PlusInterview

Dylan Groenewegen: ‘Die Amsterdamse bluf zit er wel een beetje in’

Dylan Groenewegen viert zijn overwinning in de vijfde etappe van de Tour of Britain 2019.Beeld Getty Images

Boven op de apenrots van de sprinters staat Dylan Groenewegen. Door zijn Amsterdamse bluf, maar vooral dankzij snelle benen. En omdat hij altijd, maar dan ook altijd, de beste wil zijn. 

En ineens valt ie door de mand. Zonder koers, zonder trainingskamp en zonder excuus zien ze thuis ineens hoe weinig hij uitvoert. Eén taak kreeg Dylan Groenewegen (26) in deze koers­loze maanden: het gras onderhouden. Het moest gesproeid en gemaaid worden. Klinkt als veel werk, maar in de praktijk valt het nogal mee. “De sproeier hoef ik alleen maar aan te zetten, die gaat vanzelf. En er komt zo iemand langs om een robotmaaier te installeren.”

Typisch een sprinter. Anderen laten werken en zelf met de eer gaan strijken.

“Zeker.”

De meeste sprinters zijn verslaafd aan winnen. Hoe is dat voor jou in deze periode?

“Het is een gekke tijd. Niet alleen voor wielrenners, maar voor heel de wereld. Natuurlijk zou ik het liefst mijn rugnummer opspelden en gewoon koersen, maar dat gaat nu niet. Niemand weet hoelang het gaat duren, dat maakt het lastig. Maar ik ben fit en gezond. Ik train, ik houd mijn conditie op peil, maar ik doe niet te gek.”

Is een Porsche kopen dan juist niet iets te gek?

“Die Porsche was een cadeautje aan mezelf. Ik werk er hard voor, vind het mooi om kotsend langs de weg te staan bij trainingen – en beloon mezelf af en toe. Dat is mijn manier van werken. Ze moeten er wel om lachen bij de ploeg. Typische Amsterdammer, zeggen ze dan.”

Wat is een typische Amsterdammer?

“Ik vind een beetje show en bluf wel mooi. Ik heb wel eens een karaktertest gedaan bij de ploeg. Daar kwam uit dat ik een arrogante klootzak was. Zo zei Merijn (Zeeman, zijn ploegleider, red.) het. Dus ja: die Amsterdamse bluf zit er wel een beetje in. Moet je ook wel hebben als sprinter.”

Hoe is dat, die druk? Tweede plaatsen tellen niet – er zijn zat sprinters die eraan onderdoor gaan.

“Best lastig soms. Er wordt van een sprinter altijd verwacht dat ie wint, of het nu in de Tour is of in de Ronde van Valencia. Elke wedstrijd weer die druk. De ploeg rijdt voor je op kop, in je nek hijgen zeven andere sprinters die ook moeten winnen. Als klimmer kun je het iets meer zelf afdwingen, in een sprint moet alles kloppen.”

Twijfel je weleens? Kun je wakker liggen van een verloren sprint?

“Ik kan wel heel boos zijn op mezelf. Als ik een sprint verlies die ik eigenlijk had moeten winnen, kan ik wel even een nacht denken: hoezo maak ik deze fout? Neem bijvoorbeeld de laatste sprint in de Ronde van Valencia, tegen Fabio Jakobsen. Ik had hem al twee keer geklopt, maar in de laatste etappe zat ik te dicht op zijn wiel waardoor ik een zwieper kreeg toen hij aanging. Was ik echt pisnijdig op mezelf.”

Wacht even. Je slaapt al slecht omdat je een ritje in de Ronde van Valencia verliest?

“Al zou het een koersje zaterdagmiddag op Sloten zijn.”

Smijt jij met dingen als je verliest? Je fiets?

“Dat durf ik niet meer. In de jeugd heb ik het een keer gedaan. Ik zette mijn fiets iets te hardhandig tegen een stoeltje aan, smeet met mijn helm en mijn handschoenen. Mijn vader kwam naar me toe en zei: als je dit nog één keer flikt, fiets jij nooit meer.”

Was jij er in de jeugd al mee bezig dat je prof wilde worden?

“Ja. Eerst voetbalde ik ook: als spits, een luie donder. Ik wilde alleen doelpuntjes maken. Toen ik zes was, deed ik mee aan een dikke­bandenrace; ik won een beker. Dat wilde ik elke week wel. Op mijn zevende werd ik tweede op het NK. Toen wist ik dat ik prof zou worden.”

Was je toen al sprinter?

“Ik dacht eigenlijk dat ik klimmer zou worden. In het clubparcours van Sloten zit een viaductje, daar reed ik altijd snel op. Dus ik dacht: ik word later klimmer. Pas bij de beloften besefte ik dat ik geen echte klimmer was. Daarna heb ik nog lang gedacht dat ik een type was voor de Amstel Gold Race. Of een klassiek type. Dat kan altijd nog trouwens, misschien. Ik sluit niet uit dat ik ooit nog voor Parijs-Roubaix wil gaan. Maar voorlopig kies ik voor het sprinten. Want dat geeft gewoon een ongelofelijke kick.”

Zijn er in het peloton snellere sprinters dan jij?

“Op dit moment niet, nee. Caleb Ewan is lichter, die is beter als het steil omhoog loopt. Maar qua snelheid alleen een goeie Gaviria. Als die in vorm is, zijn we heel erg aan elkaar gewaagd.”

Eerlijk zeggen: kon jij blij zijn voor Mike Teunissen toen hij vorig jaar de eerste Touretappe won? Die waar jij maanden naartoe had geleefd?

“Ja, zeker. Ik had ’m graag gewonnen, maar ik weet wat Mike er allemaal voor doet en hoe vaak hij er voor mij staat. Ik heb heel veel aan hem te danken.”

Je hebt je contract verlengd tot eind 2023, vlak nadat bekend werd dat Dumoulin óók naar Jumbo-Visma kwam. Heb jij toen niet gedacht aan vertrekken?

“Nee. Het is alleen maar goed voor de ploeg. Ik heb niet heel lang nagedacht om te verlengen. Deze ploeg is mijn beste optie om op hoog niveau te presteren.”

Ben je niet bang dat de focus op al die klassementsmannen ten koste gaat van jouw kansen als sprinter?

“Nou, in de Tour van dit jaar – als die doorgaat – heb ik niks te zoeken. Zit ik alleen maar in de grupetto en kan ik misschien drie keer sprinten. Dan is de Giro met zeven, acht sprintkansen interessanter. Maar dat kan volgend jaar anders zijn.”

“Als er volgend jaar in de Tour zes of zeven sprintkansen zijn, dan gaan ze mij niet thuislaten. Maar je kunt niet met Stevie (Kruijswijk) én Tom (Dumoulin) én Primoz (Roglic) én mij als sprinter naar de Tour. Het is lastig met vier kopmannen. Maar je hebt ook nog de Giro en de Vuelta. Wij willen overal scoren als ploeg.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden