PlusInterview

Niek Kimmann: ‘Toen de juf op school vroeg wat iedereen wilde worden, zei ik dat ik BMX’er werd’

Olympisch kampioen Niek Kimmann: 'Ik wil niet dat mijn huis te comfortabel is, daar word je lui van. Je moet werken als je iets wilt presteren.' Beeld Pim Ras Fotografie
Olympisch kampioen Niek Kimmann: 'Ik wil niet dat mijn huis te comfortabel is, daar word je lui van. Je moet werken als je iets wilt presteren.'Beeld Pim Ras Fotografie

Met een barst in zijn knieschijf olympisch kampioen worden: BMX’er Niek Kimmann (24) deed het. Over plezier, het lot, tegen een muur op lopen, en het leven met de verwachtingen na eerdere gouden plakken.

Thijs Zonneveld en Hidde van Warmerdam

Leuke badslippers wel.

“Ja joh. Papendal is eigenlijk mijn woonkamer.”

U heeft hier ook de sleutel van de bar?

“Ik kén wel degenen met de sleutel. Het is een soort thuis. Het is nog net niet zo extreem dat ze het vaste menu op tafel zetten als ik binnenloop. Toen ik hier tien jaar geleden kwam wonen, zat ik op een gang met een stel wielrenners. Jan-Willem van Schip, Matthijs Büchli, Hugo Haak, Harrie Lavreysen.”

Succesvol gangetje.

“Best wel ja.”

Waarom ging u dit jaar dan naar Zwitserland?

“Omdat ik dat al van plan was voordat de Spelen een jaar werden uitgesteld. Ik wilde iets anders. Een andere omgeving, een andere trainingsgroep. Mezelf uitdagen. Ik wil niet zeggen dat ik hier uitgeleerd was. Maar toch. Ik doe niet aan motto’s, behalve één: When you are the smartest guy in the room, you are in the wrong room.”

De meeste sporters zouden het niet durven in een olympisch jaar.

“Ik heb ook wel even stress gehad. Maar hoe langer ik erover nadacht, hoe enthousiaster ik er van werd. Je moet uiteindelijk doen waar je gelukkig van wordt. Daarnaast hoefde ik niet bezig te zijn met anderen; in Nederland vragen ze je overal waar je komt of je olympisch kampioen gaat worden, in Aigle kende niemand me. We zaten daar in een oude herberg zonder enige luxe, met renners uit allerlei landen, maar dat was niet erg. Ik wil niet dat mijn huis te comfortabel is, daar word je lui van. Je moet werken als je iets wilt presteren. Er was een Ethiopische wielrenner die zijn ouders al maanden niet had gesproken omdat ze de telefoonkabels daar hadden doorgeknipt tijdens de burgeroorlog. Dat zet je wel met beide benen op de grond.”

Hoe leefde u naar de Spelen toe? Nerveus?

“Ik heb geprobeerd om er niet met te veel verwachtingen naartoe te gaan. Als ik iets te groot maak, dan geloof ik niet dat ik kan presteren. Ik hield mezelf voor dat het gewoon een wedstrijd was. Als het zou lukken, dan was het mooi. Zo niet, dan niet.”

“Zo heb ik niet altijd gedacht. Al vanaf kleins af aan heb ik één droom: bij de beste BMX’ers van de wereld horen. Toen de juf in een kringgesprek op school vroeg wat iedereen wilde worden, zei ik dat ik BMX’er werd. Zei ze dat dat niet kon. Ze begreep er geen bal van, vond ik. Ik zou mijn hele leven op een roze wolk wonen als ik wereldkampioen of olympisch kampioen zou worden. Alles moest ervoor wijken.”

“Ik won mijn eerste wereldbekerwedstrijd voor ik mijn rijbewijs had en op mijn 19de werd ik wereldkampioen. De ochtend na dat WK werd ik wakker met de verwachting dat ik me totaal anders zou voelen. Dat viel vies tegen. Het ging te snel, ik was er niet klaar voor. Misschien wel als sporter, maar niet als mens. Na die wereld­titel legde ik de lat zo hoog dat ik mezelf keer op keer teleurstelde. Ik moest van mezelf alles winnen, ik moest in elke training de beste zijn.”

“Dat heeft twee jaar geduurd. Ik reed geen deuk in een pakje boter, op de Spelen van Rio was het drie keer niks. Ik was wereldkampioen geworden, maar toch voelde ik me diep, diep ongelukkig.”

Heeft u overwogen om te stoppen?

“Mijn moeder zei na Rio: stop er toch mee. Ik wilde het nog een jaar proberen – en anders zou ik gaan baanwielrennen of zo. In dat jaar begon ik weer langzaam te winnen en realiseerde ik me dat ik fietste omdat ik het zo mooi vond. Niet per se om te winnen. Uitslagen van wedstrijden bepalen niet wie ik ben als mens. Ik moest het jongetje terugvinden dat het gewoon heel leuk vond om te BMX’en. Toen ik dat besefte, kwam het plezier terug.”

Lijkt dit op het verhaal van Tom Dumoulin?

“Ik snap dat Tom Dumoulin er gek van wordt dat er verwacht wordt dat ie effe de Tour of de Giro wint. Tweede of derde is al niet eens goed genoeg. Dan kun je zeggen dat je schijt moet hebben aan de verwachtingen van mensen en er je schouders over moet ophalen, maar daarvoor moet je wel heel sterk in je schoenen staan.”

“In Nederland denkt iedereen dat winnen de standaard is, ook als je één keer een uitschieter hebt gehad. Als sporter denk je soms bij jezelf: hoe heb ik dat ooit geflikt? Maar als toeschouwers verwachten dat die uitschieter de standaard is en je neemt dat gevoel ook maar een beetje over, dan loop je elke dag tegen een muur aan.”

Zonder verwachtingen naar de Spelen gaan lijkt best moeilijk, in topvorm en op een baan die perfect bij u past.

“Het klinkt misschien arrogant, maar ik heb er altijd wel in geloofd dat ik ooit wereldkampioen zou worden. Je hebt elk jaar een WK, ik schiet vast wel een keer raak. Maar met de Spelen weet je dat je twee, misschien drie kansen hebt. Waarvan ik er dus al één gehad had. En een sprinter is op z’n best rond z’n 25ste. Dus ik wist heus wel dat ik het nu moest doen. Maar ik wist ook dat het nooit zo gaat als je denkt, zeker niet in het BMX’en. Je kunt gouden medailles niet uitrekenen. Ik ben niet gelovig of zo, maar met mijn coach had ik erover dat het wel of niet was voorbestemd.”

Wat dacht u toen u bovenop een overstekende official klapte bij een van de laatste trainingen in Tokio? Was die gestuurd?

“Nee, maar ik dacht wel dat het misschien niet voor mij was voorbestemd. Maar ook dat het een mooi verhaal zou zijn als ik alsnog olympisch kampioen zou worden.”

Dat is wel heel zen. U hebt toch wel staan ­vloeken om die barst in uw knie?

“Ik heb wel even een potje gejankt ja.”

Was het achteraf gezien verantwoord om met die knie te rijden op de Spelen?

“Ja. Maar ik heb nu net pas groen licht om alles weer te doen. En ik voel hem nog steeds als ik de trap op loop, dus er was wel echt iets mis.”

Hoe is het met die official?

“Toen ik gehuldigd was in Scheveningen, lag hij nog in het ziekenhuis met een hersenschudding, een gebroken oogkas en een gebroken rib. Maar hij maakt het goed nu. Hij was héél blij dat ik had gewonnen.”

Hoeveel last heeft u gehad van die knie?

“Met veel koelen, pijnstilling en adrenaline ging het wel. In de voorrondes had ik er meer last van dan in de finale. Toen voelde ik niks meer door alle adrenaline. Ik heb na de finish ook op mijn knieën zitten juichen - zelfs dát voelde ik niet.”

Waaraan heeft u de laatste minuut voor de ­finale gedacht, bovenop de startheuvel?

“Je kunt nog zo’n groot team om je heen hebben, maar bij de start ben je echt alleen. Ik denk dat de meeste sporters het verschrikkelijk vinden, maar er tegelijkertijd aan verslaafd zijn. Het is zo intens dat je bijna overgeeft. Ik weet nog dat ik de helikopter van de tv zag vliegen, ik wist dat er miljoenen mensen keken. Maar ik dacht ook: ik rij gewoon een rondje met zeven andere gasten en daarna is er eentje olympisch kampioen. Het ging ergens ook op de automatische piloot. Doen wat je moet doen.”

Niek Kimmann vliegt onbedreigd naar de gouden medaille. Nieman kan hem volgen. Beeld Pim Ras Fotografgie
Niek Kimmann vliegt onbedreigd naar de gouden medaille. Nieman kan hem volgen.Beeld Pim Ras Fotografgie

Besefte u onderweg dat u de olympische titel ging winnen?

“Toen ik op kop lag, wist ik dat ik verdedigend moest rijden, maar ook snelheid moest houden. Met alle energie die ik had naar de lijn. Het stukje vanaf de laatste bult duurde voor mijn gevoel een halfuur. Ik keek ook om – dat doe ik normaal nooit. Toen ik over de streep kwam, zocht ik bevestiging. Ben ik niet toch nog ingehaald? Was het niet de halve finale of zo? Of een droom? Ik keek om me heen, ik zag mensen in het oranje juichen en schreeuwen. En mijn coach had een grote lach op zijn gezicht. Maar pas toen ik op het grote scherm mijn naam zag staan, wist ik het zeker.”

Hoe werd u de volgende ochtend wakker?

“Voldaan. Opgelucht ook wel, alsof er een last van mijn schouders was gevallen. De eerste paar dagen na de finale leef je als God, word je overal op handen gedragen en hoef je maar met je vingers te knippen als je iets wilt hebben. En in de weken erna was elke dag helemaal volgepropt, ook omdat er ook nog een WK achteraankwam. Na vier, vijf weken zat ik ’s avonds op de bank en vroeg ik me af wat ik voor de Spelen ook alweer deed als ik niks te doen had. Dan denk je wel even: o ja, dit is het. Terug naar normaal. Als ik er nu aan terugdenk, voelt het als een soort droom allemaal.”

Valt het tegen, olympisch kampioen worden?

“Nee, zeker niet. Maar dat is omdat ik deze keer niet de illusie had dat het mijn leven volledig ging veranderen. Ik ben nog steeds dezelfde persoon. Maar wat er de komende jaren ook gebeurt: ik weet dat ik het heb geflikt. Als ik er vanaf nu niks meer van bak, kan ik nog steeds als olympisch kampioen met een bak koffie op het balkon zitten.”

Blijf u BMX’en of is het de komende jaren tijd voor de overstap naar het baanwielrennen?

“Ik zie mezelf zeker op de baan rijden. Ik ben nieuwsgierig hoe ver ik kan komen. Maar vóór de Spelen van Parijs acht ik de kans niet zo groot. Drie jaar is daarvoor te kort. Ik ga niet een andere sport proberen terwijl de sport die ik nu doe zo goed gaat. Ik heb er zoveel plezier in. Frankrijk is een groot BMX-land, ik wil er in Parijs per se bij zijn. In het hol van de leeuw strijden tegen de Fransen, met een publiek dat volledig tegen je is. Zeg nou zelf: dat is toch prachtig?”

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden