Plus Voorpublicatie

Zinderend spel, geen titels: de Ajaxjaren van trainer Johan Cruijff

Cruijff doceert tijdens een persconferentie, 1987. Beeld Rob Bogaerts/Nationaal Archief/CC0

Historicus en sportschrijver Auke Kok (1956) boorde nieuwe bronnen aan om een zo volledig mogelijke biografie van Johan Cruijff te maken. Lees hier vast een voorpublicatie uit het resultaat, dat donderdag verschijnt. 

Op zondagmiddag 6 oktober 1985 liet Cruijff zien dat al zijn verhalen over ‘het voetbal van de toekomst’ gemeend waren. Dat hij, al was hij dan een ‘prestatiemannetje’, verder keek dan het resultaat van vandaag. Ajax had in het Olympisch Stadion met 2-1 verloren van aartsrivaal Feyenoord, maar als je hem zo zag zou je eerder denken dat zijn team had gewonnen. Een televisie-interviewer somde zijn prestaties als beginnend coach nog even op: thuis verloren van PSV, uitgeschakeld door FC Porto in de Europa Cup, verloren van FC Groningen en nu van Feyenoord. Tussendoor had Ajax er tegen enkele kleinere clubs flink op los gescoord, maar de vraag was nu of Cruijff al een beetje aan zichzelf was gaan twijfelen. Zijn team stond na negen competitiewedstrijden al vijf punten achter op koplopers PSV en Feyenoord (maar had wel een wedstrijd minder gespeeld).

Het woord ‘twijfelen’ ketste af op het bleke gezicht van de trainer; zijn ogen bleven de interviewer strak aankijken. Nee, twijfels kende hij niet, antwoordde hij zelfverzekerd, al was de kritiek van sommige deskundigen hem uiteraard bekend. Onder andere ‘bondscoördinator’ Michels had zijn aanvallende tactiek ‘zelfmoord’ genoemd. De 38-jarige trainer wees de journalist op de fouten die zijn spelers in augustus nog hadden gemaakt tegen PSV en die vandaag in de wedstrijd tegen Feyenoord achterwege waren gebleven. Dat was winst. De jongens waren erop vooruitgegaan en Ajax had deze middag goed gespeeld. Alleen waren de kansen niet benut. Duidelijk?

‘Zo, zo,’ ging de interviewer verder, ‘een tevreden coach die verliest.’

‘Ik zal wel weer een eenling zijn,’ sprak Cruijff, ‘maar dat ben ik zo vaak geweest.’ Hij leek daarbij te grinniken.

‘Is er al kritiek binnen de club?’

‘Ik ga op deze manier door en als ze niet tevreden zijn, dan hoor ik dat wel.’ Het magisch zelfbeeld werkte als een schild. Niemand kon hem raken.

Riskant en opwindend

‘Als Johan iets vond, dan was er niets wat hem afremde,’ zegt John van ’t Schip, de toenmalige rechtsbuiten die een warme band met Cruijff onderhield. ‘Na een tijdje ben ik met een paar andere spelers naar hem toegegaan. We snapten almaar niet wat hij nou bedoelde. Je gaat te hard, zeiden we, laten we een stapje terug doen. Daar wilde hij niets van weten. We gaan door, zei hij. Na een tijdje zullen jullie het wel zien.’

Het team moest leren als een trekharmonica in- en uit te klappen naar gelang het spelbeeld. Dat kon alleen als de spelers continu met elkaar in verbinding stonden en elkaar corrigeerden. Tijdens trainingspartijtjes ging Cruijff soms expres op een onhandige plek staan – en legde het spel dood als niemand in zijn team hem daarop wees. De spits moest de ‘eerste verdediger’ zijn en de keeper de ‘eerste aanvaller’. Dan was je immers ‘baas in eigen huis’ en kon je de tegenstander je wil opleggen. Keeper Stanley Menzo moest ver voor zijn doel kunnen ‘meevoetballen’, ondanks de tegengoals die dat kon opleveren; laatste man Ronald Koeman, tot voor kort middenvelder, moest vóór in plaats van achter zijn medeverdedigers lopen, ook al leidde dat soms tot fatale misverstanden. Door het opschuiven van Koeman speelde Ajax vaak met slechts drie verdedigers – riskant en opwindend. ‘In feite draaide alles erom dat je de bal met de juiste snelheid naar de juiste voet van de juiste medespeler trapte,’ weet verdediger Sonny Silooy nog. ‘Achter iedere pass moest een bedoeling zitten.’

Het leek een beetje te veel gevraagd en soms was dat ook zo. ‘Johan weet alles beter, ziet alles beter, kan alles beter,’ vertrouwde Van Basten in september 1986 aan het weekblad Haagse Post toe. ‘Hij weet alles van voetbal. Theoretisch klopt het allemaal wel en valt er weinig tegenin te brengen. Maar je hebt met de praktijk te maken. Die perfecte theorieën van hem moet je kunnen uitvoeren en dat is heel moeilijk.’ De eenentwintigjarige goalgetter verzuchtte dat Cruijff de spelers ‘suf lulde’.

‘Cruijff is gek geworden’

Kort daarna werd Van Basten op een pijnlijke manier gewisseld. In het onaanzienlijke stadion De Langeleegte van Veendam haalde Cruijff hem eruit. De bewierookte spits, de aanvoerder die het verlengstuk van de coach zou moeten zijn, die het goede voorbeeld zou moeten geven, toonde te weinig inzet, vond Cruijff. Dat was niet voor het eerst. ‘Ik praat al maanden,’ motiveerde de trainer zijn wissel, ‘soms te veel heb ik gelezen. Maar een keer houdt dat op.’ Van Basten kon twintig minuten voor tijd gaan douchen. Toen hij de kleedkamer in liep, zat Van ’t Schip daar al. De rechtsbuiten was tot zijn eigen verbazing in de rust gewisseld – enkele minuten nadat hij met een voorzet Rijkaard 0-1 had laten maken. ‘Ik begreep er niets van,’ zegt Van ’t Schip. ‘We speelden lekker. En Marco was helemáál woedend. “Cruijff is gek geworden,” zei hij. Wat is dit nu? Haalt-ie ons er allebei uit.” Later snapte ik het wel: het was Johans manier om ons scherp te krijgen.’

Cruijff was het eigenzinnig soort coach dat ontevreden kon zijn als het ‘lekker’ ging. Hij maakte alles ondergeschikt aan zijn idealen en dan maakte het niet uit dat zijn slachtoffers, zoals in dit geval Van ’t Schip en Van Basten, al jaren als goede vrienden bij hem over de vloer kwamen. (Hij gaf ze adviezen, hij stond ‘Schip’ onvermoeibaar bij toen die aan zijn hernia moest worden geopereerd.) Op het manische af ging het spel voor Cruijff boven de poppetjes. Dat merkte ook verdediger Sonny Silooy op 19 oktober 1986. Na een halfuur spelen stond Ajax thuis met 1-0 voor tegen VVV. De Limburgse club maakte geen schijn van kans, maar de Amsterdamse coach zag evengoed manieren om het Ajax-spel nog iets te verbeteren. Hij wisselde Silooy voor Peter Boeve. De linksback was verbijsterd. Vier dagen eerder had hij met Oranje nog een EK-kwalificatiewedstrijd gespeeld tegen Hongarije en nu was hij niet goed genoeg voor VVV? Ze stonden vóór! ‘Ik ben naar het ballenhok gelopen en heb daar alles kort en klein geslagen,’ weet Silooy nog. ‘Voor mijn gevoel sloeg de wissel nergens op, ik liep lekker te spelen.’

Na afloop van de 4-0 overwinning vroeg de verdediger Cruijff om opheldering. ‘Hij vertelde me doodkalm dat de opbouw met Boeve, die graag naar voren ging, beter zou verlopen omdat VVV aan die kant gaten liet vallen. Hij was zich totaal niet bewust van wat zo’n beslissing verder met mij deed.’

Doldraaien

De radicale aanpak van de technisch directeur leverde vaak meeslepend voetbal op, maar geen landstitels. Die gingen in deze periode steevast naar PSV. In Eindhoven was in die tijd een degelijke en ervaren ploeg bijeengekocht waarin steeds meer oud-Ajacieden (Lerby, Kieft, Vanenburg en Koeman) opdoken. Publiekslieveling en technicus Vanenburg was in 1986 door Cruijff min of meer als een circusartiest weggezet en daarna opgestapt. Koeman was tegelijk met hem vertrokken, uit onvrede over het nieuwe inkomensbeleid (Cruijff had er bij het bestuur op aangedrongen de spelerssalarissen te verlagen en de winstpremies te verhogen – loon naar prestatie – en daar had Koeman geen genoegen mee genomen).

De ongediplomeerde coach haalde spelers naar Amsterdam die niet bij Ajax leken te passen (Jan Wouters, Arnold Scholten) en toen hij het zonde vond om de spits John Bosman op de bank te houden, bedacht hij een systeem waarbij Bosman achter Van Basten als een ‘schaduwspits’ kon fungeren – een vondst die decennialang navolging zou krijgen bij Ajax en tal van andere clubs. Op 18 maart 1987 deed Cruijff een wel heel gedurfde zet. In de kwartfinale van de Europa Cup II, waar Ajax als winnaar van de nationale beker aan meedeed, liet hij de zeventienjarige vwo-scholier Dennis Bergkamp zijn Europese basisdebuut maken. Het leek een gok: Bergkamp was in de ogen van velen nog veel te schriel en te bescheiden voor het grote werk, hij speelde niet voor niets vaak in de A2. En de thuiswedstrijd tegen het robuuste Malmö FF, waarin een 1-0 nederlaag van de uitwedstrijd moest worden goedgemaakt, mocht zeker tot het grote werk worden gerekend.

Maar Cruijff zag dat anders: hij had Bergkamp al jaren gevolgd en hem in de jeugdelftallen opzettelijk op verschillende posities laten spelen om zijn weerbaarheid te vergroten. Aanvaller Dennis was een beetje zoals ‘Jopie’ vroeger, een mager ventje met spelinzicht, snelheid en techniek. Ideetje van Cruijff: de blonde scholier moest als rechtsbuiten de trage linksachter Torbjörn Persson voorbijrennen. Cruijff liet Bergkamp geloven dat Persson stokoud was en er niets meer van kon. Dennis moest de Zweed (in werkelijkheid net 27 jaar oud) ‘opzoeken’ en passeren. Dat mocht een paar keer mislukken, zei Cruijff, uiteindelijk zou Bergkamp hem doldraaien. Met die overtuiging liep de blonde vwo’er het veld op, deed wat van hem werd verwacht en bezorgde de arme Persson een onvergetelijke nachtmerrie in De Meer. De ochtend na de 3-1 overwinning repten de kranten van een ‘flitsende voorstelling’ van het nieuwe toptalent Dennis Bergkamp.

Gebonden, 640 p. | ISBN: 9789048855353 | € 26.99 | Hollands Diep | 15-11-2019. Beeld Overamstel Uitgevers
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden