PlusAchtergrond

De aanpak van de Spaanse Griep: in 1918 wist men nauwelijks wat een virus was

Ingeklemd tussen het geweld van de Eerste en Tweede Wereldoorlog verdween de Spaanse griep uit het collectieve geheugen van Nederland. Hoe verliep de aanpak van deze catastrofe die wereldwijd miljoenen levens eiste?

Een zaal met grieppatiënten in een noodhospitaal in Ford Riley in de Ameri­kaanse staat Kansas in 1918. Op een legerbasis in deze plaats werd het eerste geval van Spaanse griep gemeld. Beeld Mary Evans Picture Library Ltd./ANP

In Europa openbaarde de Spaanse griep zich in 1918, tijdens de Eerste Wereldoorlog, in Frankrijk, waar in legerkampen tienduizenden jongemannen op elkaars lip zaten. De beruchte ‘patiënt nul’ – de legerkok Albert Mitchell – was op 11 maart 1918 geregistreerd op een legerbasis in de Verenigde Staten. Ondanks de razendsnel om zich heen grijpende ziekte, stuurde de Amerikaanse regering schepen vol (besmette) soldaten naar het krijgsfront in Frankrijk.

Logischerwijs bleef de ziekte aanvankelijk aan geallieerde zijde van de loopgraven. Maar in hun laatste voorjaarsoffensief maakten de Duitsers nog honderdduizend geallieerde soldaten krijgsgevangen, waarmee de griep ook aan de Duitse kant van het front terechtkwam. Dat ook jonge, sterke mannen ziek konden worden, alarmeerde artsen en wetenschappers.

Vooral deze tweede en dodelijkste fase van de pandemie maaide in het najaar van 1918 als een zeis door de wereldbevolking. Dertig procent van de populatie werd getroffen, afhankelijk van tijd en plaats zou tussen de 20 en 60 procent van de zieken overlijden. Het aantal dodelijke slachtoffers wereldwijd wordt tussen 50 en 100 miljoen geschat. Zelfs bij het kleinste getal is de Spaanse Griep met afstand de grootste medische ramp uit de geschiedenis.

Verbijsterd staarden deskundigen naar de snelheid waarmee het griepvirus om zich heen greep. Van ‘groepsimmuniteit’ had nog nooit iemand gehoord en de oorlog zorgde voor een perfect storm. Want waar ernstig zieke patiënten in de burgermaatschappij worden geïsoleerd, was dat in de loopgraven juist andersom: lichte gevallen bleven aan het (voor anderen afgesloten) front en de zieksten gingen naar overvolle legerhospitalen waar talloze hulpverleners vrij in en uit liepen. Vooral de dodelijke variant van het virus kon zich zo in een moordend tempo verspreiden. Over virussen zelf was in 1918 nog nauwelijks iets bekend; de medische wetenschap joeg op een niet-bestaande bacterie.

Patiënt stikt in bloed

Geïnfecteerden kregen koorts en hadden overal pijn, ‘alsof je botten knappen’, aldus een overlevende. Vervolgens begonnen bloedingen uit mond, neus en oren, met hoestaanvallen die kraakbeen en ribben beschadigen. Met vernielde longen liep de patiënt uiteindelijk blauw aan wegens zuurstofgebrek. De Amsterdamse arts Arnold Norden schreef: ‘De dood laat dan nog slechts een paar uur op zich wachten en dien tijd wordt gevuld met een gevecht om een paar happen lucht totdat ze stikken in hun eigen bloed. Vreeselijk is het.’

Bij milde symptomen was de kans veel groter dat de patiënt het overleefde, behalve als die patiënt er een longontsteking bovenop kreeg: daarvan overleed tachtig procent, omdat antibiotica nog niet bestonden.

In Nederland vielen zo’n 60.000 doden, waarvan de helft door een longontsteking na de lichte variant. In kleine dorpen vonden per week evenveel begrafenissen plaats als normaliter in een jaar, in de steden stapelden de lichamen zich op in de lijkenhuizen.

Maatregelen

Pas tijdens die rampzalige tweede fase in Nederland nam men overal publieke maatregelen. Lokale autoriteiten moesten daarbij de situatie zelf maar beoordelen. Landelijke coördinatie was ­onmogelijk omdat de meeste gemeentehuizen niet eens een ­telefoonaansluiting hadden. De bestuurders van toen worstelden met evenveel twijfels als bestuurders vandaag. Bioscopen en toneelzalen gingen dicht, maar bedrijven en winkels werden niet van overheidswege gesloten, al draaiden veel kantoren en fabrieken op halve kracht wegens het grote aantal zieken.

In cafés werden nog altijd openbare verkopingen gehouden, waaruit blijkt dat de drankgelegenheden niet op slot gingen. En alleen als er te veel ploeggenoten in bed of op het kerkhof lagen, werden sportevenementen afgelast. Juist omdat men van de buitenlucht veel goeds verwachtte, werden samenscholingen daar niet verboden.

Het gehakketak over schoolsluitingen vertoont wel gelijkenissen met de huidige coronacrisis. Artsen drongen aan op sluiting omdat jongeren erg vatbaar bleken. Maar tegenargumenten sneden evenveel hout: vergeleken bij de kleine, bedompte woningen waar tien kinderen bij elkaar klitten, waren de relatief schone en geventileerde klaslokalen te prefereren.

Uiteindelijk hakte elke gemeente de knoop zelf door. ‘En het is zeker goed, den wethouder van onderwijs, die nog tijdig de scholen sloot te danken, dat hij onze stad bewaarde voor kwaadaardigen vorm dien de ziekte te Amsterdam aangenomen heeft, waar het sterftecijfer ontstellend is, nadat men veel te laat tot schoolsluiting is overgegaan’, luidde het stekelige commentaar op Amsterdam van het Rotterdamsch Nieuwsblad op 1 november. Achteraf zou overigens blijken dat schoolsluitingen op de sterftecijfers geen invloed hadden.

Pseudo-oplossingen

‘Neem toch vooral het stof in Uw vertrekken niet droog op’, adviseerden kranten goedbedoelend, of ‘De sterkste rookers komen er meestal het best vanaf.’ Vooral onder militairen en studenten gold sterkedrank als een ­probaat middel. Kwakzalvers adverteerden met zaken als het ‘Electro-homeopatische middel’ van de niet-bestaande Italiaanse graaf Mattei. Het product bestond uit drie flesjes: één met ‘scrofulosis’ en de twee andere met ‘blauwe en rode elektriciteit’. Scrofulosis bleek een mix van suiker en bloem, de rode en blauwe elektriciteit was water in gekleurde flesjes.

Zelfs artsen schreven in hun wanhoop middelen voor waarvan ze in hun hart wisten dat ze niet hielpen, maar waarvan ze tegen beter weten in hoopten dat het toch iets uithaalde. Zo probeerden ze ‘sublimaatinjecties’ (onderhuids ingespoten kwikop­lossingen) of ‘berookingen met salpeterig zuur, eucalyptusolie en suikerbieten’. Patiënten werden hierdoor nog zieker, al werd dat natuurlijk ook aan de griep toegeschreven.

Even snel als ze was gekomen, verdween de griep ook weer. In 1920 flakkerde er nog een laatste fase op, maar die was lang niet meer zo dodelijk. De immuniteit nam toe, het virus muteerde en de virulentie nam af.

De waarschijnlijkste reden voor de snelle uitdoving van de Spaanse griep is meteen ook de meest morbide: een virus krijgt alleen in een niet immuun levend organisme poot aan de grond. Tijdens grote sterfte gaat het virus zelf ook dood en dat gebeurde in 1918 in ijzingwekkende vaart. 

De griep die helemaal niet uit Spanje kwam

Spaanse kranten besteedden als eerste aandacht aan het dodelijke virus. De strijdende partijen in de Eerste Wereldoorlog hanteerden een strenge perscensuur, om het oorlogspessimisme van de al vier jaar in rouw gedompelde bevolking niet nog verder op te drijven. In het neutrale Nederland bracht men het nieuws wel, zoals in De Telegraaf van 30 mei 1918: ‘Den 28sten Mei bereikte ons uit Spanje het bericht dat daar eene geheimzinnige ziekte was uitgebroken, die in alle kringen zijn intrede deed, zoodat ook koning Alfonso XIII en verschillende ministers door de kwaal werden aangegrepen.’

De koning herstelde volledig, maar naar verluidt wel pas na het drinken van een fles rum. De eerste fase was dus nog redelijk onschuldig, zoals ook blijkt uit het luchtige commentaar van de Antwerpsche Courant van 10 juli 1918: ‘Zonneschijn is hier geneesheer, en droogte ziekenzuster. Dus, de voeten droog houden, en in het Nachtegalenpark gaan liggen, het gelaat naar de zon!’.

Het Zwitserse ministerie van Gezondheid muntte rond diezelfde tijd de naam Spanische Krankheit en vanaf dat moment sprak de hele wereld van de Spaanse Griep of Spaansche Ziekte. Dit tot afschuw van Spanje, dat Frankrijk als broeihaard aanwees. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden