en keek zonder emotie naar de foto’s die ik had meegebracht. Ik bood aan hem een opname van Cyrus’ stem te laten horen, maar hij schudde afwijzend zijn hoofd. Dat zou, zei hij, te pijnlijk zijn.

Naast zijn ziekbed stonden twee ingelijste foto’s van Wilayat. Dit was Shahid, Cyrus’ oudere broer.

En nu, eindelijk, waren er wat feiten.

Ze waren een gewoon gezin, of waren dat geweest.

Hun vader had een administratieve baan aan de Universiteit van Lucknow en heette Inaya­tullah Butt.

Mijn vriend in Delhi heette niet prins Cyrus, prins Ali Raza of prins wat dan ook.

Hij was doodgewoon Mickey Butt.

Hier, in dit huis in West Yorkshire, had ik het gevonden: de identiteit die Cyrus en zijn familie zo lang hadden geprobeerd verborgen te houden. Shahid had gewerkt in een ijzergieterij in Yorkshire. Hij kon zich het leven voor de claim op de troon van Oudh nog herinneren, toen ze een gezin waren uit de hogere middenklasse, met dienstmeisjes en schooluniformen. De tijd dat hun moeder geen rebelse koningin was, maar een huisvrouw.

Suikerspinkapsel

Even later kwam Camellia thuis, Shahids echtgenote. Ze was een vriendelijke, openhartige vrouw uit Lancashire die met passie kon spreken over Labourleider Jeremy Corbyn, die ze haatte, en haar man, die ze aanbad. Ze ontmoetten elkaar in 1968: zij met een suikerspinkapsel en hij gebouwd als een bokser in het zwaargewicht. Hij kon destijds, zegt ze dweperig, bij een gevecht vier mannen tegelijk aan.

Camellia heeft haar schoonmoeder nooit ontmoet, maar wel jarenlang met haar gecorrespondeerd. Al die verhalen over Oudh waren volgens haar ‘grote flauwekul’. “Wat was er met de vrouw? In het begin geloofde ik nog alles, maar nu niet meer. Shahid spreekt er niet graag over, het is allemaal te pijnlijk. Ik denk dat hij eerst geloofde wat ze zeiden, maar later doorkreeg dat alles was verzonnen.”

Shahid liep van huis weg toen hij ongeveer veertien was, emigreerde later naar Engeland en sprak zelden over zijn moeders claim dat ze een koningin was. Hij gaf nauwelijks antwoord op mijn vragen en zei niet eens zeker te weten of hij een Pakistaan was of een Indiër. “Het is zo verwarrend allemaal, ik weet niet wie ik ben.”

Twee oudere nichten, Wahida en Khalida, woonden volgens Shahid nog in het Pakistaanse Lahore. Die wilde ik ontmoeten. Ik parkeerde naast een open riool, liep door een met afval bezaaide steeg naar het adres en klopte op een houten deur. De dames zaten op de ruime, stille binnenplaats met planten en bloeiende rozenstruiken. Ze waren klein van stuk en gekromd. Ik schatte ze in de zeventig.

Wahida had lang gewerkt als lerares. Ze deed nauwelijks haar mond open; haar manier van communicatie bestond vooral uit het uitdelen van klappen in het gezicht. Ze liep van mij naar de tolk en terug, denkend aan wie ze nu eens zou slaan. Een keer was het mijn beurt, maar meestal was mijn tolk de klos.

Khalida wilde wel wat zeggen. Ze herinnerde zich Wilayat als een levendige jonge vrouw, maar had haar sinds het einde van de jaren zestig niet meer gezien, toen ze was weggegaan uit Pakistan en teruggekeerd naar India.

De vrouwen maakten ons duidelijk dat we weg moesten gaan. “Vraag haar of ze ooit had gehoord dat haar familie afstamt van de koninklijke nawabs van Oudh, ” zei ik snel tegen de tolk.

“Ik heb geen idee,” antwoordde Khalida.

“Wilayat zei dat ze de koningin was van Oudh,” hield ik ze voor. “Dat heeft ze vele, vele jaren beweerd tegen de Indiase regering.”

Khalida: “Ze was een leugenaarster.”

Ik werd moe en gefrustreerd. “Wilayat is dood,” zei ik, “haar kinderen ook. Er is geen geheim meer.”

Khalida: “Het zijn allemaal leugens, ze zijn dood, laat ze met rust. God heeft ze vergeven, dus dat moeten wij ook doen.”

Het was pijnlijk om te proberen Shahid iets te laten vertellen over zijn moeder, broer en zuster. Hij bleef steken in hetzelfde deel van het verhaal, toen zijn moeder hem op pad stuurde om bananen te kopen en hij de benen nam. Volgens Camellia wil hij daarom tot de dag van vandaag geen bananen eten, uit een soort schuldgevoel.

Bovendien werd hij steeds zieker; de longkanker zaaide almaar verder uit. Camellia weigerde hem te laten opnemen in een ziekenhuis. Ze verzorgde hem in de voorkamer tot ze hem alleen nog pijnstillers kon geven.

Overheidsbanen voor het grijpen

Bij mijn vierde bezoek aan Bradford, de laatste keer dat ik hem zag, was zijn stem zo hees dat ik hem moeilijk kon verstaan. Maar hij vertelde me veel meer dan eerst.

Het verhaal, zoals hij het zag, begon bij de Partition.

Op 3 juni 1947 kondigde de Britse onderkoning, Lord Mountbatten, de opdeling aan van Brits-Indië. Na de terugtrekking van het Britse gezag zouden twee nieuwe staten het licht zien. Pakistan was bestemd voor de moslims, India voor de hindoes. In Lucknow pakten de beter opgeleide moslims snel hun koffers en vertrokken naar de nieuwe hoofdstad van Pakistan, waar ze weldra deel uitmaakten van een nieuwe elite. De mooie overheidsbanen lagen er voor het grijpen, en ze vreesden slachtoffer te worden van geweld als ze in India bleven.

Shahids ouders moesten van de ene dag op de andere kiezen tussen India en Pakistan. Zijn moeder, Wilayat Butt, was nergens gelukkiger geweest dan in Lucknow. Ze was een vurige en sterke vrouw; Shahid herinnert zich haar zoals ze op haar balkon in Lucknow stond, in een rijbroek en met rijlaarzen. Ze sloeg met een rijzweep tegen haar dij en weigerde te vertrekken.

Premier van Pakistan

Maar op een middag reed Shahids vader, een gedistingeerde heer van middelbare leeftijd, op zijn fiets naar huis door de vervallen elegantie van de stad. Opeens werd hij omsingeld door jonge hindoes, die hem met hockeysticks begonnen te slaan. Het besluit om met het hele gezin naar Pakistan te vertrekken was daarna snel genomen. De vader kreeg er een baan in de pas opgerichte dienst voor de burgerluchtvaart.

Hij had zich terecht zorgen gemaakt. De Partition leidde tot een golf van sektarisch geweld in beide nieuwe staten. Schattingen gaan uit van misschien wel een miljoen of meer doden, twaalf miljoen mensen werden vluchteling.

Wilayat volgde haar man, maar volgens Shahid had ze nooit zijn besluit geaccepteerd om India te verlaten. In haar nieuwe woonplaats bleef ze geobsedeerd door wat ze had moeten achterlaten, zozeer dat haar geestelijke gezondheid eronder begon te lijden. Haar gedrag werd steeds vreemder. Toen haar man stierf, sloegen bij Wilayat alle stoppen door. Volgens Shahid gaf ze op een dag de premier van Pakistan een klap in het gezicht, schreeuwend over de onteigening van haar familie.

Met kettingen vastgebonden

Zo veranderde Wilayat van een gerespecteerde weduwe met relaties in de betere kringen in een notoire lastpak die overal scènes schopte. Het leidde tot haar opname in een inrichting voor krankzinnigen in Lahore, waar ze een half jaar bleef. Anders zou ze volgens Shahid zijn veroordeeld tot een lange gevangenisstraf. Hij herinnert zich dat hij haar bezocht, te midden van huilende en vloekende patiënten.

Shahid: “Het was vreselijk. Vrouwen waren met kettingen vastgebonden. Een arm meisje zat met vier kettingen aan een muur vast; ze bewoog zich woest heen en weer en spuugde naar iedereen die voorbijliep.” Wilayat kreeg shocktherapie en werd platgespoten, hoorde Shahid van andere patiënten.

Zodra ze er weg mocht, vertelde Wilayat haar kinderen dat ze teruggingen naar India. Ze stopte tapijten, juwelen en huisraad in koffers en smokkelde alles de grens over. In India ging ze haar bezittingen opeisen. Shahid maakte de terugreis mee, maar besloot niet lang daarna zijn familie de rug toe te keren. Als ik vraag naar een reden, kan hij de juiste woorden niet vinden en wil hij er ook niet verder over praten.

Shahid overleed vorige maand in de voor­kamer van zijn huis, met Camellias hand in de zijne.

Door de Partition was zijn moeder de weg kwijtgeraakt en belandde ze in dat vervallen zogenaamde paleis, had Shahid me verteld. “We moesten weer helemaal opnieuw beginnen.”

Begin jaren zeventig werd Wilayats gedrag nog gekker en liet ze de wereld weten dat ze de koningin van Oudh was, en recht had op de aanzienlijke bezittingen van een koninkrijk dat niet meer bestond. Zij en haar kinderen namen een nieuwe identiteit aan: Farad werd prinses Sakina, soms noemde ze zich ook prinses Alexandria. Mickey werd prins Ali Raza, later noemde hij zich prins Cyrus. Ze spraken nooit meer over familieleden in Pakistan, of over de ruime woning in Lahore waarnaar ze konden terugkeren. Misschien waren ze het bestaan ervan vergeten. Ze leken het verleden volledig van zich af te hebben geworpen, alsof ze uit het niets waren gekomen.

De rest van het verhaal kent u al. Ze speelden hun rol zo overtuigend, zo vasthoudend, dat mensen hen veertig jaar lang geloofden.

Dus moet ik toegeven: ik heb hun geheim ontrafeld. Cyrus zou woedend zijn geweest. Altijd had hij geweigerd vragen over zijn verleden te beantwoorden en ik diende dat te respecteren als prijs voor de voortzetting van onze vriendschap.

Hoe zou hij op dit alles hebben gereageerd? Zijn vader die werd geslagen met hockeysticks, zijn moeder in het krankzinnigengesticht met aan de muren vastgeketende vrouwen. Zijn oudere broer die vluchtte. Mickey Butt, de naam die hij had achtergelaten. Waren hij en zijn zus gaandeweg in de fantasie van hun moeder gaan geloven?

Cyrus zou kapot zijn geweest van dit stuk in de krant. Maar ook nu nog vertellen in Old Delhi riksjabestuurders over de prins in de jungle, en dat zullen ze blijven doen lang nadat mijn verhaal is vergeten.

Bij mijn laatste bezoek aan Delhi bezocht ik de begraafplaats waar Cyrus ligt en overwoog een steen op zijn graf te leggen, met als inscriptie: ‘Prince Cyrus of Oudh’.

Maar niemand had het stoffelijk overschot opgeëist, dus was het begraven onder een nummer, DD33B. Zulke graven zijn slechts gemarkeerd met stukjes steen. De kleine hoopjes aarde gaan alle kanten op, bijna zover het oog reikt. Misschien heb ik wel uren op het kerkhof rondgezworven tot ik ging zitten, bezweet en met een rotgevoel. Ik haalde mijn notitieblok tevoorschijn en schreef: ‘Hij is verdwaald in een stad van de doden.’

Prins Cyrus in 2016 in zijn huis in Delhi.Beeld Hollandse Hoogte / The New York Times Syndication

© The New York Times
Vertaling René ter Steege

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden