PlusAchtergrond

Amsterdam ontvangt Turkse slaven die ontsnapten aan de Franse galeien in 1690

Het is bekend dat Noord-Afrikaanse en Ottomaanse schepen vaak Europese slaven aan boord hadden. Maar andersom was dat ook het geval. Vier van hen werden, na hun ontsnapping, op 23 december 1690 gastvrij ontvangen in Amsterdam.

Mark Ponte

Galeislaven en zeelieden op een kade, ets en gravure van Cornelis de Wael uit 1647.  Beeld Cornelis de Wael / Rijksstudio
Galeislaven en zeelieden op een kade, ets en gravure van Cornelis de Wael uit 1647.Beeld Cornelis de Wael / Rijksstudio

Amsterdam was in de zeventiende eeuw een stad met inwoners uit alle windstreken, maar dat vier Turkse moslims op 23 december 1690 in het kantoor van notaris Dirk van der Groe verschenen was ook voor Amsterdamse begrippen bijzonder. Ibrahim, Alij, Saleh en Usein waren ex-slaven.

In het notariskantoor vlak bij de beurs legden zij een verklaring af, bijgestaan door de Armeniër Pieter Avet en Manuel de Sirach, die zowel Turks als Nederlands konden spreken. De klerk noteerde: ‘Ibrahim, Soon van Useijn, geboortich van Constantinopolen, achttien Jaaren slaaf geweest op de Franse galleijen; Alij, soon van Hassan, geboortig van Sinep, seven Jaaren Slaaf geweest op de Franse galleijen; Saleh, soon van Osman geboortigh van Larissa, twaalf jaaren Slaaf geweest op dezelfde Franse galleijen; mitsgaders Usein, soon van Hallil Janitzer, van Buda van geboorte, alle vier geboren onderdanen van den grooten Heer ende Mahumetanen van religie.’

Gevangen en als slaaf verkocht

Ibrahim, Alij en Saleh verklaarden dat zij op verschillende koopvaardijschepen tussen Constantinopel en Alexandrië hadden gewerkt, voordat zij, ieder op een ander moment, gevangen werden genomen door Franse piraten en als slaven verkocht aan Franse galeischepen. Of ook de vierde man, Usein, dit lot overkwam wordt uit de akten niet duidelijk.

Na jaren van slavernij zagen zij in de havenstad Rouen kans om te ontsnappen. Hoewel het niet letterlijk vermeld wordt deden ze dat waarschijnlijk door over te stappen op een Nederlands schip en zo, zoals ze verklaarden, ‘door godes genade, middel gevonden hebben [om] geluckig, doch arm ende van alles ontbloot in dese landen te geraken’.

Losgeldcommissies

De geschiedenis van slavernij en de slavenhandel is een actueel onderwerp, met veel aandacht voor slavernij in West-Indische koloniën als Suriname en Berbice, en sinds kort ook voor de Aziatische slavernij in de VOC-tijd. Met enige regelmaat worden we er op gewezen dat ook Europeanen tot slaaf gemaakt werden door Noord-Afrikaanse piraten als hun schepen gekaapt werden.

Dat kapen werd niet gezien als een verwerpelijke handeling, ook de Republiek schreef kaperbrieven uit. In de 17de en 18de eeuw overkwam het vele honderden zeelieden op onbewapende handelsschepen en vissers op haringbuizen. Het bereik van vooral de Noord-Afrikaanse kaperschepen was fenomenaal, zij waren regelmatig actief tot ver in het Kanaal. Overal in de Republiek werden in havensteden fondsen gesticht om tot slaaf gemaakte zeelieden vrij te kopen van de Duinkerker, Maltezer of ‘Barbarijse’ (Noord-Afrikaanse) zeerovers.

Met de Duinkerkers verliepen die onderhandelingen via bestaande handelscontacten, met ‘den Turck’ (Marokko, Algiers, Tunis) via ‘losgeldcommissies’. Die werden uitgestuurd door de Staten-Generaal, vaak toegevoegd aan diplomatieke delegaties inzake vredesverdragen en handelsovereenkomsten. In 1662 werd vlootvoogd Michiel de Ruyter in de onderhandelingen met de bei van Algiers betrokken als ‘onderhandelaar met-een-vuist’. Die vuist waren ‘negentien schepen van oorlog’ die op de rede van Algiers voor anker lagen. Dergelijke onderhandelingen duurden vaak jaren en het was niet ongewoon dat een vrijgekochte zeeman pas na tien jaar thuisvoer.

Galeikorps

Dat er ook door Europeanen in het Middellandse zeegebied op grote schaal gebruik werd gemaakt van galeislaven is veel minder bekend, maar het waren er veel: tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) tussen Frankrijk en de coalitie geleid door koning-stadhouder Willem III, bestond het Franse galeikorps uit ongeveer vijftig schepen met ruim 15.000 bemanningsleden, onder wie vele slaven. Italiaanse galeislaven zijn te zien op een prachtige serie prenten uit 1647 van de Antwerpse kunstenaar Cornelis de Wael. De Wael werkte tientallen jaren in de havenstad Genua, waar hij vaak tot slaaf gemaakte mannen zag. Dat het hier islamitische slaven betreft zie je aan het plukje haar op hun schedel. Tot slaaf gemaakte christenen werden geheel kaalgeschoren, moslims mochten een plukje haar behouden.

De vier moslims werden in de Republiek hartelijk ontvangen, zo vertellen ze. Ze werden ‘niet alleen gealimenteerd [gevoed] ende met clederen en reijsgeld versien,’ maar ze zouden ook ‘gratis gembarqueerd’ worden ‘omme na haar vaderland te keeren.’ Dat vaderland was het Ottomaanse rijk van sultan Suleiman II, al was een van de vier afkomstig uit een gebied dat daar inmiddels niet meer onder viel.

Diplomatiek doel

Usein, zoon van Hallil Janitzer kwam uit Boedapest in Hongarije, dat in 1686 net was veroverd door de Habsburgers. Saleh, de zoon van Osman, was afkomstig uit Larissa – nu de hoofdstad van de Griekse regio Thessalië, die tot 1881 Turks was. De andere twee kwamen uit plaatsen die nu nog in Turkije liggen. Constantinopel is nu Istanboel en Sinep is de havenstad Sinop, zo’n 500 kilometer naar het oosten aan de Zwarte Zee. De vier vormden een behoorlijk multicultureel gezelschap dus.

Hun verklaring was bedoeld om de goede daden van de Nederlanders vast te leggen, en dat diende waarschijnlijk vooral een diplomatiek doel. De mannen verklaren dat zij uit dank ‘God almachtich (zullen) bidden voor het welvaren van hare Hoog Mo’ (de Staten-Generaal). Ze zullen ook ‘goddelijcke hulpe imploreren’ (vragen) zodat ‘den Grooten Heer’ Suleiman II, en zijn ministers ‘... mogen bewoogen werden de Nederlandse slaaven soo gratieuselijck te tracteren als de [vier mannen] hier te lande wedervaren is.’

Of dit bericht indruk heeft gemaakt op Suleiman en zijn ministers, of het hen überhaupt ooit bereikt heeft, is niet bekend. Misschien kwam het terecht bij Jacobus Colyer, die toen namens de Staten-Generaal ambassadeur was in Constantinopel. Hij zette zich wel vaker in voor het bevrijden van slaafgemaakte Amsterdammers.

Mark Ponte is historicus en werkt bij het Stadsarchief Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden