Mathieu van der Poel na zijn winst in de Amstel Gold Race.

Plus Interview

Mathieu en Adrie van der Poel over het magische wielerjaar

Mathieu van der Poel na zijn winst in de Amstel Gold Race. Beeld ANP

Mathieu van der Poel (24) kende een wielerwonderjaar én ging op zichzelf wonen. Wij zochten hem en zijn vader Adrie (60), ook een wielerheld, op in het ouderlijk huis in het Belgische Kapellen.

De crossfiets die onder het afdak staat te fonkelen kan maar van één persoon zijn. De regenboogkleuren verraden de eigenaar, die er zelf nog niet is. Na zijn succesvolle voorjaar verliet Mathieu van der Poel (24) zijn ouderlijk huis in het Belgische ­Kapellen om in het nabij gelegen ’s Gravenwezel te gaan samenwonen met zijn vriendin.

Een kwartier later staat zijn Porsche Panamera GTS met nummerbord ‘MVDP 1’ op de oprit en schiet Mathieu de keuken in om twee tosti’s te maken. Voordat hij gaat trainen nemen we met vader en zoon zijn wielerwonderjaar door, in dat Vlaams-Nederlands, de Van der Poels zo eigen.

In hoeverre is dit nog thuis?
Mathieu: “Nog altijd wel. Ik kom hier sowieso één keer per week voor mijn crosstraining.”

Wat had meer impact: de Amstel Gold Race winnen of uit huis gaan?
M: “Uit huis gaan. De ‘Amstel’ is een beetje wat ik al gewoon was. ­Misschien iets groter allemaal, maar dan weet je wel wat er op je af komt. Alleen wonen was een grote stap, maar eigenlijk is het allemaal wel goed verlopen.”

Wat is er veranderd?
M: “Dat ik mijn fiets zelf moet poetsen. Dat heb ik wel een beetje van mijn vader meegekregen. Zowel met mijn fiets als met mijn auto als met andere spullen. Een vuile fiets wegzetten is ons ding niet.”

Je vertelde eerder dat je in het huishouden weinig doet.
M: “Het begint een beetje te veranderen. De was doe ik zelf, koerskleren. Een kleine moeite. Je gooit het in de wasmachine, je doet er een blokje bij en dan is het gewassen. Af en toe kook ik ook. Dat deed ik hier thuis ook wel­eens, maar voor de rest doet mijn vriendin alles. Ik ben soms wel egoïstisch, dat moet je zijn als sportman. Ik zal rap al eens iets afzeggen als ik geen zin heb, met het excuus dat ik in de zetel moet blijven liggen.”

Mis jij hem, Adrie?
A: “Het is wel een stuk rustiger. Hij bracht leven in de brouwerij. David is anders. Het is even wennen. De laatste twee jaar was hij met dat programma al niet zoveel meer thuis. We proberen op zondagavond nog altijd iets leuks te doen.”

“Bepaalde dingen gaan door. Ik zie echt nog wel of hij goed rijdt of niet. Maar als je hem constant bij je hebt, kun je aan zijn manier van doen en laten al een inschatting ­maken wat het gaat zijn. Als hij ver getraind heeft, hoe hij thuiskomt en of hij nog fris is. Ik pak hem nog wel eens achter de brommer en dan zie ik het rap.”

Vader en zoon Van der Poel geven niet zomaar hun gevoelens prijs. Ze zijn doeners, geen praters. Tuinieren, dat vinden ze mooi. De afgelopen week maakte ze met z’n tweeën de tuin van Mathieu aan kant.

Adrie, jij doet zijn tuin. Laat je daarmee zien dat je om hem geeft?
A: “Hij moet maar één ding doen en dat is fietsen. Hij moet zijn leven de komende tien jaar zo gemakkelijk mogelijk maken.”
M: “Ik heb geholpen, hè. Ik kan bij mijn huis ook een tuinman laten ­komen, maar ik heb liever dat ons pa dan komt.”
A: “Hij was aan het wegkruien. Hij moet niet harken. Een onnatuurlijke beweging, dat is heel slecht.”
M: “Kruien is wel natuurlijk?”
A: “Als ik dit werk doe, ga ik altijd naar de masseur toe. Die zei: laat hem dat niet doen, gewoon niet goed.”

Mathieu, denk jij daar over na?
M: “Eigenlijk niet. Maar ik was blij dat ik geen cross had het weekeinde erop. Als ik dan de dag nadien een beetje last heb van mijn rug, lig ik daar niet wakker van. Ik vind het heel leuk om in de tuin te werken. Je ziet heel rap het verschil, het geeft voldoening en het is arbeidsintensief werk. Mijn auto’s poetsen doe ik eigenlijk ook altijd zelf. Ik weet dat het niet het beste is. Als ze me dat afpakken, heb ik misschien het perfecte sportleven maar kan het zijn dat het zich niet vertaalt in resultaten, omdat ik niet heel gelukkig ben.”

Nog voordat Mathieu aan zijn voorjaar op de weg begon, werd hij in het Deense Bogense wereldkampioen veldrijden. Vier jaar na zijn eerste wereldtitel; daartussen moest hij de regenboogtrui laten aan zijn grote ­rivaal Wout van Aert. “Ik ben blij dat het terug gelukt is. Het is één wedstrijd en daar werd ik op afgerekend de voorbije jaren. Het is frustrerend als je de beste bent en dat wordt niet verzilverd. Dat deed pijn.”

Beeld AFP

Was je nu goed?
M: “Nee, niet super.”
A: “Ik had het na een halve ronde al door. Het draai­de niet zoals het moet. Het kan de vorm geweest zijn, ook de stress. Hij heeft wel gewoon gereden zoals hij moet rijden. Op kop. En anderen tot fouten dwingen.”

Op het dressoir staat een finishfoto van het WK. Terwijl in de huiskamer verder weinig herinnert aan de successen van Mathieu of Adrie. Aan de muur foto’s van de groot­ouders en van Mathieu en zijn oudere broer David als kinderen op het strand. Boven de eettafel een getekend familieportret met moeder Corinne, de kinderen en Adrie in zijn regenboogtrui als wereldkampioen veldrijden in 1996. De 26 kampioens­truien (veld, weg, mountainbike, alle NK’s, EK’s en WK’s door de jaren heen) van Mathieu hangen in de naastgelegen kamer, waar ook de spelcomputer staat.

De reactie van Van der Poel na het WK veldrijden:

Dat die foto van het WK hier staat, zegt dat iets over hoe prestigieus die titel was?
M: “Een kampioenschap is sowieso belangrijk, maar wij hangen niet ­zoveel in huis. Ik heb twee WK-truien op de muur bij de entree, maar het is niet zo dat je bij mij overal trofeeën ziet. Voor mij is de grootste trofee de overwinning zelf en de herinnering eraan. Het mooiste aan wereldkampioen worden is eigenlijk dat je elke dag die trui aan kunt doen.”

Het is de reden, Adrie, dat jij jouw wereldtitel veldrijden hoger rangschikt dan de zege in de Ronde van Vlaanderen.
A: “Vlaanderen is veel groter, ­natuurlijk. Maar het leuke van ­wereldkampioen zijn is dat je er een jaar lang aan wordt herinnerd. Het is gewoon iets moois. Op de weg was ik er een keer dichtbij (in 1983 werd Van der Poel als 24-jarige tweede, red). Wat voor een impact dat heeft, had ik al op vrije jonge leeftijd door.”

Onuitwisbaar

Een maand na zijn laatste veldrit ­begon Mathieu van der Poel in maart aan zijn klassieke voorjaar. In zijn eerste wedstrijd, ­Nokere Koerse, viel hij hard en werd hij in een ambulance afgevoerd. Vier dagen later won hij GP de Denain, erna werd hij vierde in Gent-Wevelgem en de Ronde van Vlaanderen en won hij Dwars door Vlaanderen, Brabantse Pijl én de Amstel Gold Race.

“Het is boven verwachting gegaan. Het was mijn eerste klassieke voorjaar, ik wist niet wat ik moest verwachten. Had niet zozeer schrik van op de beslissende momenten niet mee te kunnen, omdat ik weet: Kwaremont of Paterberg, dan zal ik altijd mee zijn. Het is vooral de afstand, als je dat na 250 kilometer nog eens moet doen. Toch heb ik in de Brabantse Pijl het diepst moeten gaan. Op het tandvlees, maar dan heb ik het voordeel: hoe dichter ik bij de meet kom, hoe beter ik dat voor elkaar krijg.”

Beeld ANP

Je viel vaak aan van ver. Van 60 of zelfs 80 kilometer, in de Gold Race een mislukte aanval op de Gulperberg op 45 kilometer. Heb jij het wielrennen veranderd?
M: “Die aanval in de Amstel mislukte, omdat ik alleen was en niemand anders mee durfde te koersen. Dat vind ik jammer. Als je naar koersen van vroeger kijkt, rijden die groten echt tegen elkaar. Dat vond ik eerlijker en mooier. Ik vind het heel raar dat er niemand anticipeert.”

Maar nogmaals. Is het wielrennen anders met Mathieu van der Poel?
M: “Misschien wel, ja.”

Wat denk jij, Adrie?
A: “Niet echt. Laten we zeggen dat dit jaar alles de goede kant uit viel. Door zijn manier van aanvallen. Volgend jaar wordt zijn klassiekerseizoen een stuk moeilijker. Er gaan er heel veel hun koers afstemmen op Mathieu. Hij moet ervoor waken dat andere ploegen hun meerderheid kunnen uitdrukken in het koersverloop.”

Is het antwoord niet gewoon: ja. Als anderen hun koers aanpassen aan jou, dan heb je het wielrennen veranderd?
M: “Daarom zeg ik: misschien wel, ja. Er zijn veel renners die op voorhand weten wanneer ze gaan. Dat heb ik dus helemaal niet. Al mijn aanvallen zijn op het moment zelf beslist. Net zoals in de Amstel. Op dat vlak koers ik anders dan de meesten.”

Was het een wanhoopspoging, die aanval in de Amstel van twaalf kilometer?
M: “Wanhoop? Nee. Je bent gewoon aan het demarreren. Het was Bjorg Lambrecht die ik als eerste bijhaalde, later kwam Alessandro De Marchi aansluiten. We waren met een stuk of zes. Ik weet nog goed dat op het stuk na de Bemelerberg, wat niet zo goed in beeld is gebracht, de groep voorbeeldig rond heeft gedraaid. Pas daarna deed ik vooral het kopwerk. Ik was niet bezig met wie er in mijn wiel zaten, maar meer wie er voor mij kwamen. Ik probeerde zo goed mogelijk in te schatten wanneer ik mijn sprint moest aangaan. En als je gaat sprinten met bijna 70 per uur, weet je dat er niemand meer over gaat komen. Maar normaal gezien is het gewoon van te ver, waar ik ga.”

Adrie, had je ooit zoiets gezien?
A: “Nou, niet in een eendagswedstrijd. In een etappekoersje gebeurt wel eens dat ze op het laatst overrompeld worden door een peloton. Uiteindelijk zat die dag alles mee. En hij dwingt het zelf af. Je kunt ook zeggen: ik demarreer niet meer en ik blijf in die groep en denken: mijn voorjaar is goed geweest.”

De Amstel Gold Race was meteen de laatste wedstrijd van het voorjaar van Van der Poel. Nog geen maand later begon hij aan zijn mountainbikecampagne en won hij drie wereld­bekerwedstrijden plus de Europees titel. Veelal buiten het zicht van het grote publiek, maar dat deert Van der Poel niet. ,,Als ik puur zou moeten kiezen wat ik het leukste vind, zou de weg daar niet bij zijn. Ik geef eerlijk toe dat ik in het mountainbike veel meer plezier vind dan in het klassieke wielrennen.

“Mijn eerste wereldbekerzege, in Nove Mesto, stond bij mij heel hoog aangeschreven. Omdat ik er drie jaar over heb gedaan om eindelijk (de Zwitser, red.) Nino Schurter te kloppen. Hij is zeven of acht keer wereldkampioen. Het was nog niet vaak voorgekomen dat ik drie jaar lang iemand voor me moest dulden.”

Je hebt altijd gezegd dat je zult blijven crossen, maar zie je ook nog een combinatie met de weg en mountainbike voor je?
M: “Nee. Als je echt een grote ronde wilt rijden, is het niet mogelijk daartussen ook nog wereldbekerwedstrijden te pakken.”

Wordt 2020 dan je laatste jaar als mountainbiker?
M: “Misschien wel, ja. Ik heb altijd gezegd dat de Spelen de afsluiter zouden kunnen zijn. Ik moet op een gegeven moment kiezen. Op de mountainbike heb ik nog twee grote doelen: wereldkampioen en olympisch kampioen worden.”

“Kijk als ik niet goed op de weg of de mountainbike zou zijn geweest, was het uiteraard wel een doel geweest om te proberen die cross­records van Sven Nys te breken en tien keer de Superprestige te winnen. Maar omdat ik nog veel meer doelen heb, is het voor mij niet relevant. Dan win ik ’m liever drie keer en de Ronde van Vlaanderen erbij.”

Je hebt jarenlang met een winnaar van de Ronde van Vlaanderen samengewoond. Hoe zou je het palmares van Adrie omschrijven?
M: “Indrukwekkend. Zeker nu je die wedstrijden zelf hebt gereden, weet je hoe moeilijk het is.”

Kun je het evenaren?
M: “Ik ken zijn palmares niet van buiten, maar ik denk wel dat ik de capaciteiten heb om het ooit te evenaren. Maar aankomend jaar het even goed doen als in 2019 is al moeilijk. Het is een uitzonderlijk jaar geweest op de weg. Om een koers te winnen moet alles meezitten. Als je één koers wint, rij je met vertrouwen rond en volgt er vaak nog een tweede. Maar ik moet ambiëren bij de laatsten over te blijven in een klassieker.”

Mathieu van der Poel samen met zijn vader Adrie tijdens zijn huldiging in het gemeentehuis nadat hij wereldkampioen veldrijden werd in 2015. Beeld ANP

Adrie, jij hebt op jouw beurt gezegd dat je Mathieu in staat acht de vijf ‘monumenten’ te winnen. Terwijl hij er nog niet één won.
A: “Nou, ik wil wel even zeggen dat met zestig Gold Races die onderhand ook wel bij de monumenten hoort. En dat zeg ik niet omdat hij ’m won.”
M: “Ronde van Vlaanderen of ‘Amstel’ is een beetje hetzelfde niveau. De ene noemt men een monument, de ander niet, maar als je ’m wint is de ­euforie er niet minder om.”

Mogen we nog even de pijn van het seizoen aanraken?
M: “Het WK op de weg.”

Wat gebeurde daar nou?
M: “Gewoon volledig leeg. Ineens het licht uit. Maar ik heb het daar niet zo moeilijk mee gehad. Erna kwam wel het besef dat als ik iets meer had kunnen drinken of eten, ik er misschien dicht bij was geweest. Maar ik mag trots zijn. Alle andere topfavorieten lieten zich zo goed als niet zien.”
A: “Zogenaamde kenners zeggen: dom koersen, dit en dat. Maar als de winnaar uit die groep komt, moet je mij even duidelijk maken waarom hij dom gekoerst heeft.”

Adrie was na de finish eerder bij het hotel en zei: ‘Misschien maar goed ook dat hij niet won. Anders lukt alles bij de eerste keer.’
M: “Onzin. Ik had het veel liever al wel gehad. Je krijgt misschien wel dat de voldoening nog groter is als je er een aantal jaar voor moet vechten. Maar voor hetzelfde geld win ik nooit meer een wereldtitel op de weg.”

“Ik had de benen en capaciteiten om te winnen. Ik heb achteraf de film teruggekeken. Het was zes graden gemiddeld, die dag. Aldoor regen, dat maakte ik ook nog nooit mee. Echt ijskoud. Jongens die drie regenjassen moesten gaan halen. Alaphilippe kwam met mij praten, half wedstrijd, die z’n ogen! Die keek dwars door mij heen. Die was toen al klaar.”

Deed jij te vroeg je regenjasje uit?
M: “Achteraf gezien wel. Ze begonnen op de plaatselijke omloop al zo hard te koersen dat ik dacht: dit is het moment om het uit te doen. Anders ga ik mezelf opstoken. En een ronde later gaat de koers terug op slot en vat ik kou. Ik ging een paar keer naast Niki Terpstra rijden en vroeg: zou ik al gaan? Omdat ik het koud had en om het weer warm te krijgen. Kleren terug aandoen was ook niet echt een optie, want alles was zeiknat.”

Dan zit je op dat hellinkje en gaat het licht uit. Omschrijf dat is.
M: “Alsof je wat misselijk wordt. Heel raar, mijn benen stopten voor mijn hoofd. Het was echt van de ene op de andere seconde gedaan.”

Papi

Naast de euforie van een succesjaar was er in huize Van der Poel ook het verdriet na het overlijden van Raymond Poulidor. Franse wielerlegende, met zeven etappezeges in de Tour en drie keer tweede in het eindklassement. Maar bovenal vader, schoonvader en opa. Vol lof over Adrie en groot­ste fan van kleinzoons David en Mathieu.

Als zijn overlijden ter sprake komt, oogt Adrie aangedaan. Het gezin Van der Poel zat op 19 november in de ­afgeladen kerk van Saint-Léonard-de-Noblat, de uitvaart werd uitgezonden op de Franse tv.

M: “Maar met zo’n dienst heb ik niet echt een gevoel. Het is sowieso kut. Of er nou duizend man staan of twee. Mijn laatste herinneringen aan hem zijn heel blij. Dat maakt het wel makkelijker. Ik ben bewust niet meer naar hem gegaan toen hij zo slecht was. ‘Papi’ was meer dan een coureur. Hij heeft eens mooi gezegd: er is overal een Poulidor. In elke sport. Als je altijd tweede wordt, word je in elke sport Poulidor genoemd. Dat betekent wel iets.”

Adrie van der Poel in 1999 (l) en zoon Mathieu in 2016 (r). Beeld AFP

Wat is de meest wijze les die je van je opa hebt geleerd?
M: “De manier waarop hij omging met iedereen. Dat zou een les voor alle renners moeten zijn. Om altijd zo vriendelijk, sympathiek en open mogelijk te zijn. Er is geen enkele ­andere sport op dat niveau waarbij je bij wijze van spreken de toppers kunt aanraken. Dat is de charme van onze sport.”

Dat is ook wel iets wat jullie van huis uit is meegegeven: normaal doen.
A: “Er staat altijd een horde supporters voor de camper. Het is de andere kant van de medaille. Wij zijn er om zo goed mogelijk te presteren, maar je moet ook begrijpen dat je mensen pleziert. Hoe simpel het ook is, met een gebaartje.”

Ga je van verdriet harder fietsen?
M: “Van geluk wel, maar van verdriet niet. Ik heb wel af en toe aan hem gedacht tijdens de wedstrijden, maar ik denk niet dat het bevorderlijk was.”

Heb jij je ooit bedacht wat er gebeurt, mocht jij ooit een rit in de Tour winnen? Dan ben je niet ­Mathieu van der Poel.
M: “Nee, dan is het ‘de kleinzoon van’ natuurlijk. Dat vind ik misschien wel het ergste, dat hij er niet meer zal zijn als ik ooit de Tour rijd.”

Wijlen Raymond Poulidor (links) dit jaar met rechts naast hem schoonzoon Adrie en zijn kleinzoons David en Mathieu van de Poel (rechts). Beeld Twitter David Van der Poel
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden