PlusExclusief

Arnon Grunberg reist door Oekraïne: ‘Deze oorlog heeft ons verenigd’

Schrijver Arnon Grunberg keert na jaren terug naar Oekraïne om te zien wat de oorlog met Rusland heeft veranderd. Een route per auto en trein langs zijn Oekraïense voorouders, de geboorteplaats van Joseph Roth en de duurste opera die Odessa ooit heeft gezien.

Arnon Grunberg
null Beeld Ted Struwer
Beeld Ted Struwer

“Ik heb maar één been, daarom mag ik naar Polen,” zegt Ihor, en hij slaat met zijn linkerhand op zijn linkerbeen.

Oekraïense mannen tussen de 18 en de 60 mogen sinds het begin van de oorlog het land niet verlaten, tenzij ze drie kinderen hebben of gehandicapt zijn. Soms is een aanzienlijke kinderschare lonend.

Ihor is mijn chauffeur, hij rijdt me deze maandagmiddag van Krakow naar zijn stad, Lviv. Glimlachen heeft Ihor tot nu toe niet gedaan, maar dat zegt niets, er zijn meer mensen die niet van de glimlach houden.

Rondom ons heuvels, bomen, vrijwel geen dorpen, nazomerse zon. Hoe dichter we bij de grens komen, hoe rustiger het wordt. “Er is niets van je been te zien,” zeg ik. “En het rijden gaat uitstekend.” Dat is gedeeltelijk waar, maar de bijrijder moet de chauffeur ook een beetje opbeuren.

Als we de grensovergang bij het Oekraïense Krakovets bereiken is de rij voor personenauto’s vele malen korter dan de rij voor vrachtwagens. “Soms sta je hier uren,” zegt Ihor. Hij stapt uit, loopt om de auto heen en begint gretig te roken. Hij kent het ritueel. Zo’n zes tot acht keer per maand reist hij naar Krakow om mensen zoals ik op te halen. Mensen die zich door oorlog niet volledig laten afschrikken of er zelfs op afkomen als de vlindervanger op een zeldzame vlinder.

“Hoe is het gebeurd?” vraag ik als Ihor weer naast me is komen zitten.

Onbemande checkpoints

“Tien jaar geleden,” zegt hij, “op 1 januari. Ik haastte me om naar mijn werk te gaan en viel van het perron. Net onder de knie moesten ze amputeren.” Hij maakt een hakbeweging met zijn hand. “Ik ben toen naar Kiev gegaan om te studeren, ik werd advocaat. Nu met de oorlog ben ik verantwoordelijk voor de gehandicapten in de regio Lviv.”

Het wachten duurt een uur. De Oekraïense grenswacht is nauwelijks in ons en onze paspoorten geïnteresseerd, de kofferruimte onderwerpt hij aan een inspectie, die niets oplevert. Dan passeren we de grens, waarna de gerieflijke Europese snelweg in een landweg veranderd blijkt te zijn.

“Wat deed je eigenlijk voor je ongeluk?” vraag ik

Een foute vraag. Het antwoord luidt: “Nee.” Nu we in Oekraïne zijn heeft het verlangen naar een gesprek Ihor kennelijk alweer verlaten. Ik vermoed dat hij die eerste januari van het perron viel omdat hij te veel gedronken had. Wie was hij toen hij nog twee echte benen had? Een ander, zoveel is zeker. En nu hebben oorlog en prothese hem in staat gesteld iets bij te verdienen.

Onderweg zien we hier en daar wat onbemande checkpoints met zandzakken. Ze hebben iets museaals, in deze streek lijkt de oorlog al verleden tijd. Het enige bemande checkpoint dat we zien wordt bewaakt door een soort suppoost, een oudere, ja bijna bejaarde soldaat staat er met een geweer dat gedateerd aandoet. Niemand neemt de moeite vaart te minderen om de bejaarde soldaat tenminste de illusie te geven dat hij er niet voor niets staat, deze eenzame verdediger van de westelijke voorstad van Lviv.

Fascinatie met oorlog

In 2009 was ik voor het laatst in Lviv, er lijkt weinig veranderd. Van vernielingen is geen sprake, en de vervallen gebouwen die er al stonden zijn niet gerestaureerd.

Ik ben teruggekeerd, omdat ik de dingen graag met eigen ogen zie. Daarin verschilt de schrijver niet van de journalist, hij hanteert alleen een ruimere of andere definitie van het woord ‘nieuws’. Misschien deel ik mijn fascinatie met oorlog vaker met journalisten dan met schrijvers.

Ik ben ook teruggekeerd vanwege de geschiedenis. In het stadje Brody, zo’n honderd kilometer ten oosten van Lviv, werd in 1894 de ook door mij geliefde schrijver Joseph Roth geboren. In 2009 kwam ik in Brody langs een volledig verwaarloosde Joodse begraafplaats waar wat geiten en lammeren naast de graven graasden. Daar, besloot ik, wil ik worden begraven. En dat wil ik nog steeds. Als levende heb ik weinig fiducie in welke vorm van nationalisme ook, als lijk ligt dat anders, als lijk wil ik graag terugkeren naar de regio van mijn voorouders.

Mijn grootmoeder, de moeder van mijn vader, werd in 1879 in het dorpje Brakhivka, nabij Lviv, toen Lemberg genoemd, geboren. Volgens een volkstelling uit 2001 wonen er zo’n 236 mensen. Mijn grootmoeder heette Menie Parnes Goldberg, maar ze werd ook Maria Tarnas genoemd, en ze werd in 1943 in Sobibor vergast.

Mijn grootvader werd in 1871 in Krytynopol geboren, wat nu Tsjervonohrad heet en zo’n zestig kilometer ten noorden van Lviv ligt. Tsjervonohrad is een mijnwerkersstadje geworden waar ruim 65.000 mensen wonen. Eind negentiende eeuw was een kleine 80 procent van de inwoners Joods. In 1939 was dat percentage geslonken tot 67 procent, omdat de graanhandel niet meer goed liep en de stad regelmatig door kozakken werd aangevallen. Nu wonen er, volgens de volkstelling van 2001, nog elf Joden in Tsjervonohrad. In 2014 bezocht ik de laatste Jood in Kaboel, over een paar jaar ga ik de laatste Jood in Tsjervonohrad bezoeken. Mijn grootvader heette Aron Grünberg Merwitzer en stierf in 1922 in Berlijn. Een foto van deze grootvader heeft lang in het huis van mijn moeder gestaan, niet in de eerste plaats omdat hij familie was, maar omdat zij vond dat ik op hem leek.

Schuilkelder

Ihor zet me af bij het Bank Hotel in het centrum van Lviv. Pas bij het uitstappen valt me de gehandicaptensticker op de voorruit op. Het Bank Hotel heeft nog een portier, gasten zijn er nauwelijks. Op de bovenste verdieping eet ik in een leeg maar goed geoutilleerd restaurant; tientallen flessen wijn worden er achter glas gekoeld.

Als ik klaar ben met eten zie ik twee Oekraïense dames van midden twintig een tafeltje kiezen aan het raam. Ze zijn gekomen om alleen iets te drinken, de een heeft een klein hondje op haar schoot. Dit is het eerste huisdier dat ik op mijn reis met aandacht bekijk. Het huisdier zal als een rode draad door deze reis door Oekraïne lopen. Vermoedelijk heeft de Oekraïner bovengemiddeld veel vertrouwen in het huisdier en misschien geldt dat ook voor de westerling. Door de mensheid en God kan hij zich met recht verraden voelen, maar het huisdier heeft hem zelden tot nooit in de steek gelaten en anders dan God is het huisdier werkelijk knuffelbaar.

Vroeg in de ochtend gaat het luchtalarm, ik stond net op het punt te gaan douchen. Een wat mechanische stem schalt door mijn hotelkamer en zegt in het Engels en het Oekraïens dat we ons naar de schuilkelder moeten begeven. Ik trek haastig iets aan, ga naar beneden en vraag aan de receptioniste waar de schuilkelder is. Zelf lijkt ze niet van plan erheen te gaan, maar misschien hanteert ze het heldhaftige adagium: gasten eerst, personeel later.

De schuilkelder blijkt eerst en vooral een cocktailbar die zich in de kelder van het hotel bevindt. Gisteren onder het afruimen had de ober verteld dat de jongedames in het hotel een feest zouden organiseren. Oorlog, geen oorlog, de feesten gaan door. Ik ben de enige in de verduisterde cocktailbar en neem plaats op een barkruk. Na tien minuten verschijnen er twee jonge Polen die wat om zich heen kijken en dan weer weggaan. Volgens een app op mijn telefoon – met die app kun je per stad en regio in Oekraïne zien of het luchtalarm nog van kracht is – mag ik de cocktailbar niet verlaten, maar ik besluit het douchen niet langer uit te stellen.

Later die ochtend vertelt mijn fixer Oleh: “Wij trekken ons niets meer van het luchtalarm aan.”

Sommelier

Een fixer is een gids in oorlogs- en crisistijd. Voor de oorlog was Oleh manager bij een fastfoodbedrijf. Toen de oorlog begon stond hij zoals veel Oekraïners in de rij om een wapenvergunning aan te vragen. In Nederland zouden de rijen vermoedelijk korter zijn, maar in Oekraïne, vooral in het oosten, is het vertrouwen in de overheid laag zodat men sneller geneigd is om te denken: we doen het zelf. Journalisten die hem interviewden over zijn voornemen een wapen aan te schaffen vonden hem zo goed dat ze vroegen of hij niet ook fixer wilde worden. Zo werd hij fixer.

Onze chauffeur heet Zakhar, hij was voor de oorlog barkeeper. Zijn ouders hadden liever gehad dat hij sommelier werd, maar hij zegt, “Ik wilde het spul doorslikken niet uitspugen.”

Zakhar droomde er ooit van in het buitenland te werken, met een Oekraïens paspoort is dat niet makkelijk. De oorlog heeft voor een deel van de bevolking – de vrouwen, de kinderen, de bejaarden, de gehandicapte mannen – het reizen makkelijker gemaakt. De zogenoemde weerbare mannen zijn meer dan ooit gevangenen in eigen land.

Dagboek met rode pen

In het café Alternatyvna Kava, oftewel Alternatieve Koffie, waar de barista een imposante baard draagt en om de nek een minstens zo imposant kruis, ontmoet ik Yulia, ze is eind twintig en heeft haar dagboeken meegebracht. Ze hield altijd al dagboeken bij, maar op 24 februari verwisselde ze haar blauwe pen voor een rode. Ze begint met praten en houdt niet meer op.

“Ik ben geboren in Marioepol, niet lang na de onafhankelijkheid van Oekraïne, maar ik heb de Sovjetmens nog meegemaakt en de Sovjetmens is niet verdwenen. Het zal nog één of twee generaties duren voor die echt verdwijnt. De Sovjetmens is een mens met een uitgewiste identiteit. Van 2015 tot 2020 heb ik in Lviv gewoond, ik heb hier Frans en Engels gestudeerd, ik had de hoop dat Oekraïne Europeser werd. En hier in Lviv zag het daar ook naar uit. Vanwege de pandemie ben ik in 2020 teruggegaan naar mijn ouders in Marioepol. Ik woonde daar met hen en mijn lieve hondje. Hij heet Lord maar ik noem hem Lordyk. Ook ons flatgebouw werd beschoten. Als je beschoten wordt ga je anders naar meubilair kijken. Je denkt, hoe gaat dit meubilair ons beschermen? Vanaf 2 maart was er niets meer, geen water, geen elektriciteit, geen gas. Nieuws dus ook niet. Hygiëne werd een probleem. Om de paar dagen ging mijn vader tussen de beschietingen door op de fiets naar buiten om water te halen. Ik mocht niet mee. Hij kwam steeds terug met ongeveer zes liter water. We sloten ons vaak op in de badkamer omdat we dachten dat het daar de veiligste plek was. Ik begon kiespijn te krijgen. ’s Avonds was het stil, de stilte vertrouwden we niet. Toen het echt niet meer ging zijn we verhuisd naar mijn grootmoeder in een andere buurt van Marioepol. En vandaar naar de buren van mijn grootmoeder. Op 11 april hebben de buren ons met de auto voorbij de Russische checkpoints gebracht en daarna zijn wij verdergegaan met het openbaar vervoer, de buren gingen terug naar Marioepol. De Russische soldaten spraken me aan, ze zeiden: “Ga met ons mee, wat moet je bij die Oekraïense fascisten?” Ze hebben mijn telefoon afgepakt. Ik herinner me hun gezichten nog. We waren met vier zielen: mijn ouders, ik en mijn hond Lordyk. Mijn grootmoeder is later naar Lviv gekomen. Als ik je de stad moet laten zien moet je dat zeggen. Vooral ’s ochtends heb ik veel tijd.”

Verrader

Bortyatyn ligt een klein uurtje rijden ten westen van Lviv en is enkel langs onverharde wegen te bereiken. Ik ben hier gekomen vanwege de gloednieuwe barakken, een vluchtelingenkamp dat hier in juli werd geplaatst met steun van een Nieuw-Zeelandse NGO. Er is plek voor veertig mensen, nu zijn er dertien. Vrouwen en kinderen. Geen mannen, mannen vluchten niet. Oxana, die mij rondleidt, houdt toezicht over enkele van zulke kampen. Van binnen doen de barakken denken aan een jeugdherberg: stapelbedden, en vrijwel niets wat kan worden afgebroken, anderszins vernield of meegenomen. Omdat kasten grotendeels ontbreken hebben de vrouwen hun koffers niet uitgepakt.

Een oudere vrouw zit op haar bed en staart voor zich uit. “Dit is grootmoedertje Nina,” zegt Oxana. “Nina, deze meneer komt uit Nederland en wil weten waarom je hier bent.”

Nina staat op.

“Ik kom uit de regio Donetsk,” zegt ze. Ze vertelt dat er op de eerste etage van haar huis een kleine raket gevallen is, waarna ze haar tas heeft gepakt en de sleutels aan de buren heeft gegeven. “Ik hoop op een dag terug te kunnen, maar het zal wel na de winter worden.”

“Wat deed u vroeger?” vraag ik.

“Ik was kwaliteitsmanager in een fabriek, dat heb ik mijn leven lang gedaan. Mijn leven was best goed tot de dag dat mijn man stierf. In januari ben ik zeventig geworden. Mijn stad heeft Bakhmut. Er zijn altijd dingen die ik anders had willen doen. Maar nu is het te laat.”

“Hebt u klachten?” vraag ik, want de schrijver is ook ombudsman. “Hoe is het eten?”

“Ik heb geen klachten, het eten is zo lekker dat ik flink ben aangekomen.”

Ze laat haar buikje zien.

Ik wil een foto maken, maar dat wil ze niet. “Nee, nee,” zegt ze. “Die tijd is voorbij.”

Als we teruglopen naar de auto zegt Oleh dat sommige vluchtelingen niet op de foto willen uit angst dat dorpsgenoten hen als verrader zien. Hij voegt eraan toe: “Deze vluchtelingen hier behoren tot de onderste klasse, zij hebben niets, geen geld en geen connecties, anders beland je hier niet.”

Oostenrijks-Hongaarse Rijk

Bij een benzinestation stoppen we en eten we een hotdog. “De hotdogs zijn goed in dit land,” zegt Oleh.

Zakhar staat buiten bij de auto te roken. “Sinds de oorlog rook ik twee pakjes per dag.”

“Dat is een goede reden,” zeg ik.

“Het is geen reden,” antwoordt hij, “het is een excuus.”

Voor ik de nachttrein naar Odessa neem dineer ik met Oleh en Zakhar in een Aziatisch restaurant. De grootmoeder van Oleh die uit de buurt van Lviv komt, heeft de geschiedenis nog meegemaakt: hij vertelt dat volgens haar het Oostenrijks-Hongaarse Rijk eigenlijk prima was. Daarna kwamen de Polen. “Vreselijk, wat een ellende,” zo vat hij met dank aan zijn grootmoeder de Poolse overheersing samen.

Na de Polen de nazi’s. “Die waren eigenlijk beschaafd, vertelde mijn grootmoeder,” zegt Oleh. “Het waren natuurlijk nazi’s, maar ze hielden zich aan hun woord. Bijvoorbeeld in het dorp waar mijn grootmoeder woonde was een belangrijk onderdeel van de legerauto kwijt. De nazi’s namen honderd gijzelaars en zeiden: als dat onderdeel er niet voor vijf uur is schieten we iedere tweede gijzelaar dood. Het onderdeel kwam boven water en ze hebben niemand doodgeschoten. Zo waren de nazi’s.”

En vanaf 1945 de Russen tot Gorbatsjov. “Echte beesten. Kijk als je je zoon of je man verliest in deze oorlog kun je niet zeggen dat deze oorlog goed was. Maar deze oorlog heeft ons verenigd,” zegt Oleh. “We zijn Oekraïners geworden.”

Honderd kleine staatjes

“Ik hoop dat Rusland uiteenvalt in honderd kleine staatjes, zodat ze niemand meer kwaad kunnen doen,” zegt Zakhar. “Ze geven iedereen de schuld van hun eigen ellende behalve zichzelf.”

Ik vraag hem nog of hij denkt dat het leger hem zal oproepen om te dienen. Hij haat de Russen, zegt Zakhar, bij wijze van antwoord, maar hij wil niet sneuvelen aan het front.

De nachttrein van Lviv naar Odessa vertrekt om 22.20 uur en komt om 9.51 uur aan in Odessa. Ik heb voor ruim veertig euro een kaartje voor een coupé met bed gekocht, inclusief drie drankjes. Er zou iemand bij kunnen maar het tweede bed blijft onbeslapen. Een oudere conductrice brengt me na vertrek een kopje thee.

De afstand tussen mij en mijn toekomstig graf groeit weer, maar in Odessa ben ik dichter bij Isaak Babel. Niemand heeft beter over oorlog geschreven dan hij, zijn verhalencollectie De Rode Ruiterij uit 1920 over de Pools-Russische oorlog wijst mij nog altijd de weg. “De geur van gedode paarden en gisteren vergoten bloed druppelt de avondlijke koelte in,” noteerde hij.

Ik open het rolluik maar de conductrice, die mij thee komt bijschenken, doet het meteen weer dicht. Om het zekere voor het onzekere te nemen reizen we verduisterd door de nacht.

Zionisten

“Als Dostojevski naar Odessa was gegaan had er meer humor in zijn boeken gezeten,” zegt Katherine Ergeeva, ze is conservator bij het literatuurmuseum dat nu gesloten is, maar ze is bereid me een rondleiding door de stad te geven.

We staan voor het monument van Isaak Babel dat in 2013 is onthuld, pal naast het monument is een centrum voor vluchtelingen opgericht, een witte tent met wat speelgoed. Het is niet bijzonder druk in de tent en voor Katherine lijkt die tent net zo vanzelfsprekend te zijn als het monument.

“Babel schreef over de arme wijk Moldovanka,” zegt ze, “daar kwam hij vandaan, daar ging zijn hart naar uit, hoewel hij later in het centrum is gaan wonen. Je kunt je amper voorstellen hoe kosmopolitisch en liberaal Odessa was. Je had hier moslims, Joden, katholieken, orthodoxen, Bulgaren, Grieken, Turken, Russen, Oekraïners, alles leefde hier door elkaar. Je had zeventig synagogen, voor de Tweede Wereldoorlog was nog altijd een derde van de bevolking Joods. Maar in 1905, na de eerste mislukte Russische revolutie, na de opstand op het slagschip Potjomkin hier voor de kust, die bloedig werd neergeslagen, had je een grote pogrom in Odessa. Daarna werd alles anders. Het nationalisme begon. Het zionisme kwam op, het Russisch nationalisme, het Oekraïens nationalisme. Toen de grote Russische dichter Poesjkin hier in 1823 aankwam schreef hij, ‘ik heb Moskou verlaten en ben in Europa aangekomen’. Na 1905 is dat gevoel verloren gegaan.”

Het liberalisme had weer eens het illiberalisme gebaard.

“Het vertrouwen was ondermijnd,” zegt Katherine. “Iedere bevolkingsgroep dacht, we hebben alleen elkaar. Sommige Joden concludeerden, hier is geen toekomst voor ons. De staat Israël is geboren in Odessa, de belangrijke zionisten zoals Vladimir Jabotinsky en Leon Pinsker kwamen uit Odessa.”

Trillende handen

In café Atelier in Odessa staan allemaal oude naaimachines wat doet vermoeden dat dit ooit een naaiatelier is geweest. Nu is het een plek waar de intelligentsia van Odessa samenkomt en er gesprekjes voert met buitenlandse journalisten die vanuit Odessa naar het front hopen te gaan, richting Cherson dus, twee uurtjes rijden als het meezit bij de checkpoints.

Vlad zit op het terras en rookt met ietwat trillende handen. Hij is midden veertig, lang was hij journalist, maar een paar jaar geleden begon hij een winkel voor huisdieren. “Vooral voedsel voor huisdieren,” zegt Vlad. “De winkel liep goed, maar toen kwam de oorlog. De mensen verlieten Odessa met hun huisdieren omdat ze dachten dat we onder de voet zouden worden gelopen.”

“Had jij als voormalig journalist de oorlog zien aankomen?” vraag ik.

“Dat het oorlog zou worden had ik verwacht,” zegt Vlad, “maar niet zo’n oorlog. Niet de grote oorlog.”

In het prachtige operahuis van Odessa wordt gerepeteerd voor de duurste opera in de geschiedenis van Oekraïne, Kateryna, gebaseerd op het gelijknamige gedicht van de beroemdste Oekraïense dichter Taras Shevchenko, de muziek is geschreven door de componist Olexander Rodin die uit Kiev komt. Het verhaal is simpel en naar huidige maatstaven wat sentimenteel. Een Oekraïens meisje raakt zwanger van een Russische soldaat. De ouders van het meisje moeten niets van die zwangerschap hebben en het meisje gaat naar de bossen waar ze verandert in een zeemeermin.

Ik spreek in de kantine van de opera met de regisseuse Oksana Taranenko, ze maakt, zoals het een regisseuse allicht betaamt, een wat strenge indruk

“Het ministerie van Defensie heeft bevolen dat theaters alleen producties mogen brengen als het publiek snel de schuilkelder in kan in het geval het luchtalarm gaat,” zegt Oksana, “dus we verkopen niet zoveel kaarten als we zouden willen, want er zijn meer stoelen dan plekken in de schuilkelder.”

De Russische laars

Is er verschil tussen opera in vredestijd en opera in oorlogstijd?

“De oorlog is niet nu begonnen, dat om te beginnen. De oorlog begon in 2014.” Maar uit haar antwoord maak ik op dat de oorlog voor haar in 2014 slechts een nieuwe dimensie kreeg. “Als student ging ik naar Moskou, waar ik een fobie ontwikkelde voor Rusland. Ik las dat Rusland, of de Sovjet-Unie, consequent geprobeerd had de Oekraïense intelligentsia te vernietigen en de Oekraïense identiteit voor te stellen als iets minderwaardigs, iets boers, iets heidens. De Russische laars probeert ons fijn te stampen en al heel lang. Vergeef me als ik nu mystiek klink. Het emotionele en het intellectuele gaan bij ons samen. De Rus, als ik mag veralgemeniseren, meende heel lang intellectueel en militair superieur te zijn en in bepaalde opzichten was hij dat ook, maar het emotionele en het intellectuele zijn in de Russische cultuur gescheiden.”

“Hoe regisseert u?” vraag ik, “hoe geeft u leiding aan zo’n grote productie?”

‘Ik ben geen despoot, maar eigenlijk is Oekraïne altijd al een matriarchaat geweest. De kozakken kwamen thuis en dan zeiden hun vrouwen, ‘fijn dat je terug bent van het slagveld, maar dit hier is mijn slagveld’.

Mijn tijd in Odessa eindigt met een ontmoeting met Alexander Pavlovsky in café Atelier. “Ik heb met McDonalds gewerkt in Moskou, ik ben overal geweest, maar in de reclamewereld brand je snel op. Daarom ben ik teruggegaan naar Oekraïne, heb een stuk grond gekocht en ben boer geworden. Met de oorlog heb ik me aangemeld als vrijwilliger. Maar ze wilden me niet hebben. Toch mag ik het land niet verlaten. Mijn vrouw wel. Is dat grondwettelijk? Ik vertrouw het leger, maar de overheid vertrouw ik niet. Zelenski ontwikkelt meer en meer autoritaire trekken, de incompetente regering is bezig mijn land kapot te maken. Natuurlijk wil ik dat Oekraïne wint en Oekraïne zal winnen, ik ben niet gek, ik vrees dat we na de overwinning een kleptocratie zullen krijgen zoals in Rusland. Milder, maar toch een kleptocratie. De problemen houden niet op met de overwinning, die beginnen dan pas.”

Ik vraag of hij misschien toch het land wil verlaten.

Hij antwoordt: “Ik ben expat geweest, ik zie er niets in om vluchteling te worden.”

Hartstocht

Het is een in Odessa woonachtige Pool genaamd Piotrek die me die avond naar het vliegveld van Chisinau in Moldavië rijdt. Hij spreekt geen woord Engels, maar communiceert met graagte via Google Translate. In vredestijd geeft hij les in krav maga maar omdat de klandizie nu tegenvalt en hij als Pool het land uit mag, pendelt hij heen en weer tussen Chisinau en Odessa.

Bij een verlaten benzinestation in Moldavië, het is inmiddels middernacht, ligt een zwerfhond die een oog mist en blaft alsof blaffen de zin van het leven is. Kort daarop komen we op de snelweg een zwabberende fietser zonder verlichting tegen.

“In Moldavië zijn ze dronken, in Oekraïne zijn ze corrupt,” zegt Pjotr via Google Translate.

Hij kijkt tevreden, hij lijkt er goed mee te kunnen leven en ik dus ook.

“Hartstocht heerst over de wereld,” schreef Isaak Babel, hij wist dat hartstocht ook een razernij kan zijn. “De razernij van die man bevatte alles om te heersen,” noteerde hij over een gangster in Odessa.

Op de verlaten nachtelijke wegen van Moldavië begint Pjotr een Pools lied te zingen en ik denk aan de woorden van Alexander Pavlovsky. Dat de echte problemen pas na de overwinning zullen beginnen.

null Beeld Ted Struwer
Beeld Ted Struwer

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden