PlusInterview

Ze waren niet Joods, besloot de moeder van journalist Margalith Kleijwegt

Journalist Margalith Kleijwegt (70) schreef een boek over haar moeder, omroepster Netty Rosenfeld. Het werd vooral een boek over de moeizame omgang van haar familie met de Joodse identiteit.

Netty Rosenfeld met zoon Martijn en dochter Margalith, halverwege de jaren zestig.   Beeld Privéarchief
Netty Rosenfeld met zoon Martijn en dochter Margalith, halverwege de jaren zestig.Beeld Privéarchief

Veertien was Margalith Kleijwegt toen haar nichtje Anneke Wertheim werd geboren. Er was feest bij haar thuis, schrijft ze in haar boek Verdriet en boterkoek, toen vader Jaap met zijn dochter de huiskamer binnen kwam stormen. Niet te stuiten.

‘In zijn handen een roodbruine braadslee, die hij uit de keuken had gegrist en waarin hij de pasgeboren, vredig slapende baby had gelegd. Opgewonden duwde hij haar iedereen onder de neus. ‘Hier is Anneke!’ riep hij op luide toon alsof het om een trofee ging. ‘Mijn dochter is het ­levende bewijs dat Hitler zijn zin niet heeft gekregen.’

Het is complex, verzucht Kleijwegt. Joods zijn in een familie die verscheurd is door de oorlog. “Mijn nichtje Bobje zei het goed: jullie kregen een trauma opgelegd. Ik heb me altijd tegen dat woord verzet. Ik vond het onzin, maar naarmate ik ouder werd ben ik het onder ogen gekomen.”

Vrolijk lachend: “Maar wie heeft er nou geen trauma? Je moet er ook niet al te ingewikkeld over doen.”

Twee jaar geleden bezocht ze Sobibor, het concentratiekamp in Polen waar haar grootvader Hartog Rosenfeld in 1943 door de nazi’s werd vermoord. En eigenlijk deed ze dat ook alleen maar omdat haar zoon Kers in Polen woonde.

Een pelgrimage werd het. “Ik ben zo blij dat ik ben ­gegaan. Het was raar, de nabijheid van die plek. Het was sereen, ik was totaal niet gespannen. Nooit was er iemand van de familie geweest om afscheid te nemen van die man. Dat leek me zo eenzaam. Ik werd niet huilerig van dat ­bezoek, maar was tevreden dat er iemand langs was ­geweest.”

Geen Joodse man

Kleijwegt schreef over haar reis in weekblad De Groene Amsterdammer. Nu is er het boek. Over haar familie – maar vooral over haar moeder en haar tante: de zusjes Netty en Esther Rosenfeld. Samen overleefden ze op miraculeuze wijze de onderduik, na de oorlog groeiden ze vol­komen uit elkaar. De een, Netty, werd beroemd als programmamaker in Hilversum, de ander vertikte het haar ­leven lang om buiten de deur te werken. En terwijl Esther met alles wat ze in zich had het Jodendom omarmde, keerde Netty zich er juist van af.

Ze waren niet Joods. Dat had haar moeder zo besloten, schrijft Kleijwegt. Gewoon: omdat ze niet volgens de Joodse wetten leefden. ‘Ze deelde het tevreden mee, alsof ze het ei van Columbus had gevonden. En, voegde ze eraan toe, ze had zelf nooit een Joodse vriend of man willen hebben, want het was raadzaam – en dat gold ook voor mijn broer en mij – om ‘het bloed te verdunnen’. Je moest dat praktisch bekijken, zei ze, aan Joods-zijn kleefden veel ­onnodige en onplezierige risico’s.’

“Ze kwam er gewoon niet uit,” zegt Kleijwegt. “Ze voelde zich niet thuis in Amsterdam-Zuid, waar al die Joden naar elkaar zitten te kijken. Maar tegelijkertijd had ze een enorm rijk Joods vocabulaire. Met haar vriend Joop van Tijn deed ze altijd wedstrijdjes wie de meest Jiddische woorden kende. En zodra er sprake was van antisemitisme ging ze enorm tekeer.”

Voor haar moeder betekende Joods zijn: oorlog en op vrijdagavond een ‘lekker schoteltje’ voor de kinderen.

Zelf ging Kleijwegt, stiefdochter van een van zijn geloof gevallen Nederlands-hervormde vader, naar de christelijke zondagsschool en de christelijke padvinderij. “Ik weet nog dat ze op de eerste rij zat toen ik werd ingewijd als ­kabouter. Ik zag meteen: dit klopt niet, mijn moeder hoort hier niet. Ze keek zó ongelukkig.”

Ambivalentie

Waarom heeft ze het boek geschreven? Omdat ze over haar moeder wilde schrijven, dat op de eerste plaats. Een eigenzinnige vrouw, trots en met haar zelfstandigheid in de ­jaren na de oorlog een rolmodel voor andere vrouwen. “Maar ook omdat ik wilde onderzoeken wat het met je doet als je zo verkrampt omgaat met het feit dat je Joods bent – het eigenlijk niet wil zijn, terwijl het zo bepalend is voor wie je bent.”

En hoe die ambivalentie doorwerkt in de volgende generaties. “Mijn broer noemt zichzelf een amateur-Jood. Dat is heel geestig, maar ook wrang.”

Zelf praat ze ook liever over de magnolia in de tuin achter haar huis.

Kleijwegt: “Wij hebben ons niet kunnen verhouden tot het Joods-zijn. Joods zijn was negatief en gevaarlijk. Ik heb het me nooit zo gerealiseerd, maar mijn moeder is haar hele leven bang geweest voor antisemitisme. Dat heeft ze doorgegeven. Ik ben ook beducht. Ik taxeer altijd of iemand te vertrouwen is.”

Hoe werkt dat met antisemitisme? De Joden hebben het gedaan, ook als ze niet-Joods zijn. “Mijn moeder was goed bevriend met Mies Bouwman. Die maakte het programma Zo is het toevallig ook nog ’s een keer en kreeg daarover ­regelmatig antisemitische brieven van boze kijkers. Terwijl ze katholiek was. Nooit zei Mies dat ze niet-Joods was. Dat vond ik zo sterk van haar.”

Met haar man is Kleijwegt een paar ­weken geleden voor het eerst op de joodse begraafplaats in Muiderberg ­geweest om het graf van haar grootmoeder te zoeken. “Het is altijd een beetje wegdrukken geweest,” zegt ze. Maar als ze nu om zich heen kijkt overheerst de ­opluchting.

Toen haar zoon Kers acht was en ze bij kennissen van haar neef seideravond gingen vieren, de eerste keer in zijn leven, vroeg hij bij het krieken van de dag of hij zijn keppeltje op mocht doen. ‘Zo’n blijmoedige associatie met het ­Jodendom was totaal nieuw voor me,’ schrijft ze. ‘Zijn ­onbekommerde animo ontroerde me.’

De ballast

Het is de generatie die het heeft over ‘die shit van jullie’. Die spreekt over de oorlog als iets wat speelde in het ver­leden, ‘net als het tijdperk van Stalin, of dat van de dinosaurussen’. De jonge Peer, die meer geïnteresseerd is in zijn skatebaan dan in de leren portefeuille van zijn overgrootvader Herman die hij zal erven.

Ze was verbaasd, zegt Kleijwegt, toen ze haar zoon vrolijk hoorde zeggen: tof, ik ben Joods, leuk, cool. “Hij vond het interessant om deel uit te maken van die geschiedenis. Hij vond het ook boeiend te horen dat zijn grootmoeder ­ondergedoken had gezeten. Ze zijn sensitief voor foute grappen, maar de ballast is weg.”

Hoe de oorlog is verdwenen, luidt de ondertitel van haar boek, naar het bekende gedicht van Leo Vroman uit 1957: ‘Kom vanavond met verhalen, hoe de oorlog is verdwenen. En herhaal ze honderd malen. Alle malen zal ik wenen.’

Straks wordt er weer herdacht. De oorlog als moreel ­ankerpunt. “Ik hoop dat dát blijft,” zegt Kleijwegt. “Kinderen zijn geïnteresseerd in oorlog. Het is spannend. En vervolgens kun je het hebben over goed en kwaad, over de ­bescherming van minderheden en over tolerantie. De oorlog is een bron waarmee je heel veel kan.”

Margalith Kleijwegt: Verdriet en boterkoek, Atlas Contact, €19,99.

Moeder en dochter

Margalith Kleijwegt (Hilversum, 1951) werkte jaren voor Vrij Nederland en schrijft nu voor Trouw, De Groene Amsterdammer en Linda. Ze publiceerde over onderwijs, opvoeding en de multiculturele samenleving. In 2005 verscheen Onzichtbare ouders over een zwarte vmbo-klas in Slotervaart. In 2010 verscheen Sofia, over een Marokkaans meisje dat verstoten wordt door haar vader, nadat ze verliefd is geworden op een Nederlandse man.

Kleijwegt studeerde aan de Sociale Academie in Amsterdam en werkte eerst enige tijd als maatschappelijk werker in de Londense wijk Southwark. Ze woont in Amsterdam-Centrum met haar man, fotograaf Ad van Denderen.

Netty Rosenfeld (Amsterdam, 1921-2001) was verpleegster bij de Centrale Israëlitische Ziekenverpleging toen zij moest onderduiken voor de nazi’s en in Eindhoven belandde. In het laatste oorlogsjaar begon zij als omroeper bij Radio Herrijzend Nederland. Na de bevrijding werd ze nieuwslezer en zangeres bij het Metropole Orkest onder de artiestennaam Netty van Doorn.

In 1951 werd ze een van de eerste ­omroepers bij de Avro. Later stapte ze over naar de Vara, nadat de Avro er bezwaar tegen had gemaakt dat ze als getrouwde vrouw fulltime wilde blijven werken. Ze maakte ook documentaires, onder meer voor de VPRO. Haar laatste werk, Zonder rabbinaal toezicht, werd in mei 2001 uit­gezonden in de serie Dokwerk. Kort daarop overleed ze in haar woonplaats Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden