PlusInterview

Oud-profvoetballer Henny Meijer: ‘Mijn mindere prestaties bij Ajax hebben me destijds het EK van 1988 gekost’

Henny Meijer (60) had tot zijn zeventiende nooit voor een club gevoetbald. Maar met zijn snelheid en kracht schopte de spits het alsnog tot prof bij onder meer Ajax en FC Groningen. ‘Mijn carrière is me eigenlijk overkomen.’

Dick Sintenie
Oud-Ajacied Hennie Meijer traint tegenwoordig onder andere de Dames 1 van RKVV Velsen. Beeld Dingena Mol
Oud-Ajacied Hennie Meijer traint tegenwoordig onder andere de Dames 1 van RKVV Velsen.Beeld Dingena Mol

“Ik voetbalde op straat. In Oost, de Dapperbuurt, waar we kwamen wonen toen we vanuit Boxtel naar Amsterdam waren verhuisd. Het Oosterpark was mijn domein. Elke dag waren we daar met een bal in de weer. Niet af en toe een uurtje, maar halve dagen. Ik was idolaat van voetbal. En dat had ik niet van huis uit meegekregen. Mijn vader gaf niet om sport. We keken ook geen Studio Sport op zondagavond.”

“Ik werd pas op mijn zeventiende lid van een club. Via vrienden kwam ik bij ZPC terecht op sportpark Middenmeer. Ik heb nog een mooie foto hangen uit die tijd: zwarte broekjes, groene shirts. Die shirts moest je zelf meebrengen, dus dat ging van mintgroen tot legergroen en alles er tussenin. Ik was spits, heel snel, en scoren ging me makkelijk af. Twee jaar later speelde ik aan de overkant bij DJK in het eerste elftal, vierde klasse amateurs. Ik viel op. Mijn naam kwam op scoutingslijstjes, ook van Ajax. Ik heb een proeftraining gedaan beginjaren 80. Aad de Mos was toen jeugdtrainer. Hij vond mij als spits alleen geschikt voor in het strafschopgebied, als afmaker. Daarbuiten kwam ik in zijn ogen voetballend tekort.”

Testdagen bij AZ

“Ook bij Telstar mocht ik meetrainen. Ik was 21, kreeg een contractje voorgeschoteld en dat heb ik getekend. Kort daarna waren er testdagen bij AZ, daar was ik ook voor uitgenodigd. Na één trainingsdag wilde AZ me ook graag bij de club hebben. Kan niet, zei ik, ik ben al akkoord met Telstar. Bij AZ vielen ze van hun stoel: ‘Maar wat doe je hier dan?’ Gewoon lekker voetballen, zei ik. Ik vond dat fantastisch: de hele dag op dat veld. Maar ik hoefde de volgende dag niet meer te komen.”

“Ik scoorde er meteen op los bij Telstar. Ik maakte twintig goals in mijn eerste jaar in de eerste divisie, waaronder vijf in de uitwedstrijd tegen Heracles. Ik kon hogerop. Eerst een jaartje Volendam, daarna twee seizoenen Roda JC. En toen belde Tonny Bruins Slot, de rechterhand van Johan Cruijff: ‘Kunnen we praten? Johan wil je naar Ajax halen.’ Het was 1987, Ajax had net de Europa Cup II gewonnen. Marco van Basten was vertrokken. Cruijff wilde mij er graag bij hebben omdat hij met mij veel kanten op kon: ik had een sterk lijf, ik kon dus in het strafschopgebied spelen en goals maken, maar ik was ook snel en dus bruikbaar als counterspeler.”

“Het was een schitterende selectie, met Frank Rijkaard, Jan Wouters, John van ’t Schip, Johnny Bosman. Ik werd voor vol aangezien in die groep. Ik was immers gehaald door Johan Cruijff. Wie twijfelde aan mij, twijfelde aan het oordeel van de beste voetballer van Nederland. Vóór de winterstop ging het als een trein, met veertien goals in de competitie en Europese wedstrijden. Na de winterstop kwam de klad erin. Cruijff werd in januari ontslagen, ik raakte vermoeid. Alles wat er in het eerste halfjaar invloog, ging plotseling naast of over.”

Debuut bij Oranje

“Dat tweede halfjaar heeft me het EK van 1988 gekost. In september 1987 had ik onder bondscoach Rinus Michels mijn debuut gemaakt in Oranje, in een interland tegen België. In die periode werd ik steevast geselecteerd. Bij die ene invalbeurt is het helaas gebleven. En door mijn mindere prestaties bij Ajax miste ik ook het EK.”

“Na Ajax kwam ik bij FC Groningen terecht. Daar heb ik mijn beste tijd als speler gehad. Ik vormde een tandem in de voorhoede met René Eijkelkamp, en later met Milko Djurovski, de magiër. Milko leefde niet als een monnik, om het heel zacht uit te drukken, maar als hij het op zijn heupen had, was hij niet te houden.”

“In het seizoen 1990-1991 won ik de Gouden Schoen, voor beste speler van de eredivisie. Daar ben ik het meest trots op. Een prijs die wordt vergeven op basis van het wekelijkse oordeel van oud-voetballers. Die schoen staat in een vitrinekast in mijn woonkamer in IJmuiden. Daarin hangt ook het shirt van Verdi Kawasaki, de Japanse club waarvoor ik heb gespeeld. Op 17 mei 1993 maakte ik voor die club het allereerste doelpunt in de J-League, de Japanse profcompetitie. Met de Braziliaanse ster Pelé als eregast op de tribune schoot ik de bal na een minuut of twintig snoeihard in de bovenhoek. Die goal ging de wereld over.”

Zonder zaakwaarnemer

“Ik heb voor veel mooie clubs gespeeld, zonder iets na te jagen of te ambiëren. Ik wilde gewoon lekker voetballen. Mijn carrière is me eigenlijk overkomen. Ik heb goed verdiend, maar ik ben geen miljonair geworden. In mijn eerste jaren als prof had ik niet eens een zaakwaarnemer. Clubs spraken over een transfer en als je akkoord was met een overgang vroeg de kopende club of je tevreden was met het salaris dat ze je aanboden. Dat was een retorische vraag. Onderhandelen gebeurde nauwelijks.”

“Ik heb na mijn voetballoopbaan altijd gewerkt. Als trainer, in de jeugd, bij eerste elftallen, bij de profs en bij amateurs, als assistent en als hoofdtrainer. Ik heb het op een na hoogste trainersdiploma. Nu werk ik bij de vrouwen van RKVV Velsen, dat uitkomt in de eerste klasse. Wie je ook traint, man of vrouw, hoog of laag niveau, het spelletje blijft hetzelfde. En mijn liefde voor het spelletje is nooit minder geworden.”

Ajax, Oranje, Gouden Schoen

“Ik werk ook als buurtsportcoach in Haarlemmermeer. Om de jeugd in probleemwijken een beetje kaders te geven, aan het sporten te zetten of weerbaarder te maken. Dat is me op het lijf geschreven. En als ik een groep moeilijk aan de gang krijg, trek ik soms de troefkaart: dan vertel ik dat profvoetballer ben geweest. Ajax, Oranje, Gouden Schoen. Dan ontstaat er meteen een heel andere dynamiek. Wat opvalt is dat ik dan vragen krijg over geld en vrouwen. Ik denk dat veel jongeren niet meer écht van voetbal houden.”

“Ik voetbalde niet voor het geld of de roem. Maar ik word weleens pissig als ze mij een luie spits noemen. Alsof ik alleen een beetje mijn kont erin draaide en op doel schoot. Donder op, denk ik dan. Ik moest het juist hebben van veel en hard rennen.”

“Ik zit bij een aantal clubs waarvoor ik heb gespeeld nog in een appgroepje met spelers van toen. Maar ik reageer niet vaak. Ik ga ook weinig meer naar stadions. Ajax-Groningen van zondag laat ik ook lopen. Soms wordt er een reünie georganiseerd. Leuk om sommige jongens weer eens te zien, maar ik hoef niet meer zo nodig in de spotlights te staan. FC Groningen organiseerde niet zo lang geleden een ‘heldenmiddag’. Moesten oud-spelers voor de wedstrijd over het veld wandelen en zwaaien naar het publiek. Blij dat ik daar niet heen ben gegaan.”

Luister onze Ajaxpodcast Branie:

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden