Plus

De voetbaljaren van Sjaak Swart: binnendoor en buitenom

'Mister Ajax' Sjaak Swart is dinsdag 80 jaar geworden. Ter gelegenheid daarvan verschijnt het boek Sjaak Swart 80, een overzicht van zijn glansrijke carrière. Een voorpublicatie.

11 november 1968: Johan Cruijff en Sjaak Swart trainen voor de Europacupwedstrijd tegen Fenerbahçe Beeld Ron Kroon

Sjakie, Sjakie", klonk het veelvuldig in De Meer. Swarts naam werd meer dan welke andere ook gescandeerd door de Amsterdamse aanhang, die gek was met zijn troetelspits op de rechtsbuitenplaats. Hij was een technische en ijverige aanvaller en nooit te beroerd om verdedigend werk op te knappen.

Hij was een alleskunner met een puike voorzet, die ook zelf gemakkelijk het net wist te vinden.

Maar toch, toen Ajax eind jaren zestig ook in Europa de dienst ging uitmaken, kwam Sjakie Swart in de schaduw van Piet Keizer en vooral Johan Cruijff te staan. De soms geniale linksbuiten en Jopie de hemelbestormer werden gezien als de aanvalsleiders in de mars naar de Europese top.

Loyaal
Binnen Ajax stond Swart als routinier in hoog aanzien. Hij was loyaal aan de club, sociaal ­tegenover zijn clubgenoten en beschikte over niet geringe voetbalkwaliteiten. Maar hij was niet de baas. Bazen had Ajax in Cruijff en Keizer, in de geslepen Joegoslavische libero Velibor ­Vasovic en in Henk Groot.

Met de technisch begaafde spelverdeler uit de Zaan had Sjaak al vroeg een speciale band. Groot, rechtsbinnen, en Swart, rechtsbuiten, waren in de vroege jaren zestig een paar apart in de vijfmansvoorhoede.

"Henk was m'n maatje, we voelden elkaar vreselijk goed aan. Had ik de bal en zag ik Henk gaan, dan wist ik precies waar en wanneer ik 'm moest geven. Man, man, wat kon die Henk koppen.

Op zijn 31ste was het gedaan met de voetballer Groot, terwijl leeftijdgenoot Swart juist aan zijn gloriejaren begon.

In 1973 liep de vriendschap tussen Henk en Sjaak ernstige averij op toen Groot, als influisteraar van de onder curatele gestelde trainer Stefan Kovacs, Swart in de Europa Cupfinale tegen Juventus op de bank hield.

34-jarige
Als lid van de technische commissie had Groot een klusje opgeknapt waar geen bestuurslid, speler of trainer zich aan wilde wagen. Johnny Rep zat Swart op de hielen en bij Ajax was men van mening dat de 34-jarige rechtsbuiten zijn plaats moest afstaan aan het alternatief van 21 jaar oud.

Maar omdat de eerzuchtige Swart zelfs niet met Rep wenste te rouleren, werd Groot ­gevraagd zijn ouwe maatje onder druk te zetten.

Dat Henk hem min of meer dwong zijn ­afscheid aan te kondigen was al erg genoeg, maar dat hij hem op 30 mei 1973 in Belgrado ­buiten de ploeg hield die - door een vroege kopgoal van Rep - zijn derde opeenvolgende Europa Cup won, heeft Sjaak hem nooit vergeven.

19 maart 1967: Ajax-Go Ahead 4-1. Johan Cruijff (9) heeft gescoord en viert met Sjaak Swart Ajax' 100ste goal van het seizoen Beeld Jac. de Nijs

"Nee, ik heb daar met Henk niet over gesproken. Ik wil het er ook niet meer over hebben. Hij had zijn gabber nooit mogen passeren."

Koppen tegen elkaar
De grote helden bij Ajax werden Keizer en Cruijff. Swart had er geen moeite mee. Hij stond graag in de belangstelling, maar kon goed begrijpen dat de geniale ingevingen van Pietje en Johan zo tot de verbeelding van ­publiek en media spraken.

"Pietjes techniek was fabelachtig. Hij deed dingen waar je bek van openviel. Je zag meteen aankomen dat hij een grote ging worden. Alleen had hij niet altijd zin om te voetballen. Achteraf denk ik dat het flegmatieke van Piet misschien toch iets te maken heeft gehad met dat kopongeluk met André Pijlman."

Swart doelt op de botsing van 25 maart 1964, tijdens de bekerwedstrijd DWS-Ajax (1-2), die tot in de nok van het Olympisch Stadion te horen was geweest. Koppen tegen elkaar.

Loos alarm
Bij Keizer moest een bloedprop in de hersenen operatief worden verwijderd, door Amsterdam ging zelfs even het gerucht dat de onfortuinlijke links­buiten bij de ingreep het leven had gelaten.

Swart: "Wat een paniek, godzijdank bleek het loos alarm. Maar het duurde lang voor Piet er weer bovenop was. Hij kwam terug als een ander mens. Onverschilliger, als het om voetbal ging."

11 november 1968: kaarten voor de wedstrijd tegen Fenerbahçe. Vanaf links: Ton Pronk, Velibor Vasovic, Henk Groot, Johan Cruijff en Sjaak Swart. Rechtsonder Heinz Stuy Beeld Ron Kroon

Swart had de mens Keizer net zo hoog zitten als het voetbalgenie. "Piet had zijn voorkeuren. Als hij je niet mocht, kon hij je straal voorbij­lopen, zonder je een blik waardig te gunnen. Maar hij was een lieve, zachtaardige man. Hij nam het altijd op voor zwakkeren. En hij hielp jongere ploeggenoten waar hij maar kon."

Boetepot
Het overlijden van Keizer, op 10 februari 2017, was voor Swart een nieuwe dreun na het wegvallen van Cruijff nog geen jaar daarvoor, op 24 maart 2016. Sjaak was een ­balletje aan het trappen bij Zeeburgia toen zijn zakenpartner Bram Haverkamp de onheilstijding kwam brengen. "Bram zei: 'Johan is overleden, Sjaak.' Ik: 'Welke Johan?' Ik wist dat het eraan zat te komen, maar kon het toch niet geloven."

"Ronald Koeman belde me: 'Ik ga naar Barcelona en jij moet mee.' Ik moest vliegen, maar ik wilde niet meer vliegen, nooit meer. Toch ben ik gegaan, in een klein toestel, zo eentje voor zes personen. Ik dacht: als dit het einde wordt, dan moet 't maar. Ik ben blij dat ik ben gegaan, heel blij. Ik heb daar nog met Danny en Jordi gesproken. Dat was moeilijk, maar ook heel bijzonder."

Sjaak kende Johan van kinds af aan. "Ik ging al bij 'm kijken in de welpen. Omdat het zo mooi was om te zien hoe dat kleine gassie zo vijf man voorbijging. Johan stond ook te kijken bij onze trainingen en dan trapte hij alle verdwaalde ­ballen terug."

Cruijff was nog een scharminkel met nauwelijks spierkracht in het jongenslijf toen de mannen van Ajax hem in hun midden opnamen. "Hij was veruit de kleinste en hij had de grootste mond van allemaal. Hij pingelde zich soms een ongeluk. Dan liepen we voor joker met hem mee, maar dat werd hem meestal vergeven.''

Babbelen
''We mochten hem veel te graag. Johan had geen sterallures, hij was gewoon een leuke gozer. En dat veranderde ook niet toen hij een wereldster werd. Tegenover ons ging hij ook niet anders doen toen het voetbal zakelijker werd. Hij werd niet harder of zo. Het bleef altijd ­lachen, gieren, brullen."

"En hij bleef maar babbelen hè. God, wat kon die gozer lullen. Hij redde zich uit elke situatie met z'n onnavolgbare babbel. Schelden kon ie ook goed. Aan het einde van het seizoen werd er altijd gespeeld om de boetepot. Daar zat al gauw een paar duizend gulden in en Johan had met z'n grote mond het meeste ingebracht. ''

''Hij ging er dan vreselijk voor vechten om zo veel mogelijk van die poen terug te verdienen. Dan liep ie me toch te tieren. Vooral als ie met Pietje ­tegen mij en Henkie moest. Twee tegen twee met kleine goaltjes. Van ons viel haast niet te winnen, want Henkie en ik waren snel in het omschakelen en heel goed met een-tweetjes."

Dinsdag verschijnt Sjaak Swart 80, geschreven door Jaap Visser en Matty Verkamman.

Het boek wordt zaterdagmiddag 7 juli (vanaf 16.00 uur) bij boek­handel Scheltema op het Rokin feestelijk gepresenteerd, in het bijzijn van onder anderen Freek de ­Jonge, Bennie Muller, Simon Tahamata, Frank ­Rijkaard en Frank de Boer.

'Ik mis hem Johan, ik begreep 'm zo goed'

"We lijken wel aan het dansen op die foto, mooi zeg. Ik mis hem, Johan, ik begreep 'm zo goed. Ik snapte altijd wat hij bedoelde, op het veld wist ik precies wat ie wilde. Johan vertrok en ik wist hoe ik 'm de bal moest geven. En waar. ''

''We maakten ooit een prachtige goal, volgens mij in de voor­bereiding tegen een ­Engelse club. Misschien wel de mooiste die we samen hebben gemaakt.''

''Ik kreeg van ­achteren een pass van Suurbier, ik dreef 'm één stappie voor me uit en toen erlangs, op volle snelheid en meteen een strakke jongen over de twee centrumverdedigers. Johan nam 'm mee met de hak, buitenkant rechts, om 'm vervolgens met links, een volley, af te maken. Heerlijk."

"Ik wist hoe ik op zijn ballen moest reageren. Dan week hij uit naar links, liet Pietje zich wat zakken en ging Mühren naar binnen. Gaf ie een voorzet met buitenkant rechts en dan kwam ik voor de goal. Ach jongen, we wisten zo goed wat we aan elkaar hadden, Pietje, Johan en ik. Maar wat wil je, we hebben ruim acht seizoenen samen­gespeeld en samen ­getraind."

Vriendenploeg
Vrienden waren ze, de voetballers van Ajax 1 die elkaar al kenden vanuit de jeugd. Op vrijdagavond gingen ze biljarten in hotel Suisse in de Kalverstraat. Swart: "Ik ben een paar keer kampioen ­geworden, maar Bennie was de beste, in libre dan. Hij kon een serie van zestig maken. Pietje was heel goed in driebanden. Cruijff? Johan was een van de minsten, maar hij wist ons wel te vertellen hoe wij de ballen moesten raken."

"Na de wedstrijd gingen we vaak een lekker hapje eten in de stad. Met de vrouwen. Daarna gingen sommige jongens nog door, zonder de vrouwen. Ik ging naar huis. Ik was een bloedserieuze jongen, geen nachtbraker. Ik heb echt ­geleefd voor mijn sport. Dat doe ik nog."

Wanneer bij Ajax twee keer op een dag werd getraind, knepen de vrienden er tussen de middag vaak even tussen­uit. Gingen ze de stad in voor een broodje kroket bij Van Dobben in de Korte ­Reguliersdwarsstraat.

"Met Johan, Bennie, Wimpie Suurbier, Krol en later ook Neeskens was het dan lachen, gieren, brullen. We vergaten meestal de tijd en moesten dan racen naar De Meer om op tijd terug te zijn voor de tweede training. Hard rijden heb ik altijd ­gedaan, ik kan niet ­anders. Wij waren minstens net zo erg. Wij flitsten overal tussendoor. Ik ga nog steeds binnendoor en buitenom, alsof ik op het veld sta. Dan ben je bijna 80 en rij je nog als een bezetene. 'Doe effe normaal klootzak,' roep ik soms tegen mezelf."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden