PlusLongread

Rinus Israël, voetbaldier in ruste: ‘Ik had elke wedstrijd de zenuwen’

Rinus Israël, de Amsterdammer die zo goed aardde bij Feyenoord, gold ooit als de beste libero ter wereld. Nu slijt IJzeren Rinus (78) zijn dagen in fietsenzaak Dral in Landsmeer, waar ze maar een tafel voor hem hebben neergezet. ‘Zijn vrouw betaalt stallingsgeld om hem een paar uur niet thuis te hebben.’

De bril, die hem vroeger als voetballer zo karakteriseerde, is in de loop der jaren bescheidener geworden. “Met mijn ogen was weinig mis.”Beeld Jakob Van Vliet

Nee, natuurlijk stond ­Rinus er op de late avond van woensdag 6 mei 1970 niet bij stil dat hij de geschiedenis zou ingaan als de eerste Nederlander die de Europacup in handen kreeg. En wat de president van de Uefa, Gustav Wederkehr, voor de prijsuitreiking in Milaan op te merken had, ging volledig langs hem heen. “Godskolere, we hebben de Europacup gewonnen,” stamelde de Amsterdamse aanvoerder van Feyenoord maar een beetje voor zich uit. “Wij, de Europacup.”

Feyenoord had in de finale in San Siro favoriet Celtic verslagen en leverde een prestatie die in de nog kleine voetbalnatie Nederland voor onmogelijk werd gehouden. De Feyenoorders waren er zelf ook beduusd van. Israël: “Maar toen we in Milaan aan de aftrap stonden, geloofden we er wel in hoor. Dankzij de trainer barstten we van het zelfvertrouwen.”

Feyenoords trainer, Ernst Happel, was een man van weinig woorden, maar met veel overtuiging. ‘Kein geloel, Fussball spielen,’ was zijn adagium en hij slaagde erin Feyenoord met zijn zelfverzekerdheid en lef te injecteren. Vier maanden nadat hij de Europacup van zijn voetstuk had getild, kreeg Rinus Israël ook de wereldbeker in handen. Die werd hem aangereikt door koningin Juliana, nadat Feyenoord in de Kuip de slijtageslag met Estudiantes de la Plata had gewonnen.

Zelfspot en cynisme

De grote triomfen van vijftig jaar geleden hebben Rinus Israël tot een legende gemaakt, maar als je tegen hem zegt dat hij ooit als de beste ­libero ter wereld gold, begint hij te grinniken. Zelfgenoegzaamheid is hem vreemd en cynisme een van zijn hardnekkigste karaktertrekken. Israël (78) drijft de spot met alles en iedereen, niet in de laatste plaats met zichzelf.

Rinus Israël aan zijn vaste tafel bij fietsenzaak Dral in Landsmeer. “Jullie zijn hier maar wat blij met me.”Beeld Jakob Van Vliet

Op een niet al te opzichtig plekje, achterin de fietsenzaak van Dral in Landsmeer, zit de befaamde oud-voetballer vrijwel dagelijks gezellig cynisch te zijn, met monteur Frans en eigenaar Pieter Dral, gelijkgestemden aldus Israël die bij Dral zijn eigen tafeltje heeft, ‘de tafel van Rinus’, zo staat er ook op aangegeven.

Aan de muur hangen een paar frappante getuigen van het rijke Israël-verleden, zoals een foto van hem met bondscoach Frantisek Fadrhonc, Johan Cruijff en Theo Pahlplatz van FC Twente, begin jaren zeventig met Feyenoord en Ajax de nationale top-drie vormend. Fadrhonc maakte hem tot aanvoerder van de nationale ploeg en Rinus ging door het vuur voor de uit het communistische Tsjechoslowakije gevluchte ‘doctor’, ook al vond hij hem als trainer niet zo veel voorstellen.

“Maar wat is een goede trainer,” vraagt Israël zich schouderophalend af. “Zeg ’t maar. Cruijff, Pietje Keizer, Willem van Hanegem en ik vonden de doctor zo’n aardige man dat we voor hem een paar stappen harder liepen.” Dat deden de cracks van Ajax en Feyenoord in de uitwedstrijd tegen Griekenland, toen zij er lucht van kregen dat de KNVB van Fadrhonc af wilde. Het werd 0-5, dankzij een fonkelend Oranje.

Fadrhonc was een emotionele man die gepassioneerde motivatiespeeches hield waarin hij met tranen in de ogen uitweidde over zijn politieke vlucht naar het vrije Westen. Israël: “Wanneer de doctor zo tekeerging, moest ik met mijn bril niet te dicht vooraan gaan zitten, anders zaten mijn glazen onder het spuug.”

O ja, de bril van Israël, dat was me nogal een blikvanger met z’n uitgesproken montuur. Maar in het veld had hij dat enorme ding nooit op. Speelde Rinus met lenzen? “Nee hoor, met mijn ogen was weinig mis. Die bril had ik alleen maar nodig om mijn ogen rust te geven.”

Ze mochten dan weglopen met de lieve doctor Fadrhonc, na het bereiken van het WK 1974 stemden zij toch in met de aanstelling van Rinus Michels als supervisor boven de bondscoach. Michels was van het type Happel: geen woorden, maar harde daden. Goede voetballers kunnen best goed voetballen wanneer hun brave trainer niet veel meer doet dan vriendschappelijk een arm om hun schouder slaan, maar op cruciale momenten is een sturende hand van een bazige coach meestal onontbeerlijk. Happel bracht Feyenoord naar de Europese top, Michels het Nederlands elftal naar de WK-finale.

Geen onmensen

Israël: “Fadrhonc liet zich leiden door zijn emotie, maar Happel en Michels bleven stoïcijns. Zij waren niet uit hun evenwicht te krijgen en tactisch zo sterk dat ze een natuurlijk overwicht op hun spelers hadden. Maar het waren geen onmensen hoor.” Toen Israël in 1970 met Feyenoord onderhandelde over een nieuw contract, zocht Happel hem op in de sigarenzaak die hij runde in Rotterdam-Zuid. “Om me te vertellen hoe ik het aan moest pakken, wat ik kon gaan vragen.”

Zelf was Israël ook een harde, genadeloos als voetballer en daarna, toen hij als trainer een beetje handelde in de geest van Happel. Dat hij IJzeren Rinus werd genoemd, zegt genoeg, maar van ijzer was hij alleen op het voetbalveld. “Daar telde voor mij maar één ding: winnen. Of het nu om de Europacup-finale ging of een partijtje op de training: ik móest winnen.”

Buiten het voetbal was Israël een vriendelijke gozer, een liefhebbende echtgenoot en een zorgzame vader. En hij is de liefste opa ooit. “In het voetbal ging ik door roeien en ruiten en schuwde ik het geweld niet, maar in het gewone leven ben ik een ander iemand. Ik heb nog nooit gevochten, confrontaties ga ik uit de weg. Ik ben geen held. Zo nu en dan maak ik een cynische opmerking, maar ik beledig nooit iemand.”

De zaak van Dral Tweewielers in Landsmeer.Beeld Jakob Van Vliet

“Behalve hier dan,” klinkt het vanuit de werkplaats van Dral. “Maar jullie verdienen het ook,” reageert Israël.

Toen IJzeren Rinus nog een beetje heel was (dat wil zeggen: nog geen nieuwe knie en heup nodig had, en nog niet geopereerd hoefde te worden vanwege een beschadiging aan het ruggenmerg, een incomplete dwarslaesie), stapte hij geregeld op de racefiets voor een rondje Noordhollandsch Kanaal van een kilometer of 30. En als er aan de fiets iets mankeerde, ging hij naar Dral, tweewielerspecialist sinds 1907. Daar werd niet alleen het euvel verholpen, maar trof hij ook de humor die de zijne is. “Lekker dollen en elkaar een beetje afzeiken.”

Israël bleef er nog weleens hangen, steeds vaker en steeds langer. Ook toen hij het racefietsen eraan moest geven, bleef hij komen en inmiddels is hij er niet meer weg te denken. Pieter Dral: “We hebben ’m maar een eigen stoel en tafel gegeven. Zijn vrouw Greet is er blij mee. Ze betaalt stallingsgeld om hem een paar uurtjes per dag niet thuis te hoeven hebben.”

Israël: “Jullie zijn anders maar wat blij met me. Sinds ik hier zit, is de omzet…, nou wat Frans?”

Frans: “Verviervoudigd, geloof ik.”

In de bouw

Rinus Israël groeide op in de Volewijck van ­Amsterdam-Noord en voetbal was zijn lust en zijn leven. Hij had een aardig stel hersens, maar die gebruikte hij vooral om na te denken over het voetbalspel. Hij verliet vroegtijdig de mulo en ging net als zijn vader Andries in de bouw werken. Moeder Bep liep een krantenwijk, letterlijk, want ze ging te voet bij het bezorgen van Het Vrije Volk. De verre adressen deden Rinus en zijn twee zussen, op de fiets.

Het Vrije Volk paste bij de familie Israël, een socialistisch nest. Israël: “Ik heb nooit anders dan PvdA gestemd. Uit overtuiging. Welke? Solidariteit met de medemens. Ik volg de politiek, niet heel fanatiek, maar ik ben op de hoogte. Nee, ik verdiep me niet in de kandidaten als ik ga stemmen. Landelijke of lokale verkiezingen, de bovenste op de lijst krijgt een kruisje.”

4 april 1962: Israël (linksonder) met DWV voor de erewedstrijd tegen De Volewijckers. Derde van linksboven is Stanley Matthews.Beeld Harry Pot

Hoewel hij in de Ribesstraat woonde, op een verre inworp van het Mosveld van De Volewijckers, kwam Israël bij DWV terecht. Profclub De Volewijckers zag de middenvelder met zijn prachtige trap en krachtige kopwerk over het hoofd. Op zijn zeventiende speelde Rinus al in het eerste van DWV, maar dat was niet zo’n succes. Hij kwam kracht tekort en liet zich terugzetten naar de jeugd. Om sterker te worden ging hij naar de boksschool van Hein van der Zee, De Ring, in Noord. “Ik ging er alleen trainen, sparren weigerde ik. Ik liet me niet voor m’n kanis slaan.”

Aan de muur bij Dral hangt een elftalfoto van DWV van 4 april 1962 wanneer Door Wilskracht Verkregen het vanwege zijn 50-jarige bestaan mag opnemen tegen De Volewijckers, in het Olympisch Stadion. Op de foto staat een grootheid tussen de amateurs van DWV, gastspeler Stanley Matthews. Weliswaar een oude man van 47, maar als rechtsbuiten nog steeds actief in de hoogste regionen van het Engelse profvoetbal.

Dagblad De Tijd/De Maasbode meldt een dag nadat De Volewijckers het jubileumduel ternauwernood met 4-2 had gewonnen, dat Matthews zich door DWV heeft laten strikken voor een eersteklas hotelovernachting in Amsterdam plus een vette premie. In de krant staat ook dat Matthews het vaardige combinatiespel van DWV roemde en zeer te spreken was over de 20-jarige Israël, die zich volgens De Tijd als rechtshalf ‘een talentvolle secondant’ toonde van de vermaarde invitee.

Israël: “Mooie vent die Matthews, geen greintje kapsones. Omdat het pokkenweer was, kwam geen hond naar die wedstrijd kijken. Matthews had met DWV te doen en besloot af te zien van zijn gage. Hij was dus bepaald geen egoïstische eikel.”

Theo Laseroms

Van DWV ging de jonge Rinus naar DWS (Door Wilskracht Sterk), de club van de Spaarndammerbuurt waarmee hij kampioen werd van de eerste divisie en in 1964 zowaar ook van de eredivisie. Hij was eerst nog rechtshalf, maar werd centrumverdediger naast Daan Schrijvers, een mannetjesputter die voetbalde met de borst vooruit en de kin omhoog.

Israël: “Ik keek tegen hem op. Schrijvers was helemaal niet zo’n geweldige speler, maar hij liep over het veld met een air van ‘mij kan niets gebeuren’. Hij imponeerde zijn tegenstanders. Die superieure uitstraling heb ik van hem overgenomen. Ik had voor elke wedstrijd de zenuwen, ook toen ik al lang en breed bij Feyenoord en in het Nederlands elftal speelde. Maar daar liet ik niets van blijken.”

Bij DWS, dat zijn thuiswedstrijden afwerkte in het Olympisch Stadion, begon Israël als semi-beroepsvoetballer. Toen voorzitter en geldschieter Henk Solleveld besloot zijn spelers als fullprofs in vaste dienst te nemen was dat voor hem een uitkomst. Hij kon opzeggen bij de gemeente, waar hij in dienst was bij de afdeling bestratingen, samen met zijn zwager en ploeggenoot Joop Burgers. Rinus was ‘handlanger’, wat betekende dat hij tegels en zand naar de stratenmakers moest sjouwen. Doorgaans deed hij dat op zijn gemak. Toch lag hij in de pauzes soms half bewusteloos in een kruiwagen.

Tijdens zijn hoogtijdagen voor Feyenoord, in 1968 in de bomvolle Kuip, op de huid gezeten door voormalig ploeggenoot Theo Cornwall van DWS.Beeld Nationaal Archief

In de zomer van 1966 ging Israël voor de in die tijd lieve som van 450.000 gulden naar Feyenoord, dat met de bravoureman van DWS het fundament wilde leggen voor een vernieuwde ploeg, die niet alleen mooi voetbal kon spelen, maar ook opgewassen was tegen het sterker wordende Ajax en weerwerk kon bieden in het Europese bekervoetbal.

Amsterdammer Israël aardde wonderwel in Rotterdam, waar ploeggenoten en publiek hem vrijwel onmiddellijk in de armen sloten. “Met mijn cynisme paste ik daar goed. Rotterdammers mogen de boel ook graag in de zeik nemen.”

Met Theo Laseroms, bijgenaamd De Tank, ging Israël eind jaren zestig een gevreesd én geroemd, koppel vormen. Zelfs Cruijff ging het liefst een straatje om wanneer Theo de Tank en IJzeren Rinus hem in het vizier hadden. In eendrachtige samenwerking sloopten Laseroms en Israël hun tegenstanders. “Ik deed dingen, ook op de training, waarvoor ik me in de auto naar huis zat te schamen. Dan zei ik tegen mijzelf: ‘wat ben je toch een grote eikel dat je je zo kunt laten gaan’. Soms had ik een waas voor mijn ogen, in dat per se willen winnen kon ik weleens te ver gaan.”

Israël heeft spijt van zijn gruwelpraktijken op het veld, alsmede wroeging over de verbale aanpak van zijn ploeggenoten. “Als ik vond dat er verzaakt werd, schold ik iedereen verrot en daarbij maakte ik geen enkel onderscheid, ik behandelde iedereen gelijk. Zo deed ik het als trainer ook. Dat was fout, ik had dat anders moeten doen. Ik had rekening moeten houden met de verschillende karakters van voetballers en sowieso milder moeten zijn voor nieuwe spelers.”

Rinus Israël was een vechter zonder mede­dogen, maar ook een voortreffelijke voetballer met inzicht en overwicht. Israël kon zijn elftal op sleeptouw nemen en een wedstrijd naar zijn hand zetten. Zoals in de Europacup-finale tegen Celtic, toen Feyenoord nogal lullig op achterstand kwam en Israël mee ten aanval trok, met een bekeken kopbal gelijkmaakte en tegen het einde van de verlenging met een snelle vrije trap en een fijngevoelige dieptebal ook de winnende treffer van Ove Kindvall inleidde.

Na acht seizoenen, waarin hij drie keer kampioen werd, de KNVB-beker won, de Europacup, de wereldbeker en de Uefa-cup, deed Feyenoord hem van de hand, omdat zijn knieën begonnen te kraken. Maar de vrije verdediger Israël was nog lang niet versleten, zo liet hij zien bij Feyenoords bescheiden stadgenoot Excelsior. Daar werd hij in 1975, net als vijf jaar eerder, uitgeroepen tot Nederlands voetballer van het jaar.

Tot op de draad versleten

Na Excelsior hield hij het voetballen bij PEC in Zwolle nog vol totdat hij veertig was en zijn knieën tot op de draad versleten waren. Een veelbelovend begin als trainer bij FC Den Bosch bracht hem in 1986 terug bij Feyenoord, maar daar was geen geld en bovendien zat de jeugdopleiding in een dip. Israël kon naar PSV, zijn naam zong rond bij Ajax, maar de lokroep van Feyenoord was te sterk. “Ik liet mijn gevoelens voor de club het zwaarst wegen en dat was achteraf niet slim. Ik had nog niet de ervaring om de knelpunten binnen een club te herkennen en het zaakje naar mijn hand te zetten. Er gingen dingen mis en daar maakte ik dan kritische opmerkingen over, ook naar buiten toe. Dat werd mij niet in dank afgenomen en het heeft mij uiteindelijk ook de kop gekost.”

Feyenoord werd het breekpunt in een trainers­loopbaan die hem niet meer naar het topniveau zou voeren dat hij als speler had bereikt. Wel werd hij met Dinamo Boekarest kampioen van Roemenië, trainde hij Paok Saloniki, de nationale ploeg van Ghana en clubs in de Emiraten. “Als speler heb ik er uitgehaald wat erin zat, als trainer niet. Daarvoor had ik wat vaker op m’n tong moeten bijten, diplomatieker moeten zijn. Maar ik ben nu eenmaal iemand die zijn houding nooit verandert.”

Toch heeft ook het trainerschap Israël veel rijkdom gebracht. En dan niet eens zozeer in financiële zin. Omdat hij slechts een woordje Engels en een mondje Duits beheerst, moest hij in het buitenland vaak met handen en voeten duidelijk maken wat zijn wensen en bedoelingen waren. “Daardoor zal ik best wat geld zijn misgelopen, maar ach, ik heb een geweldig leven kunnen leiden zonder mijzelf ook maar een moment te hoeven verloochenen. Ik ben niets tekortgekomen.”

Vluchtelingenvraagstuk

Acht jaar werkte hij in het buitenland en dat heeft hem wijzer gemaakt. “Ik ben tot inzichten gekomen en kan meepraten over gevoelige zaken als het vluchtelingenvraagstuk. Ik heb gênante rijkdom en vreselijke armoede gezien en kan heel goed begrijpen dat mensen er alles voor over hebben om in Europa terecht te komen.”

Jaren van huis, het was soms ook afzien, zoals in het grauwe Boekarest van begin jaren negentig waar hij, meestentijds zonder Greet, doodongelukkig kon zijn. Dan jankte hij bijna van eenzaamheid en van verlangen naar de gelukzalige eenvoud van thuis: aardappels, groente en een lapje vlees.

Na een halve eeuw zichzelf te zijn gebleven in het profvoetbal leeft Israël stil en tevreden in Landsmeer, dat volgens hem eigenlijk ook gewoon Amsterdam-Noord is. Greet en hij zijn ‘ontzettende familiemensen’, en al een eeuwigheid bij elkaar. Greet was een vriendin van zijn jongste zus Rietje en moest aanvankelijk niets van Israël hebben. “Ze vond dat cynisme van mij verschrikkelijk, maar gaandeweg ontdekte ze dat ik ook m’n goede kanten had. Ik heb nooit een ander meissie gezocht. Ik was meteen verkikkerd op haar en heb het enorm met haar getroffen. Ze is helemaal niet zo geïnteresseerd in voetbal en dat vind ik best. Dan gaat het bij mij tenminste niet alléén maar over voetbal.”

Coronaslaap

Toen corona de sport een half jaar terug abrupt deed stilvallen, legde Israël zich erbij neer. Hij ging wat vaker boodschappen doen, nam Greet met de auto mee uit rijden en wachtte af. Het voetbaldier legde zich neer in een coronaslaap, waaruit hij nu zoetjes aan ontwaakt. Want er zijn weer wedstrijden en dus kan er weer honderduit over het spelletje worden geouwehoerd.

Het voetbal zonder publiek valt hem op tv niet tegen en bij het finaletoernooi van de Cham­pions League schoof hij zelfs naar het puntje van zijn stoel. Hij genoot van Bayern München, zoals hij voorheen van Barcelona deed. Maar Barça is zichzelf niet meer. Of Ronald Koeman de Catalaanse briljant weer kan laten schitteren, waagt Israël te betwijfelen.

“Het zou weleens kunnen blijken dat hij er op het verkeerde moment is ingestapt. Hij moet Messi te vriend zien te houden en tegelijk aan een nieuw elftal bouwen. Dat betekent voorzichtig balanceren. En dan moet hij ook nog hopen dat er geen koppen in de clubleiding gaan rollen.”

Of Frank de Boer de juiste bondscoach is, willen ze in de werkplaats van Dral weten. “Weet ik niet, maar hij is wel een logisch keuze. Onder de generatie van Van Gaal en Van Marwijk moet een streep worden gezet. Het is nu aan coaches van een wat jongere generatie, die van Koeman en De Boer.”

Op vrijdag komen de kroketten bij Dral op tafel.Beeld Jakob Van Vliet

Zou Israël zelf nog een klusje in het voetbal willen doen? Scouten misschien, of een adviseurschapje?

“Op m’n 78ste? Echt niet, ik kan nog geen vijf minuten lopen. Het is mooi geweest. Ik wil straks graag weer in het weekeinde wedstrijdjes gaan kijken. Van de parkeerplaats naar de tribune schuifelen, dat gaat nog net. Als het afgelopen is, naar huis, naar Greet. En verders hier zitten. Ik was van plan dat nog heel lang te blijven doen.”

De werkplaats: “Daar waren wij al bang voor.”

Israël: “Kijk, dat bedoel ik.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden