Plus Interview

Bauke Mollema: buitenbeentje in Monaco

Afgelopen week werd hij 33, maar Bauke Mollema is nog lang niet klaar met koersen. In Monaco praat hij over het beste seizoen uit zijn carrière, over de liefde voor het vak en over de komende jaren (en jaren, en jaren).

Bauke Mollema is deze week 33 geworden. Hij denkt nog wel even mee te gaan. Beeld EPA

Eerst even dit. Dat verhaal van Michael Woods, die zei dat Bauke Mollema hem flikte in de Japan Cup, dat klopt niet. Woods was boos omdat Mollema een paar kilometer vóór de finish had gezegd dat er nóg een rondje was te rijden. Mollema: “Waar hij dat vandaan heeft gehaald weet ik niet. Een vaag verhaal. Er stond gewoon een rondebord langs de kant en we reden met communicatie. Ik heb nooit tegen hem gezegd dat er nog een ronde te rijden was. Jammer, ergens. Het was een mooi verhaal.”

Hij is net van de heuvel af komen fietsen, op een stadsfiets. Kinderzitje vóór, kinderzitje achter. Hij zet zijn fiets op slot naast een Porsche. Bauke Mollema in Monaco, het ziet eruit als ranja met een rietje op een champagneparty. Zelf vindt hij het niet zo vreemd. “Lekker weer, fijn trainen.” En vooruit, hahaha, het is ook wel handig dat je van je salaris een stuk minder hoeft in te leveren bij de Belastingdienst.

Vraag tien mensen op straat naar de beste Nederlandse wielrenner van 2019 en ze noemen Mathieu van der Poel. Of Steven Kruijswijk. Misschien Dylan Groenewegen. Maar als je kijkt naar de ranglijsten van de UCI is het een andere renner: Bauke Mollema, die vijfde werd in de Giro én die de Ronde van Lombardije won.

De afgelopen jaren werd u heel vaak vierde, vijfde, zesde in grote rondes en klassiekers. Heeft u ergens het gevoel dat het nu ein-de-lijk gelukt is in Lombardije?

“Ik heb etappes gewonnen in de Vuelta en de Tour. Dat was mooi. Maar een monument winnen is heel speciaal.”

Neem ons even mee naar de finale.

“Op de een-na-laatste klim zaten we nog met een man of twintig bij elkaar. Valverde had net aangevallen – iedereen zat op de limiet. Het viel heel even stil. Ik wist dat dát het moment was. Ik demarreerde. Voordat ik het wist had ik twintig seconden. In de afdaling van de Civiglio won ik nog vijftien seconden. Ik kende de afdaling goed. Van andere jaren, maar ook van video’s. Mijn ploegleider heeft jaren geleden een filmpje opgenomen, dat heb ik elke dag gekeken, totdat ik iedere bocht kende. Dat heeft het verschil gemaakt.”

Er stond een mevrouw met een paars hoedje op te juichen in de laatste bocht, twee meter vóór alle andere toeschouwers.

“Dat was mijn moeder. Ze komt ieder jaar een of twee keer naar de koers, mooi dat ze erbij was.”

Kreeg u het wielrennen van uw ouders mee?

“Eigenlijk niet. Ik heb veel andere sporten gedaan. IJshockey, voetbal. Ik vond het mooi om te doen, maar had niet het talent om er verder mee te komen. Ik ben gaan hardlopen vanaf een jaar of elf. Eens gaan kijken bij een atletiekvereniging. Op mijn zestiende kreeg ik een racefiets voor mijn verjaardag. Een Raleigh met commandeurs op de buis. En met riempjes op de pedalen waar je je voeten in schoof.”

Met zestien voor het eerst op de fiets en op uw twintigste voor Rabobank in de WorldTour. Hoe is dat in godsnaam mogelijk?

“Veel talent, anders was dat niet gelukt. Ik had het geluk dat ik goede begeleiding had in de eerste jaren. En ik leer snel. In het peloton rijden, afdalen – het ging me vrij snel goed af. Het is inderdaad snel gegaan, ik was zomaar prof. Zat ik ineens aan tafel bij Mentsjov en Freire. Ik vond dat destijds vrij normaal.”

U zei als eerstejaarsprof: als ik alleen bidons voor anderen moet halen, ben ik zo weg.

“Haha, misschien ja. Ik wilde niet zomaar prof worden, maar een echt goede. Sterk voor de dag komen in de Tour, niet alleen in een knechtenrol. Dat zit in me. Ik sport om te winnen.”

Bent u een individualist? Een egoïst?

“Een beetje wel ja. Dat moet ook wel op dit niveau. Je zit urenlang alleen op de fiets tijdens trainingen, je moet jezelf pushen tot de grenzen. Ik kan me goed afsluiten en zit soms wel in mijn eigen wereldje. Ik denk wel dat sommige mensen toen dachten: wat een aparte gast.”

Robert Gesink nodigde u ooit uit voor een etentje om u beter te leren kennen toen jullie allebei kopman waren bij Rabo. Maar na het toetje was hij nog geen steek wijzer.

“Met Robert heb ik nooit een heel goede band gehad. Het is niet dat we ruzie hebben gehad, maar het klikte niet. Ik weet nog dat we bij elkaar op de kamer lagen bij mijn eerste profkoers, in de Ronde van Californië. Ik stond op een gegeven moment een beetje uit het raam te kijken. Robert vroeg: ‘Wat doe je?’ Ik zei: ‘Niks, ik kijk naar de lucht.’ Keek ie me aan alsof ik gek was. Hij snapte het niet. Daarna hebben we niet zo vaak meer bij elkaar op de kamer gelegen.”

In uw tweede grote ronde ooit werd u 4de – herstel, 3de in de Vuelta. U was toen 24. Dacht u toen ooit een grote ronde te gaan winnen?

“Ergens wel ja. Ik had niet het idee dat het mijn beste grote ronde ooit zou zijn. Ik ben er een paar keer dichtbij geweest. In de Tour van 2013 deed ik tot de laatste dagen mee om het podium. En in 2016 viel ik twee dagen voor het einde, toen ik tweede stond. Ik volgde een renner van AG2R in de afdaling voor de laatste berg, in de regen. Het was dé kans om op het podium van de Tour te komen. Ik maakte een fout door zo hard de afdaling in te gaan. De kans dat ik ooit nog zo dichtbij kom is klein, daar moet je realistisch in zijn.”

Wat is er veranderd de laatste twaalf jaar?

“Het niveau is hoger. Tegenwoordig heeft elke ploeg twee of drie goede klassementsrenners. Het is veel professioneler geworden. Zelf ben ik ook meer met voeding gaan doen; alles biologisch, minder suikers. De eerste jaren at ik een bruine boterham. Nu heb je je radiootje in je oor, je voeding is voorgeprogrammeerd. De charme is er op dat gebied een beetje af.”

Hoe is het met de cultuur rond doping in het peloton? Merkt u daar een verschil ten opzichte van een jaar of tien geleden?

“Na de dopingbekentenissen in 2012 belandde het wielrennen in Nederland op een dieptepunt. Ik was al een tijdje prof, ik had her en der genoeg gehoord om er niet helemaal verbaasd over te zijn. Maar toen de sponsor stopte viel het wel rauw op mijn dak. De Tour van 2013 was voor veel mensen een soort nieuwe start.”

In die Tour zei u over Valverde toen hij mopperde dat er werd doorgereden toen hij pech had: “Valverde is de laatste die mag klagen,” daarmee verwijzend naar zijn dopingverleden.

“Voor Valverde heb ik diep respect verder hoor, als je ziet hoe lang die nog mee doet, en op welk niveau. Hij zal in het verleden wel wat verkeerd hebben gedaan – dat is wel duidelijk. Maar ik denk wel dat hij het schoon ook kan.”

Hoe weet u dat hij schoon is?

“Dat weet ik niet, daar ga ik van uit. Je kunt grote wedstrijden schoon winnen, dat zie ik aan mezelf. Dus ik heb het vertrouwen dat het schoon kan. Misschien hóóp ik het ook wel.”

Voelt u zich weleens ondergewaardeerd in Nederland? Vijfde worden in de Giro, dat vinden we tegenwoordig doodnormaal.

“Ik heb nooit te klagen gehad over aandacht. Zeker niet na de Tour van 2013. Nu is het wat minder, er zijn veel goede Nederlandse renners en ik rij niet voor een Nederlandse ploeg. Ik vind het niet erg, ik heb nooit in het middelpunt van de belangstelling willen staan.”

Hoe is dat bij Trek? Daar bent u de afgelopen jaren nooit de onbetwiste kopman geweest. Ze haalden Contador en Porte, en nu Nibali.

“De ploeg wil blikvangers hebben om fietsen te verkopen, dat snap ik wel. Een renner als Contador pakt meer publiciteit dan ik. Voor mij is het niet zo’n probleem. Dit jaar kwam Porte erbij en had ik het beste jaar van mijn carrière. Volgend jaar komt Nibali; we hebben een verdeling voor de grote koersen gemaakt.”

Nou, leg het maar op tafel dan, dat programma.

“Ik rij de Tour voor het klassement, Nibali gaat naar de Giro. Waarschijnlijk zullen we samen de Vuelta doen. Ik niet voor het klassement, maar voor de ritzeges. Verder focus ik me nog meer op de eendagswedstrijden omdat die het afgelopen jaar zo goed gingen.”

U bent deze week 33 geworden. Hoe lang fietst u nog?

“Het hangt ervan af welk niveau ik haal en hoe leuk ik het vind, maar ik ga de komende jaren zeker niet stoppen. Misschien omdat ik laat begonnen ben met koersen, omdat ik frisser in mijn hoofd ben dan renners die al bij de jeugd wedstrijden reden. Ik voel me niet oud. Er zit nog genoeg rek in.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden