Plus

Schaatsreserve in Peking: hoe ga je om met die ondankbare rol?

Mee naar Peking, dagelijks schaatsend tussen de olympiërs, maar in principe niet mogen rijden. Het is het lot van de reserves Dai Dai N’tab, Beau Snellink, Merel Conijn en Melissa Wijfje. Hun gevoelens zijn een wereld van verschil. Van ‘heel leuk’ tot ‘enorm lastig’.

Pim Bijl
Melissa Wijfje tijdens de training langebaan in de National Speed Skating Oval, een dag voor de officiële start van de Spelen. Beeld Vincent Jannink/ANP
Melissa Wijfje tijdens de training langebaan in de National Speed Skating Oval, een dag voor de officiële start van de Spelen.Beeld Vincent Jannink/ANP

Als Dai Dai N’tab een paar keer flink aanzet tijdens de training op donderdagmiddag, oogt hij fit, scherp en in goede vorm. De sprinter van Jumbo-Visma knikt even later bevestigend, zij het met een bedenkelijke blik. “Ik ben op dit moment niet minder dan Kai Verbij.”

Er is één belangrijk verschil. Zijn ploeggenoot komt deze Winterspelen in actie. N’tab vrijwel zeker niet. Hij is als reserve mee naar Peking. En doordat hij hier waarschijnlijk doelloos rondrijdt in de National Speed Skating Oval, strooit hij zout in zijn eigen wond. Ga er maar aanstaan. Vier jaar na de deceptie op het OKT liep het opnieuw mis met twee ritten waarin hij gehinderd werd. Tweede op de 500 meter, genoeg om bij de eerste negen in de matrix te staan, maar daarna door de selectiecommissie ‘geofferd’ voor Sven Kramer en Marcel Bosker. Nu is hij tóch aanwezig op de Winterspelen, maar daar kan hij weinig mee. “Nee, ik voel me geen olympiër. Ik zie hier allemaal sporters van wie hun droom uitkomt. Dat is lastig.”

Sprankje hoop is vervlogen

Hij zit bij het viertal dat de KNSB heeft meegenomen om in te springen bij een blessure of een eventuele coronabesmetting onder een van de 18 gekwalificeerden. N’tab is hier wel, maar hoort er niet helemaal bij. De reserves vlogen mee met de olympische vlucht, maar zitten niet bij de rest in het olympische dorp. Ze slapen in een apart hotel. Wie wil, vliegt dit weekeinde alweer terug naar Nederland.

Van het sprankje hoop dat N’tab en Merel Conijn ergens nog hadden op een olympisch debuut, was gisteren vrijwel niets meer over. Voor de individuele nummers mochten reserves bij de vrouwen uiterlijk gisteren en bij de mannen uiterlijk vandaag worden ingezet. Daarna moet de vervanger van een afgemelde rijder binnen de al bestaande equipe worden gezocht. Beau Snellink en Melissa Wijfje mogen nog iets langer hoop koesteren, als reserves voor de ploegenachtervolging op 15 februari.

Wijfje miste kwalificatie op tweehonderdste van een seconde. Dat doet nog altijd pijn. “Ergens is dit toernooi van dichtbij mogen meemaken heel speciaal. Ik zie mijn ploeggenoten Irene Schouten, Jorrit Bergsma en Marijke Groenewoud voorbereiden en hoop dat ik hen kan ondersteunen. Voor hen blijf ik ook zeker in Peking, omdat ik ze zelfs na de ploegenachtervolging nog wil zien op de massastart. Maar ik had natuurlijk zelf ook willen rijden. Nu móét ik er over vier jaar in Milaan bij zijn.”

‘Kijken is leerzaam’

Ook voor langeafstandssensatie Conijn scheelde plaatsing nagenoeg niets. Zij kijkt, pas 20 jaar, haar ogen uit. “O, leuk!” roept ze verrast als blijkt dat ook zij een interviewaanvraag heeft gekregen. Ze omschrijft haar aanwezigheid als reserve als ‘apart’, maar gaat er ogenschijnlijk allesbehalve onder gebukt: ze is een en al vrolijkheid. “Anderen zijn gespannen, meer gefocust. Ik heb meer vrijheid om alles wat ik hier zie volledig in me op te nemen. Ik heb geen echte zenuwen en probeer me hier zo goed mogelijk voor te bereiden op de WK allround in maart.”

Zij zal dit weekend in samenspraak met haar staf over de datum van de terugvlucht beslissen. Wat niemand haar na de trainingswedstrijd van woensdag meer afpakt: “Ik heb toch een van de eerste tijden op het olympische ijs neergezet.”

Snellink, ook 20, probeert net als Conijn indrukken op te doen. Goed te kijken naar Patrick Roest en Sven Kramer. “Ik kijk hoe zij zich gedragen. Ik vond hen de afgelopen week nog ontspannen, dat is goed, maar ik ben ook benieuwd naar de laatste training. Hoe ik hen dan zie. Ik kom pas net kijken en dit neem ik allemaal mee.’’

N’tab, 27, zit in een andere fase van zijn carrière. Hij had hier moeten toeleven naar de 500 meter. Chagrijn toont hij op het ijs niet. Hij zegt zijn ploeggenoten nog te helpen ook, waar mogelijk. “Ik zou een slechte sportman zijn als dat niet zo was.” Maar wat als er tot de deadline dit weekend geen sprinter uitvalt? Gaat hij dan naar huis? “Ja, meteen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden