PlusGeschiedenis

De Spaanse Griep? Ajax voetbalde gewoon door

In 1918 werd Ajax voor het eerst kampioen. Het feest wordt gevierd met de spelersvrouwen. De Spaanse griep begint dan net aan zijn opmars.Beeld Ajax Images

In 1918 stierven 60.000 Nederlanders, onder wie verschillende voetbalprominenten, aan de Spaanse griep. Links en rechts werden wedstrijden afgezegd maar Ajax bleef gevrijwaard en werd zelfs kampioen.

Augustus 1918. Ajax mag zich sinds 9 juni voetbalkampioen van Nederland noemen en doet tijdens het zomerreces wat wel meer clubs doen: een atletiektoernooi voor voetbalclubs organiseren. Op 11 augustus is Ajax gastheer aan de Middenweg 86. De prestaties van de Ajacieden zijn matig, maar dat heeft wel een reden, zo meldt verenigingsperiodiek Ajax Clubnieuws vier dagen later.

‘De meeste rood-witte inschrijvers trokken zich terug, als gevolg van de Spaansche ziekte, die een ernstig beletsel bleek voor de deelneming van tal van athleten.’

Daar duikt hij voor het eerst op in de clubannalen: de griep die een moordende pandemie zal worden, ietwat misleidend vernoemd naar het land waar de pers er als eerste over berichtte. Het lijkt vooralsnog om een relatief mild virus te gaan dat bovendien, na een piek in het voorjaar, al op zijn retour lijkt.

Geen vriendelijk virus

Oei, denk je met de kennis van nu, Ajacieden met de Spaanse griep, maar de redactie windt zich meer op over de teleurstellende vierde plaats op het eigen atletiek­toernooi: ‘Resumeerende, dus alweer geen succesdag voor de Ajacieden.’

Wat de griepreferentie in het clubblad bijzonder maakt: het is de eerste, maar ook bijna de laatste. Naar de ‘Spaansche ziekte’ wordt in 24 edities van Ajax Clubnieuws welgeteld drie keer verwezen, geen enkele keer uitgebreid, eerder terloops, bijna schouderophalend. Ajax lijkt wel immuun en bereidt zich in oefenpotjes vrolijk voor op het seizoen 1918-1919.

Het contrasteert nogal met de coronatoestand van nu, terwijl de Spaanse griep toch bepaald geen vriendelijk virus was. Volgens de voorzichtigste schatting maakte de pandemie 17 miljoen slachtoffers. Dat is bijna tweemaal zoveel als er vielen tijdens de hele Eerste Wereldoorlog, die op 11 november 1918 plotseling stopte, op de piek van de grieppandemie. Naar schatting dertig procent van de wereldbevolking liep het virus op: 500 miljoen besmettingen op een wereldbevolking van 1,7 miljard. De meest vergaande schatting: 100 miljoen doden.

Virus muteert

In Nederland overleden 21 duizend patiënten aan de griep en nog eens 38 duizend aan de vaak voorkomende nasleep ervan: een genadeloze longontsteking. Een slordige 60 duizend doden dus, op een bevolking van 6,6 miljoen mensen.

Wat de Spaanse griep nog angstaanjagender maakte, was het feit dat hij juist jonge mensen doodde. De sterftekans was het grootst als je tussen de vijftien en veertig jaar oud was. Patiënten overleden niet zelden aan het verschijnsel cytokinestorm: hun op hol geslagen immuunsysteem joeg ze de vernieling in, juist omdat het krachtig was. Ze kregen eerst roodbruine vlekken rond de jukbeenderen en daarna ‘blauwzucht’ als aankondiging van de dood. Artsen stonden machteloos.

De Spaanse griep hield het ergst huis in de noordelijke helft van Nederland, in landelijk Drenthe en de Twentse industriekernen. Van de grote steden in het westen was Amsterdam de voornaamste brandhaard. En dan schrijft juist een Amsterdamse voetbalvereniging, een club van jonge, sterke kerels, er vrijwel niets over in het clubblad? Hoe kan dat?

Voor de eerste negen maanden van het jaar valt dat nog te begrijpen. De ziekte duikt op in de Verenigde Staten, lijkt uit te doven, maar komt in maart met de grootscheepse troepentransporten mee naar Europa, waar de eerste meldingen van een dodelijke soldatengriep in mei opduiken in het neutrale Spanje. Het eerste bericht in de Nederlandse pers volgt snel.

De ellende begint pas goed als het virus muteert en in oktober weer oplaait, nu veel dodelijker. Van een landelijk beleid is in Nederland geen sprake. De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten. Rotterdam en Den Haag sluiten de scholen, Amsterdam niet, een beleidsverschil dat overigens geen invloed op het verloop heeft.

De griep raakt nu ook het voetbal. In steden als Wageningen en Almelo kondigt de gemeente een voetbalverbod af. In het westen van het land hebben clubs als Haarlem, DFC en Hercules moeite een gezond elftal op de been te brengen en worden veel wedstrijden afgeblazen. Het zijn lokale besluiten, want de Nederlandsche Voetbalbond (NVB) peinst niet over een algehele stop. Clubs met veel zieke spelers kunnen een verzoek tot uitstel indienen. De bond is er niet scheutig mee.

Ajax ontspringt de dans

Ajax voetbalt ondertussen alsof er niets aan de hand is. En goed ook: de ploeg is nauwelijks te stoppen en dendert als een stoomwals op titelprolongatie af. In oktober, november en december, op de piek van de pandemie, speelt Ajax elf wedstrijden voor volle tribunes: negen overwinningen, tweemaal 0-0, 35 doelpunten. Hercules, Sparta, HVV, DFC, UVV, Quick, ze gaan met royale cijfers ten onder. Topschutter Jan van Dort is niet te beteugelen. In november en december wordt doelman Jan Smit geen enkele keer gepasseerd, in acht duels.

Alleen op 28 oktober valt een Ajaxwedstrijd uit, een besluit van de club zelf. Het is een voorzorgsmaatregel ‘daar directe ziektegevallen zich nog niet hadden voorgedaan (…) om de spelers, waarvan verschillende niet geheel vrij bleken van ziekteverschijnselen, aan geen enkel gevaar bloot te stellen.’

Ajax ontspringt de dans vrijwel volledig, terwijl in de rest van het land toch echt veel wedstrijden worden afgelast en er enkele prominente voetbaldoden te betreuren zijn. Sparta verliest bestuurslid Oosterwijk, bij Go-Ahead sterft atletiektrainer en manusje-van-alles Gerrit van Tongeren, in Winschoten de bekende speler Schoonhoven.

Bij Ajax overheerst de vreugde: de ploeg heeft het afdelingskampioenschap op 23 februari 1919 al in de knip, vijf wedstrijden voor het einde. Pal voor de kampioenspoule begint, duikt de Spaanse griep nog één keer op in de kolommen van het clubblad, in een satire over de onpasseerbare keeper Smit. In maart krijgt hij ineens vijf goals om zijn oren, overigens zonder dat het Ajax punten kost.

Het komt hem, met een knipoog, te staan op wat we nu een roast zouden noemen: ‘Als je straks kiespijn hebt, of kleerluizen, of Spaansche griep, of als je tante doodgaat (…) begrijp, dat je dan je woede aan Smit kunt koelen!’

Aan de Spaanse griep leed tegen die tijd haast niemand meer. Het was 1 april, dus het moest kunnen: een gebbetje over het virus dat Ajax nooit wist te raken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden