Menno PotBeeld Artur Krynicki

De 1995-finale: een bevrijding van het gelul van de babyboom

PlusMenno Pot

Wat me een kwarteeuw na ­dato nog het meest verbaast, is dat ik er helemaal niet van baalde dat ik niet bij de finale in Wenen was. Dat is best gek. Ik was een bloedfanatieke Ajacied met seizoenkaart op de Diemenzijde. Binnen Nederland sloeg ik al jaren geen wedstrijd over: thuis, uit, beker, Europees, vriendschappelijk. Als het even kon, pikte ik op Voorland ook nog Ajax-2 (nu Jong Ajax) en de A1 (nu O19) mee.

Maar met Ajax de grens over? Düsseldorf, Gent en Kaiserslautern konden nog net, maar in 1994-1995 was ik al blij als ik mijn deel van de telefoonrekening kon betalen. Het zat er zó evident niet in dat ik niet eens baalde.

Het is trouwens maar de vraag of de schandelijke voorverkoop mij überhaupt een reisje Wenen zou hebben opgeleverd. Veel bevriende supporters die net als ik alle uitwedstrijden bezochten, grepen mis of konden de peperdure pakketreizen van reis­bureau Roever niet betalen. Talloze gelegenheids­supporters hadden wel bingo. Het is een untold story over die finale: de schande van Roever.

Voor mij geen Wenen maar de Bilderdijkkade, in een huis vol dronken studenten. Ik herinner me de zenuwen, de gekte na het doelpunt van Kluivert en het laatste fluitsignaal, de vervaarlijk zwaaiende lampen aan het plafond, de rondvliegende chips, de brekende glazen. Alles ging om, alles ging stuk. Na afloop huilde ik voor het eerst (en vooralsnog voor het laatst) om een overwinning van Ajax, in de armen van een medestudente, Roos. Ze streelde mijn haar.

In Roos’ armen realiseerde ik me door mijn alcoholtranen heen vrijwel direct wat deze overwinning voor mijn generatie Ajaxsupporters betekende. ­Bevrijding. Bevrijding van het gelul van de babyboom. Altijd maar die jaren zeventig. Altijd weer die verhalen over Michels en Cruijff en Neeskens en Keizer. Wij zagen ze nooit spelen. Wij moesten het doen met de vroege Europese uitschakelingen, de PSV-hegemonie, de bom- en staafincidenten en loeiende politiesirenes van de jaren tachtig.

Vanaf nu zouden we ons eigen ijkpunt hebben. Ons eigen ‘Gouden Ajax’. Onze eigen legendarische, onvergetelijke wedstrijden voor de eeuwigheid. Milan in de stromende regen. Machtsvertoon in Triëst. Bayern-thuis. De poeier van Finidi. Zíj hadden Tante Leen op Trafalgar Square; wíj André Rieu op het veld van het ‘Olympisch’. Onze Generaal heette Louis, onze Verlosser heette Jari. Eindelijk hadden wij, Ajacieden van de generatie X, onze eigen equivalenten voor alles waarmee de ouderen ons altijd zo fijntjes de loef had afgestoken.

Ik verkneukelde me. Nog een slordige kwarteeuw geduld, dan zou ik (inmiddels grijzend aan de slapen) eindelijk óók eens hemeltergend irritant tegen de nieuwe twintigers kunnen zwetsen over iets dat zich voor hun tijd afspeelde. Iets groots dat ík meemaakte en zij lekker niet. Bij dezen, jongelui.

Dit alles nam ik me dus voor toen ik uithuilde bij Roos. U kent haar wel. Haar column staat elke ­zaterdag in de bijlage van deze krant.

Menno Pot is popjournalist, voetbalschrijver en Ajacied. Zijn vierde Ajaxboek, Het Nieuwe Ajax, is pas verschenen. Elke donderdag schrijft hij een column over de club; lees ze hier terug.

Reageren? m.pot@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden