PlusAchtergrond

84 sporters uit Amsterdam naar de Spelen: het sportieve succes van Papendal aan de Zuidas

Vrijdag beginnen de uitgestelde Olympische Spelen van 2020 in Tokio. De Nederlandse equipe daar telt 84 sporters uit Amsterdam, dat inmiddels is uitgegroeid tot het tweede topsportcentrum van het land.

Op de Bosbaan in Amstelveen trainen nog steeds de nationale selecties. Beeld Dingena Mol
Op de Bosbaan in Amstelveen trainen nog steeds de nationale selecties.Beeld Dingena Mol

Geen stad in Nederland levert volgende week zoveel olympiërs af als Amsterdam. Op de lijst van afgevaardigden staan onder anderen bijna veertig roeiers, vijftien hockeyers, elf para­lympiërs, vijf zwemmers, vier voetballers en ook vier basketballers. De een is in Tokio kansrijker dan de ander; waarschijnlijk keert een deel van de 84 deelnemende Amsterdammers met een medaille om de nek terug uit de Japanse hoofdstad.

Hun ambities worden gesteund door een ­samenwerking tussen de gemeente Amsterdam, sportorganisatie Topsport Amsterdam en sportkoepel NOC*NSF. In 2009 hebben zij hun krachten gebundeld en inmiddels trainen dagelijks 275 atleten in Amsterdam voor hun olympische droom, verdeeld over tien topsportprogramma’s en acht opleidingsprogramma’s.

Daarmee is Amsterdam uitgegroeid tot de tweede topsportlocatie van Nederland, na sportcentrum Papendal bij Arnhem, waar meer dan 400 topsporters trainen. ‘Papendal aan de Zuidas’ levert zo een belangrijke bijdrage aan de ambitie van NOC*NSF om structureel bij de ­beste tien sportlanden van de wereld te horen.

“Amsterdam is een onmisbare schakel in de vaderlandse topsport,” zegt Maurits Hendriks, technisch directeur van NOC*NSF. “De beste sporters moet je bij de beste trainers in de beste omgeving plaatsen. Dat doen wij in Amsterdam.”

Bouwdrift

In 2019 leverde Amsterdam veertien inter­nationale kampioenen en 45 sporters die in ­eigen land de beste waren in hun discipline. Frank Thewessem, directeur van Topsport Amsterdam, noemt ze de grote trots van Amsterdam. “Vergeet even de voetballers, wielrenners en schaatsers, zij redden zich commercieel ­gezien wel. Juist deze olympische sporters ­worden er niet rijk van. Zij mogen nog best meer worden omarmd in de stad.”

Voordat er in 2009 actie kwam om topsport in de stad te promoten, was al een lange weg bewandeld. De Olympische Spelen van 1928 gaven de eerste aanzet tot het bouwen van sportfaciliteiten met het Olympisch Stadion als blijvend icoon.

In de jaren erna volgden meer uitbreidingen, zoals het Wagener Stadion voor de hockeyers en de Bosbaan voor de roeiers – beide centra worden nog steeds gebruikt door de nationale selecties. De groei van het aantal sportfaciliteiten was spectaculair. “De bouwdrift was een antwoord op de crisis, op de werkloosheid in die tijd,” zegt sporthistoricus Jurryt van de Vooren. “Sport was het antwoord op een maatschap­pelijk probleem. Mensen werden aan het werk gezet.”

Betonwoestijn

Door de Tweede Wereldoorlog kwam een einde aan de bouwdrift. Hoewel het aantal verenigingen tijdens de wederopbouw gestaag toenam, was er amper aandacht voor sport en recreatie. “Groenvoorzieningen en sportclubs werden weggevaagd uit de centrale delen van Amsterdam,” zegt Van de Vooren. “Het werd een betonwoestijn, overal kwamen asfaltwegen, fabrieken en huizen.”

Aan het eind van de jaren vijftig kwam Cor du Buy met zijn sportpartij in de gemeenteraad. Zijn enige missie: sport onder de aandacht brengen. Voor het eerst werd sport een structureel onderwerp op de agenda in Amsterdam. Du Buy, voormalig tafeltennisser, had succes, want in Oost werd de Jaap Edenbaan aangelegd, net als later de eerste overdekte sporthal bij de ­Westergasfabriek.

Sport valt of staat met de beschikbare faciliteiten, zegt Van de Vooren. “In die tijd was hockey net als nu geconcentreerd aan de zuidkant van de stad. Uit onderzoek bleek dat in heel Noord slechts één hockeyer woonde. Hoeveel talent daar verloren is gegaan, zullen we nooit ­weten.” En topsport kan niet bestaan zonder breedtesport. Van de Vooren: “Het is geen toeval dat ze in Qatar niet kunnen schaatsen en dat wij niet kunnen schansspringen. Jongeren moeten in aanraking komen met een sport. Daarin spelen gymlessen op scholen ook een belangrijke rol.”

Pas toen het woord ‘Sport’ opdook in de naam van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, halverwege de jaren negentig, kwam er ook landelijk steeds meer beleid. Tot die tijd had Nederland slechts incidenteel succes gehad op de Olympische Spelen. Fanny Blankers-Koen (1948, atletiek), Anton Geesink (1964, judo) en Ard Schenk (1972, schaatsen) hadden daarvoor al goud gewonnen, maar aan hen werd amper ondersteuning geboden. Hun overwinningen hadden ze volledig te danken aan hun eigen talent en doorzettingsvermogen.

Topsportstructuur

Van de Vooren ziet de Olympische Spelen van 2000 als een keerpunt in de Nederlandse sportgeschiedenis. De ongekende oogst van 25 medailles, waarvan twaalf keer goud, zorgde in­direct voor een bewust topsportbeleid in Nederland. Het waren de Spelen van onder ­anderen Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruijn, Leontien van Moorsel en Anky van Grunsven. “Een groep supertalenten vertegenwoordigde ons land in Sydney. Dat was niet het gevolg van structurele steun, maar puur toeval.”

‘Papendal aan de Zuidas’ werd een gevolg van dit succes. In Amsterdam was daarvoor al aandacht voor zwemmers, roeiers en voetbalsters, maar de steun was summier. Topsport Amsterdam adviseerde en leverde kleine financiële ­bijdrages. NOC*NSF wilde dat talenten zich op meerdere plekken in Nederland konden ontwikkelen en zo werd Amsterdam onderdeel van het programma.

De Olympische Spelen van 1928 gaven de eerste aanzet tot het bouwen van sportfaciliteiten, zoals de Bosbaan in het Amsterdamse bos. Beeld Dingena Mol
De Olympische Spelen van 1928 gaven de eerste aanzet tot het bouwen van sportfaciliteiten, zoals de Bosbaan in het Amsterdamse bos.Beeld Dingena Mol

NOC*NSF draagt vandaag de dag 1,5 miljoen euro per jaar bij aan de ambitie van de Amsterdamse topsporters, de gemeente doet dat met ongeveer 2 miljoen euro en het overige geld, de helft van het totaalbedrag, haalt Topsport ­Amsterdam op bij externe financierders uit het Amsterdamse bedrijfsleven. “Wonen, trainen, studeren en eten doen de sporters zelf, de rest verzorgen wij,” zegt Thewessem. “We ondersteunen ze zo goed mogelijk. We regelen huisvesting, koppelen de sporter aan opleidingen bij het Calandlyceum, HvA, UvA en VU en hebben eigen koks in dienst, die zorgen voor voldoende en gezond voedsel.”

Twintig tot dertig personen zijn op dagelijkse basis bezig met de Amsterdamse topsporters. Daartoe behoren diëtisten, carrièrebegeleiders, artsen, fysiotherapeuten, psychologen, fitnesstrainers en onderwijsbegeleiders. Ook zij zijn onderdeel van de dienstverlening van Topsport Amsterdam en Papendal aan de Zuidas.

Naast de opleidingsprogramma’s zetten de ­gemeente en Topsport Amsterdam in op evenementen. De doelstelling is dat elk jaar één internationaal kampioenschap plaatsvindt in de stad. De laatste jaren is dat gelukt met onder meer het EK voetbal, het EK hockey en het WK 3x3 basketbal, daarnaast blijkt de Amsterdam Marathon jaarlijks van grote waarde te zijn. “Topsportevenementen zijn net zo belangrijk voor een stad als musea,” zegt Thewessem. “Ze hebben een inspirerende waarde voor de sportende jongeren.”

Sportwethouder Simone Kukenheim ziet vooral voordelen op de lange termijn. “Een evenement gaat voorbij, maar de nalatenschap zou altijd structureel moeten zijn in termen van een hogere sportdeelname én een verbetering van de sportinfrastructuur.”

In de toekomst willen de samenwerkende partijen meer talentvolle sporters naar Amsterdam halen. Op de lijst staan onder meer korfbal, judo, klimmen en verschillende urban sports. Op dit moment wordt onderzocht of de Sporthallen Zuid kunnen worden uitgebreid, zodat er ruimte komt voor 3x3 basketbalvelden, een indoor­atletiekbaan en meer zaalcapaciteit voor zaalvoetbal, korfbal en judo. In Zuidoost hoopt de gemeente urban sports, beachvolleybal en ­turnen ruimte te geven. Kukenheim: “Dat alles heeft een grote meerwaarde voor de optimalisering van het topsportcentrum Amsterdam, de breedtesport en het gebruik door het Amsterdamse onderwijs.”

Wachtlijsten

Kukenheim en Thewessem zien het gebrek aan ruimte in de stad als een van de grootste uitdagingen. Het tekort aan woningen moet worden opgelost door veel te bouwen, maar gaat dat niet ten koste van sportterreinen en recreatiegebieden? Van de Vooren vreest van wel. Hij verwacht een nieuwe betonwoestijn, waarin de vijver met sporttalent als vanzelf opdroogt. “Het is zorgwekkend om te zien dat nu dezelfde fouten als na de oorlog worden gemaakt. De stad breidt snel uit, zonder voldoende rekening te houden met lucht en licht. De groei van het aantal sportfaciliteiten loopt niet evenredig mee met de groei van het aantal inwoners. Bij clubs gaan enorme wachtlijsten ontstaan.”

Het zijn vooral zorgen voor de lange termijn. In Tokio strijdt vanaf vrijdag de eerste lichting sporters die hun volledige opleiding genoten op Papendal aan de Zuidas. Thewessem: “We ­hopen natuurlijk op veel medailles met veel ­impact. Onze sporters zijn deze zomer toch de beste ambassadeurs van onze stad.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden