PlusInterview

Petra Witjes (29), eerste klokkenluider in het turnen: ‘Ik wil alleen dat er wat verandert’

Petra Witjes (29) was in 2009 de eerste klokkenluider in het turnen. Zeven jaar lang trainde ze met Vincent Wevers, in een regime van vernedering en mishandeling. Aan de keukentafel vertelt ze haar verhaal.

Petra Witjes op de balk, in 2006 bij de EK voor junioren in Volos, Griekenland.Beeld ANP

“Ik sta op de balk. De trainer zegt dat ik er niet eerder van af mag dan wanneer ik een bepaalde oefening heb gedaan. Ik kijk in de spiegel van de turnhal en denk: voor wie doe ik dit nu eigenlijk? Ik ben er klaar mee. Als ik de zaal uitloop hoor ik: je hoeft niet meer terug te komen. Mooi. Dat is precies wat ik wil.

Het is 2008 en de Olympische Spelen van Peking naderen. Misschien had ik een kans gemaakt. Maar de oogkleppen waren al af, het plezier was weg. Gebroken, na een proces van jaren.

Als meisje van 7 jaar begin ik in Heino met turnen. Ik ben een stijve hark, maar heb wel talent en ben mentaal sterk. Nadat ik in 2001 naar Oldenzaal verhuis, kom ik in de groep van Vincent Wevers. Met zijn dochters Sanne en Lieke en Tahnee Masela vormen we de vaste kern van vier, die wordt aangevuld met anderen. Hoe meer we trainen en hoe beter we worden, des te strenger wordt het regime. Toch heb ik vaak een lach op mijn gezicht. De training begint om 7.30 uur, maar mijn vader heeft een sleutel van de zaal en vaak gaan we met een paar meiden al een uur eerder naar binnen. Turnblokken bouwen, beetje plezier maken. Als Vincent binnenkomt, zitten we netjes en met een serieus gezicht op de mat.

Je weet nooit hoe zijn humeur is. Soms goed, vaak niet. Ik heb het hele palet aan kindermishandeling meegemaakt. Ook fysiek. Eén keer heb ik in Frankrijk een trap van hem gehad, maar de echte pijn kwam van al het andere. Het kleineren, schelden, indoctrineren, negeren, intimideren en dreigen. Iedere dag weer. Emoties mochten er niet zijn. Blessures werden genegeerd. Vier keer per dag op de weegschaal. En dan nog word je bij je zogenaamde ‘vetjes’ gegrepen en dikke koe genoemd.

Geen jaknikker

Onze zaal is afgeplakt, niemand kan binnen kijken. Al heeft één ouder er een klein gleufje in gesneden om te spieken. Maar als het plakfolie een keer door iemand wordt weggetrokken, is het er de volgende ochtend weer opgeplakt.

Ik ben geen jaknikker. Vanaf mijn 14de ben ik mijn mond open gaan doen. Na de training zit ik vaak tot middernacht met mijn vader aan de keukentafel. Hij zegt dat ik op elk moment kan stoppen. En hij gaat meerdere keren in gesprek met mijn trainer. Die zegt dat het wel goed komt. Petra is gewoon een beetje rebels.

Ik ben niet rebels, ik kom op voor mezelf. Op enig moment staan we netjes opgesteld in een rijtje. Mijn trainer is heel erg boos. Ik wrijf even aan mijn neus, door het magnesiumpoeder heb ik jeuk en moet ik bijna niezen. Mijn trainer vindt dat ik zijn gezag ondermijn, omdat ik in zijn ogen lachte. Voor straf moet ik kikkersprongen maken met een zware zandzak op mijn rug. Ik weiger. Ik laat me niet als slaaf behandelen voor iets wat ik niet heb gedaan. De zaal staat op zijn kop, ik word aan mijn arm getrokken: en nu ga je het doen! Maar ik blijf erbij en word de zaal uitgezet.

In aanloop naar een EK of WK train ik vaak apart. Met mijn gedrag en ideeën ben ik recalcitrant en kan ik de rest van de groep terroriseren, vindt mijn trainer. Vaak word ik in de ‘rotte­appelgroep’ gezet, met Joy Goedkoop en Lieke Wevers. Wekelijks wordt gedreigd dat we maar naar Nijmegen of Heerenveen moeten verhuizen. Daar trainen de amateurs.

Mental coach

In 2006 doe ik een melding bij de topsport­manager van de KNGU. Er wordt een onderzoek aangekondigd naar de gang van zaken in Oldenzaal, NOC*NSF financiert. In de kantine word ik door twee mensen gehoord namens NOC*NSF. Onder anderen Sanne en Lieke zitten er ook bij. Dus ik weet dat alles wat ik zeg zo bij mijn trainer terecht kan komen. Toch vertel ik veel. Er wordt een rapport opgemaakt. Ik hoor er nooit meer wat van. Ik vraag mij af waar het is gebleven en waarom er nooit iets mee is gedaan. Er verandert niets.

Er komt een mental coach in de zaal. Vóór en tijdens mijn gesprek met haar voel ik de ogen van mijn trainer in mijn rug. Ik mag niets zeggen. Na twee of drie keer komt ze niet meer terug.

Ik probeer te blijven zoeken naar de lol in het turnen. Het gevoel van het kunnen vliegen blijft heerlijk. En soms heb ik het echt leuk met de meiden. Als we op trainingsstage gaan, stop ik mijn halve koffer vol koek en snoep. Niet alleen voor mezelf, ook op verzoek van de anderen. Maar het is oppassen, de koffer kan worden doorzocht. Mijn trainer gaat zelfs een keer op de kantine van de school vragen wat we daar kopen. Broodjes gezond en Liga, liegen de medewerkers.

Als ik in 2009 word gevraagd om bij NOS radio te vertellen over mijn ervaringen, krijg ik berichtjes van steun. In de turnwereld wordt anders gereageerd. Wie denkt die Witjes wel niet dat ze is? Andere media willen er meer van weten. Maar ik voel dat dit niet het moment is. Beter spaar ik mijn energie. Als het moment daar is, zal ik er zijn. Elf jaar later is het zover.

Deze week heeft me veel kracht gegeven. Door al die moedige meiden die nu hun verhaal doen. Ik voel me gehoord en gesteund. Eindelijk kan ik mijn volledige persoonlijkheid laten zien. Mensen zullen begrijpen wie ik ben en waarom ik doe wat ik doe, want het verhaal is bekend. Ik voel me sterker dan ooit.

Spiegel

Nadat ik ben gestopt, ben ik jaren zoekende geweest. Wie was ik, wat wilde ik? Je moet eerst het trauma verwerken. Heel langzaam ga je je vormen als mens. Ik ben ook moeder geworden, daardoor kreeg ik een spiegel voorgehouden. Ik voed mijn zoon op vanuit mijn eigen referentiekader. Ik heb in mijn jeugd warmte en veiligheid gemist, in de turnhal althans. En daar was je van 7.30 tot 9.30 uur en van 15 tot 19 uur. Of soms zelfs 20 uur, als er weer een preek kwam. Een groot deel van mijn ‘opvoeding’ lag in handen van de trainer.

Tijdens de opleiding Social Work ontdek ik moeite te hebben met het uiten van gevoel en emoties. Nu accepteer ik mezelf, inclusief alle turnervaringen. Sinds deze week heb ik een nieuwe baan, als jeugdhulpverlener. Het kind willen beschermen, dat zit er diep in.

Er is geen enkele nazorg voor ons geweest. Niet fysiek, niet geestelijk, niet financieel. Leuk dat iedereen staat te klappen als je in de arena een prachtige turnoefening neerzet. Maar daarna kijkt niemand naar je om. Misschien ben ik er nog goed van af gekomen. Ik ben hartstikke gelukkig, trots en sta goed in het leven. Vooralsnog heb ik geen psychologische hulp gehad. Maar ik sta er wel voor open. De schaamte is voorbij en misschien is het wel nodig voor het aangaan van relaties, want die vermijd ik.

Dit is mijn ervaring. Maar ik heb de wanpraktijken en het cultuurprobleem om mij heen zien gebeuren. In mijn eigen hal, in heel Nederland en internationaal. Wat mij bezighoudt: welke schade is toegestaan in topsport met jonge meiden? En wie biedt bescherming?

Ik ben niet uit op wraak. Ik wil alleen dat er wat verandert. Iedereen zou moeten meewerken aan het onafhankelijke onderzoek: turnsters, trainers, artsen, ouders, bestuursleden en bondsmedewerkers. De tijd van brandjes blussen is voorbij, het fundament moet worden aangepakt. Er is zo veel schade aangericht in de hang naar prestaties. Erken dat en lever nazorg. Want het échte leven begint pas ná het turnen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden