PlusPortretten

Oud-olympiërs in de zorg: ‘Dit is geen sprint maar een marathon’

Olympisch kampioenen Joyce Sombroek en Maaike Head staan nu als arts in de frontlinie tegen corona. Hoe ervaren ze dat? En helpt hun topsportverleden?

Joyce Sombroek (29) Beeld Twitter @JoyceSombroek

Joyce Sombroek (29) veroverde als keeper van de Nederlandse hockeyvrouwen olympisch goud op de Spelen van Londen in 2012 en zilver in Rio in 2016.

“Na anderhalf jaar als arts te hebben gewerkt op de spoedeisende hulp en bij interne geneeskunde, longziekten en cardiologie, begon ik op 1 maart als huisarts in opleiding in Aalsmeer. De eerste dagen waren nog redelijk normaal, maar al snel stond alles in het teken van corona en zagen we alleen nog spoedgevallen. Het onderwijs ligt grotendeels stil, eerst moeten we hier zo goed mogelijk doorheen komen.”

“Toch denk ik nooit: jeetje, waar ben ik nu in beland? Misschien klink ik nog als een topsporter, maar ik ben pragmatisch. Ik probeer me te focussen op de dingen waar ik invloed op heb en dat is alles wat met mijn werk te maken heeft. In het begin was ik nog de hele dag bezig met het volgen van het nieuws. Dat is verleidelijk, maar ik heb ook geleerd hoe belangrijk een goede balans is. Dus ik let op mijn rust, gezond eten, blijven bewegen, maar ook telefonisch ­bijkletsen met vrienden. Je kunt niet altijd ­pieken. Dit is bovendien geen sprint, maar een marathon. ’s Avonds probeer ik mijn telefoon weg te leggen en ga ik bijvoorbeeld lezen.”

Niet meer opgenomen

“Afgelopen weekeinde had ik dienst op de huisartsenpost. We zitten dan in beschermende pakken in mobiele cabines. Patiënten wachten in de auto tot we ze bellen en dan mogen ze, alleen, naar binnen. We meten temperatuur, zuurstofgehalte en ademhalingsfrequentie en luisteren naar hun longen. Mensen met een verdenking van corona die heel ziek of ­be­nauwd zijn, sturen we door naar het ziekenhuis, maar gelukkig kunnen er veel naar huis.”

“Ik heb het nog niet meegemaakt, maar het kan zijn dat ik binnenkort lastiger gesprekken moet voeren. Bijvoorbeeld met kwetsbare patiënten, voor wie het beter is om niet meer opgenomen te worden. Of mensen die zeggen: het hoeft niet meer van mij, die je dan met ­pal­liatieve zorg begeleidt richting levenseinde. Zulke dingen hebben impact, maar ik zie er niet tegenop. Het hoort bij mijn werk en ik ben blij dat ik naar mijn werk kan om mensen te ­helpen.”

“Ik probeer ook oog te houden voor positieve dingen. Mensen worden dichter naar elkaar toe gebracht. Ze worden gereset en keren terug naar wat echt belangrijk is. Dat vind ik mooi om te zien. Hoe erg het allemaal ook is.”

Maaike Head (36)

Maaike Head (36) roeide vier jaar geleden in Rio de Janeiro met Ilse Paulis naar ­olympisch goud in de lichte dubbeltwee.

“Natuurlijk hoefde ik niet na te denken toen ik werd gevraagd om tijdelijk op de ic te werken. Niemand van ons. Dat doe je gewoon. Ik werk ook meer uren. Misschien worden ze niet uit­betaald, maar dat kan me niet zo veel schelen. Ik werk sinds 2015, met tussenpozen, als arts, op dit moment in opleiding tot chirurg in Limburg. Daar gaan alleen urgente operaties door. Daarom werk ik nu meestal op de ic’s; vanuit mijn opleiding heb ik daar ook ervaring mee.

Ik werk compleet ingepakt, met een soort duikmasker. Pittig, want de kleding is warm en be­knellend, allesbehalve ideaal. Maar het moet.”

“Ik heb vanuit de topsport geleerd flexibel te zijn. Vlak voor onze halve finale op de Spelen in Rio werd de race uitgesteld. Oké, knop om, morgen weer een dag. Ik zie in het ziekenhuis heus dingen piepen en kraken, maar er is grote saamhorigheid. Normaal werkt een ic super­gereguleerd. Nu werken er noodgedwongen veel mensen voor wie dit nieuw is. Iedereen is uit zijn comfortzone. Maar hup, aan het werk. Niet lullen, maar poetsen. Dat zit in ons dna.”

Jonger dan ik

“Momenteel hebben we zo’n vijftien corona­patiënten. Het is heftig. Bij veel patiënten zie je weinig verbetering, de stapjes vooruit zijn maar klein. En een hoop mensen redden het niet. Het is frustrerend, je levert de beste zorg en het helpt niet. Ik zie patiënten die jonger zijn dan ik. Hoe kan dat nou toch? De perfecte manier van behandelen zullen we pas achteraf weten.”

“Als arts krijg je altijd veel voor je kiezen. Ik kan niet zeggen dat ik eraan gewend raak als iemand overlijdt, maar het brengt me minder van mijn stuk. Het is anders voor de verpleegkundigen die normaal op afdelingen werken waar ze minder met de dood te maken krijgen. We staan met tranen in de ogen als bij een bed een mailtje aan een patiënt wordt voorgelezen.”

“Toen het in Italië losging, voelde ik onrust: wat gaat er komen, hoe erg wordt het, vullen we straks de ic in één weekend? Dat had ik bij het roeien ook altijd, vooral spanning vooraf. Ik wil gewoon aan de gang gaan. Ik zie nu dat we het aankunnen, vooralsnog. Dat geeft ergens iets van rust. Verder stop ik niets weg, want dan kom je jezelf later tegen. Dan zegt mijn vriend, die niet medisch is opgeleid, wel: ‘Schat, ik heb geen idee waarover je het hebt.’ Maar mij helpt het.”

 
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden