PlusInterview

Primoz Roglic: ‘Wielrennen is heel eerlijk, zeker bergop’

Hij was schansspringer en maakte schoon in winkelcentra om wat geld te verdienen. Een fiets had hij niet. Nu, acht jaar later, is Primoz Roglic profwielrenner en voert hij de wereldranglijst aan.

Primoz Roglic in de rode trui in de Vuelta, september 2019.Beeld EPA

Yes. No. En als hij in een spraakzame bui is voegt hij er soms nog iets als “We will see, eh?” aan toe. Verder zegt Primoz Roglic (30) doorgaans niet veel als er een microfoon onder zijn neus hangt. “Ik ben bang voor journalisten.”

Hè? Wat?

Roglic: “Hahaha. Nee hoor. Maar als je zes uur op de fiets hebt gezeten, heb je geen zin om een uitgebreid interview te geven. Dan wil je eten, drinken en rusten. Ik ga naar wedstrijden om te presteren, niet om zo lang mogelijk met journalisten te praten. Maar normaal gesproken ben ik best een funny guy, hoor.”

We weten niet bepaald veel van u. Ja, dat u schansspringer was. En dat u uit Trbovlje komt. Een stadje in Slovenië met de hoogste schoorsteen van Europa en een hoop kolenmijnen in de omgeving.

“Ja, maar die zijn nu dicht.”

Wat wilde u worden toen u klein was?

“De beste schansspringer van de wereld.”

Van alle sporten die u had kunnen kiezen, waarom juist skispringen?

“Waarom niet? Onze buurman was coach, twee kilometer van mijn huis lag een schans. Het is een grote sport in Slovenië. Mijn idool was Primoz Peterka. Ik begon op kleine heuveltjes, maar wilde steeds meer. Weet je, iedereen droomt ervan om te vliegen. Met schansspringen kom je er best dichtbij, ook al is het maar voor een paar seconden. Je voelt je licht, je zweeft.”

Was u nooit bang?

“Jawel, tuurlijk. Angst heb je nodig. Dan ben je op je best.”

Wat is de grootste les die u hebt meegenomen uit het schansspringen?

“In 2007 viel ik van de schans in Planica. Ik zette verkeerd af, mijn ski raakte los en ik crashte. Dat veranderde veel, maar ik heb er ook iets van geleerd: hoe hard je ook valt, je móet doorgaan. Er gaan altijd nieuwe deuren open. Een paar jaar na de crash in Planica merkte ik dat ik niet verder kwam als schansspringer. Ik werd ouder, ik had last van blessures, ik maakte trappen schoon in winkelcentra om een beetje geld te verdienen. Van de ene op de andere dag besloot ik te stoppen. Ik heb nooit meer gesprongen. Ik wilde iets anders. Profwielrenner worden. Op mijn 23ste.”

Had u überhaupt een fiets?

“Nee. Ik deed mee aan duatlons, maar dan leende ik een fiets van de buurman.”

U had geen fiets, maar wilde wel profwielrenner worden.

“Ik keek elke zomer naar de Tour. Lance Armstrong, Schleck, Contador. Het leek me zo mooi op de hoogste Alpencols te rijden, tussen rijen fans. Niet realistisch, meer een droom. Maar ik geloofde er wel in. Ik stuurde mailtjes naar kleine Sloveense teams met de vraag wat ik moest doen om wielrenner te worden. Ik verkocht mijn crossmotor en kocht een fiets.”

“In het begin was ik verschrikkelijk slecht, maar ik ging vooruit en deed mee aan kleine wedstrijdjes in de omgeving. Vijf of tien kilometer, één berg op. Ik was licht, ik eindigde telkens op het podium. Vrienden met connecties regelden een test voor me bij Adria-Mobil, een kleine Sloveense profploeg. Voor ik het wist had ik een fiets en een contract: 300 euro kreeg ik. Maar het was zoveel zwaarder dan ik gewend was. Als ik had geweten hoe moeilijk het zou zijn, weet ik niet of ik het aan had gekund.”

“Mijn tweede profkoers was in Italië. Ik ging van start tot finish voluit. Na twee dagen kon ik de trap niet meer oplopen in het hotel. Ik dacht dat het onmogelijk was om zoiets drie weken vol te houden.”

U leerde sturen, in een peloton rijden, winnen. In 2015 kon u een test doen voor een Nederlandse ploeg.

“Ja, bij Jumbo. Ik kreeg een telefoontje toen ik op vakantie was in Griekenland. Ik zei nog dat ik mijn fiets al weken niet had aangeraakt. Ze antwoordden: ‘Dat zeggen ze allemaal’. Toen ik in Amsterdam aankwam, zagen ze hoe bruin ik was. Na die test waren ze overtuigd. In het begin heb ik met grote ogen rondgelopen. Alles was zo anders. Alsof ik weer op nul begon.”

Heeft u overwogen naar een andere ploeg te gaan toen Tom Dumoulin naar Jumbo-Visma kwam?

“Nee, geen moment. Tom is een geweldige kerel. Tuurlijk, het zal heus weleens moeilijk zijn om met meer kopmannen te koersen, maar dat is niet erg. Uiteindelijk is het heel eerlijk, vooral bergop. We rijden voor de sterkste.”

Bent u niet bang dat een Nederlandse kopman bij een Nederlandse ploeg een streepje voor heeft? Dat u straks drie weken op kop rijdt voor iemand anders?

“Nee. Als ik niet goed genoeg ben, help ik graag het team winnen.”

Als de Tour doorgaat, bent u een van de favorieten. Het is best gelukt, hè, met die droom?

“Ja. Ik heb er heel, heel hard voor gewerkt, maar ik ben trots dat ik erbij hoor.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden