PlusReportage

Zijn grootste hit? Een ijsbreker die hem op de hielen zit: Guido van der Werve zoekt graag het extreme op

Guido vd Werve. Beeld Niels Blekemolen
Guido vd Werve.Beeld Niels Blekemolen

Op de hielen gezeten door een ijsbreker, een zevenvoudige triatlon, 24 uur ronddraaien op de Noordpool: Guido van der Werve zoekt graag het extreme op. In zijn videokunst én het leven. Zijn werk is nu te zien in Eye.

Jan Pieter Ekker

Heb je de harde schijf?” vraagt curator Marente Bloemheuvel als kunstenaar ­Guido van der Werve (44) de tentoonstellingsruimte van Eye komt binnengelopen – hij heeft zijn capuchon nog over zijn hoofd met baret getrokken, zijn bril boven zijn mondkapje is beslagen. Van der Werve antwoordt met een flauwe nazimop; terwijl hij ’m vertelt graaft hij een zorgvuldig ingepakt pakketje uit zijn enorme rugzak. “Hier is ie,” zegt hij. “De artist’s proof van Nummer veertien. Het was nog best even zoeken. De film is negen jaar oud en er is sindsdien het een en ander met me gebeurd. Na mijn operatie wist ik heel veel dingen niet meer; ik heb toen dingen weggegooid en gewist die ik beter niet had kunnen wissen en weggooien. Maar ­Nummer veertien had ik nog ergens op een computer in mijn appartement in Berlijn.”

Het is twee weken voor de opening van Tastbare futiliteit in Eye, de eerste grote overzichtstentoonstelling van Van der Werve in Nederland. Er wordt getimmerd en geschilderd, er worden muren geïsoleerd en schermen opgehangen. “De ­vorige tentoonstelling, van Ivo van Hove en Jan Versweyveld, is net afgebroken,” legt Bloemheuvel uit. “Er staan nog een paar muurtjes en staketsels die we misschien opnieuw willen gebruiken, maar je krijgt zo al een heel goed gevoel voor de ruimte. Bijna alle films zijn er nu, bij ­sommige werken hebben we nog wat ­vragen, loop je mee?”

Nummer twee, just because I’m standing here doesn’t mean I want to (2003)

Nummer twee. Beeld Guido van der Werve
Nummer twee.Beeld Guido van der Werve

De tentoonstelling opent met Nummer twee, het 3,17 minuten durende videokunstwerk waarmee Van der Werve in 2003 afstudeerde aan de Gerrit Rietveld Academie. Daarin loopt Van der Werve – hij draagt een zwarte trui en heeft rossig, opwaaiend haar – achterwaarts de straat op en wordt hij geschept door een auto. Als zijn lichaam zielloos in een nieuwbouwstraat ligt, komt er een ME-busje aangereden. Vijf ballerina’s in witte tutu’s stappen uit en beginnen een dans op Concerto per la notte di natale van Corelli.

Het is kunst zoals Van der Werve wilde dat het zou zijn, vertelde hij destijds: “Het houdt het midden tussen schoonheid en flauwheid. Het lijkt nu zo logisch, maar er is moed voor nodig: moed dat je de rare dingen die in je hoofd opkomen niet terugduwt. Moed om een begrip als schoonheid weer te gaan gebruiken en om te ontdekken wat je dan zelf als schoonheid ziet: de schoonheid van het auto-ongeluk en van het klassieke ballet, vermengd met je eigen meligheid.”

Die vermenging van ernst en leut komt terug in de tentoonstellingstitel Tastbare futiliteit. “Die vat het goed samen. Ik laveer tussen twee extremen; ik heb een pikzwarte, dramatische kant, en een totaal stompzinnig gevoel voor humor. En het heeft ook iets poëtisch, tastbare futiliteit. Tastbare nietigheid – dat vind ik mooi.”

Nummer achttien, the breath of life (2022)

In twintig jaar heeft Van der Werve een indrukwekkend, chronologisch genummerd oeuvre opgebouwd (Nummer een bestaat ook, maar die laat hij eigenlijk nooit zien. Het is een vingeroefening, een beetje in de sfeer van de Russische meester Tarkovski, met beelden van bomen en zijn vader die een gedicht voordraagt).

Inmiddels is hij aanbeland bij Nummer achttien, the breath of life. Het is zijn speelfilmdebuut, dat door Van der Werve wordt omschreven als ‘autofiction’; een poëtisch zelfonderzoek hoe zijn minderwaardigheidscomplex en angst voor de dood zijn leven hebben gered.

Dat zit zo: in mei 2016 had Van der Werve een ernstig ongeluk in zijn woonplaats Berlijn; door een openzwaaiende taxideur tuimelde hij van zijn fiets, waarna hij werd geraakt door een passerende toeristenbus. Van der Werve vocht twee maanden voor zijn leven in een Berlijns ziekenhuis.

In retrospect zou je Nummer twee een profetisch filmpje kunnen noemen, maar Van der Werve wil daar niet aan. “Bas Jan Ader heeft een filmpje gemaakt dat hij in de gracht valt. En jaren later verdween hij tijdens een oversteek van de Atlantische Oceaan. Maakt dat dat filmpje profetisch? Ik denk van niet. Het is gewoon stom toeval. Willekeur. Dat is het leven.” Veel meer wil hij er niet over kwijt: “Ik wil niet dat mijn drama nieuws wordt”.

Nummer acht, everything is going to be alright (2007)

Zijn vroege films tonen door hemzelf uitgevoerde handelingen, geïnspireerd op de traditie van de performancekunst uit de jaren ’70. Zo liep hij voor Nummer acht (2007) over het krakende ijs op de Botnische Golf terwijl een gigantische ijsbreker hem op de hielen zat, en draaide hij voor Nummer negen (2007) exact 24 uur lang rondjes tegen de aardrotatie in op de Noordpool.

“De ijsbreker is mijn grootste hit, hij is onder meer opgenomen in de collectie van het Museum of Modern Art in New York. Maar ik vind Nummer negen eigenlijk een conceptueel beter idee: ik heb een dag niet meegedraaid met de wereld, door op de Noordpool 24 uur mijn eigen schaduw te volgen… Ik vergelijk het maar met Beethoven: iedereen had het altijd maar over de Mondscheinsonate, maar hij vond zelf dat hij wel betere werken had geschreven. Ik denk er exact hetzelfde over.”

Nummer veertien, home (2012)

Nadat hij was afgestudeerd aan de Rietveldacademie, resideerde Van der Werve twee jaar aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten. “Op de Rietveld was ik ook al wel wat aan het uitproberen - beetje feesten, beetje drinken; dat soort dingen. Toen ik naar de Rijksakademie ging werd het alleen maar meer; Ik had niet echt een alcoholprobleem, maar ik werd wel altijd dronken op de opening van mijn eigen show om er sociaal een beetje doorheen te komen. Op een gegeven moment had ik elke week een show. Als je foto’s uit die tijd bekijkt, heb ik een heel opgeblazen hoofd.”

Hij had toen twee keuzes: “Of ik word een pseudo-alcoholische kunstenaar of ik ga sporten. Ik ben toen gaan hardlopen, dat gaf me structuur”. Aanvankelijk liep Van der Werve kleine afstanden, op een gegeven moment trainde hij meer dan twintig uur per week en ging hij zich steeds hogere doelen stellen. Hij liep een marathon binnen drie uur en haalde de finish van de extreem zware triatlon van Norseman, Noorwegen. “Ik was verslaafd, maar dat had ook iets praktisch; als ik het dan toch deed, kon ik het net zo goed gebruiken voor mijn kunst.”

Nummer veertien 2. Beeld Guido van der Werve
Nummer veertien 2.Beeld Guido van der Werve

Zijn steeds extremere sportieve prestaties culmineerden in Nummer veertien. Daarin vervlecht Van der Werve geabstraheerde herinneringen aan zijn saaie jeugd in Papendrecht met de levens van zijn jeugdheld Alexander de Grote en zijn favoriete componist Frédéric Chopin en een nauwelijks voorstelbare atletische prestatie: een zevenvoudige triatlon. Van der Werve zwemt 26,6 kilometer, fietst 1388 kilometer en loopt 289,13 kilometer hard. Zo overbrugt hij de afstand tussen het hart van Chopin, dat na zijn dood door zijn zus naar Polen werd gesmokkeld en sindsdien op sterk water wordt bewaard in de Heilig Kruiskerk in Warschau, en het lichaam van de componist, dat op de Parijse begraafplaats Père-Lachaise ligt begraven.

“Wat mij betreft gaat Nummer veertien over de vraag in hoeverre je afkomst de rest van je leven bepaalt. Chopin en Alexander de Grote zijn allebei uit hun geboortedorp weggegaan toen ze negentien waren en nooit meer teruggekeerd. Alexander de Grote was onoverwinnelijk zolang hij een doel had. Maar toen er een einde kwam aan zijn schier eindeloze veldtocht en hij zich settelde is hij niet veel later overleden. De laatste woorden van Chopin waren: ‘Ik voel de pijn niet meer’. Dat sluit mooi aan bij het gevoel dat een sporter aan een einde van een triatlon heeft. Mijn tocht staat natuurlijk niet in verhouding tot wat Alexander de Grote heeft gedaan, maar ik was zelf ook steeds op zoek naar nieuwe uitdagingen. De finishlijn als de start van de volgende race.”

Nummer vijftien, at war with oneself (2013)

Zijn werken uit de periode 2008-2012, allemaal gebaseerd op sport, bundelde Van der Werve in het kloeke boek Nummer vijftien, at war with oneself. Daarna probeerde hij zich te kwalificeren voor het WK Ironman, wat keer op keer mislukte door een maagprobleem. Van kunst kwam steeds minder, Van der Werve kwam in een ‘slaapstand’ terecht. “Ik werd wakker, ging rennen, stretchen, lunchen, controleerde mijn mails, at nog wat, keek een film en las wat en dan was de dag weer voorbij. Dat heb ik twee, drie jaar gedaan. En ondertussen werd de wereld een hel. Toen ben ik maar gaan schrijven.”

Hij begon op een maandagochtend, zondagavond had hij een heel boek geschreven. Vervolgens verfilmde hij drie urgente scènes uit zijn eigen pseudo-autobiografische dystopie over de steeds grotere kloof tussen de wat hoger opgeleide, culturele mens en de populisten: Nummer zestien, the present moment.

In 2015 maakte hij Nummer zeventien, killing time attempt 1, from the deepest ocean to the highest mountain, waarin hij een kleine tien uur in een bad staat, terwijl hij zich op een tweede scherm even lang op zijn bed laat vallen. En daarna was er dus: het ongeluk.

Nummer zeventien. Beeld Guido van der Werve
Nummer zeventien.Beeld Guido van der Werve

Tijdens zijn revalidatie moest hij van zijn artsen en psychiaters terug naar zijn jeugd. Van der Werve realiseerde zich dat de trauma’s van zijn ouders hem met een diepgewortelde angst voor de dood hadden opgezadeld. “Mijn vader is in 1932 in Amsterdam geboren.Tijdens de hongerwinter kookte zijn moeder soep van behang, toen hij na de oorlog terugging naar school was de helft van zijn klas leeg. Mijn moeder had weer een heel ander soort trauma.”

Zijn beide ouders waren leraar; zijn moeder gaf Franse les, zijn vader was tekenleraar op een middelbare school in Rotterdam. “Mijn moeder speelde piano, we hadden er thuis een staan. Ik droomde ervan om naar het conservatorium te gaan, maar bedacht me op tijd dat je als pianist veertien uur per dag piano moet spelen, en dat jarenlang - dat wilde ik niet. Mijn vader had een atelier op zolder en nam mijn broer en mij mee naar het Boijmans om de oude meesters te bekijken. Ook leerde hij ons schaken; ik wilde ook een tijdje grootmeester worden, maar toen ik las hoeveel tijd schakers bezig zijn om openingsvarianten uit hun hoofd te leren, heb ik dat ook niet doorgezet.”

Akte tien: Lebensfreude, Todestrieb

Het competitieve heeft hij van jongs af aan. “Toen ik klein was, heb ik wedstrijden geskied. Ik heb ook meegedaan aan het Nederlands Kampioenschap en dat soort dingen. Het was een vorm van overcompensatie; ik was een allenige nerd, ik stotterde en ik was extreem verlegen. Op school werd ik altijd met de nek aangekeken, alsof ik niet helemaal normaal was. Ik ging naar school omdat het moest, maar ik haatte het. Op de basisschool was mijn bijnaam frommel, omdat ik altijd ineengedoken zat.”

Na de middelbare school deed hij eventjes industrieel ontwerp aan de TU Delft, hij studeerde een paar dagen sociale geografie en deed ook nog even archeologie. Maar toen hij het voorbereidend jaar op de Rietveld deed, vielen de dingen pas op zijn plaats.

“Ik deed performances en vroeg mijn vrienden om ze te filmen. Er werd me toen vaak gevraagd of het een registratie van een performance was of videokunst. Na 50 keer was ik die vraag zat en nam ik een goede cameraman in de arm en ben ik met film gaan werken, zodat het beeld stond als een huis en het volstrekt duidelijk was dat het videokunst was.”

Momenteel is hij bezig met de montage van Nummer achttien, die als alles volgens planning verloopt in september in wereldpremière gaat. Voor de tentoonstelling in Eye legt hij de laatste hand een speciale montage van de tiende akte: Lebensfreude, Todestrieb.

Daarin gaat Van der Werve rond zijn huis in Finland paddenstoelen zoeken, om eten te maken voor de muzikanten die in zijn tuin optreden. Tijdens het zoeken vindt hij de Tien Geboden, die in de laatste scène die op zijn vaders graf in Papendrecht worden geplaatst, terwijl Van der Werve piano speelt en zingt, begeleid door een enorm orkest en een koor. “De film is ook een ode aan mijn vader, die in 2013 is overleden. Er zijn heel veel parallellen tussen ons.”

Het competitieve heeft hij nog steeds. “Toen ik uit de coma kwam zei een dokter: je mag wel een beetje lachen, 95 procent van de mensen had het niet overleefd. Mijn competitieve aard heeft enorm geholpen bij mijn revalidatie. Een neurochirurg zei dat als je echt geluk hebt, je voor 100 procent kunt revalideren. Ik antwoordde dat ik voor honderdtien procent ging. Een andere dokter zei: ‘gestoord ongeluk, gestoorde revalidatie’. Ze vonden me ook wel leuk, geloof ik, zolang ik maar niet de hele tijd tijd nazigrappen maakte. Maar dan nog, verder waren er toch alleen maar bejaarde Duitsers die een beroerte hadden gehad of dement waren.”

Van der Werve rent ook weer; in de zomer van 2017 heeft hij de halve marathon van Berlijn gelopen. “Ik loop nog steeds om de dag; als ik de hele dag thuis zit, moet ik een uurtje rennen, anders word ik gek. Voor mijn ongeluk vroeg mijn psychiater me eens welke dingen voor mij belangrijk zijn. Ik antwoordde dat ik me wilde kwalificeren voor het WK Iron Man. Waarom dan?, wilde zij weten. Dan zou ik pas echt gelukkig zijn, antwoordde ik… Altijd maar hoger, altijd maar beter, nooit vrede hebben met hoe het is. Ik ga nu niet meer zo hard als ik ging. Het was best moeilijk om te accepteren dat alles anders is – mijn partner heeft op een gegeven moment de messen moeten verstoppen – en ik vind het soms nog steeds moeilijk. Maar het is ook wel fijn dat ik niet meer 25 uur per week hoef te trainen. En die Iron Man-scene, dat iedereen een Iron Man-tatoeage op zijn arm heeft, was ook niet echt iets voor mij.”

Guido van der Werve: Tastbare futiliteit is tot en met 29 mei te zien in Eye Filmmuseum. Palpable Futility, de Engelstalige publicatie bij de tentoonstelling, is uitgegeven door nai010, €29,95. Jan Pieter Ekker sprak Guido van der Werve hardlopend voor een speciale avond in Eye; het interview is hier te zien.

Guido van der Werve

Guido van der Werve (Papendrecht, 1977) studeerde in 2003 af aan de Rietveld Academie met Nummer twee, just because I’m standing here doesn’t mean I want to en resideerde in 2006 en 2007 aan de Rijksakademie van beeldende kunsten. In 2007 brak hij internationaal door met Nummer acht, everything is going to be alright, waarin hij over een dichtgevroren watermassa voor een gigantische ijsbreker uit loopt. In 2013 won hij een Gouden Kalf voor Nummer veertien, home. Momenteel werkt hij aan zijn eerste speelfilm: Nummer achttien, the breath of life. Zijn werken zijn opgenomen in de collecties van de grote musea in de wereld, waaronder het MoMA in New York en het Stedelijk Museum Amsterdam. In 2019 had hij een grote tentoonstelling in Fluentum in Berlijn, in 2017 in FutureDome Milaan en in 2009 in het Frans Hals Museum in Haarlem. Van der Werve wordt gepresenteerd door Grimm Gallery (Amsterdam), Luhring Augustine (New York) en Monitor (Rome).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden