Plus Interview

Yassine Boussaid: ‘Ik loop niet met mijn afkomst te koop’

Honderd dagen is hij nu in functie: Yassine Boussaid (35), de eerste theaterdirecteur van Nederland met een Marokkaanse achtergrond. In de Meervaart wil hij niet in doelgroepen denken. ‘Ik ben wars van etiketten.’

Yassine Boussaidfoto: Frank Ruiter Beeld Frank Ruiter

“Het mooiste uitzicht van Amsterdam.” Yassine Boussaid wijst vanachter zijn bureau naar buiten. De directiekamer van Theater de Meervaart ziet uit over de Sloterplas met woon­torens aan beide oevers. Het is de buurt waar Boussaid als kleine jongen naar school ging. Hij is er trots op. “Dit is het grootste stadsdeel van Amsterdam. Dat wordt weleens vergeten. We hebben hier 150.000 inwoners. We hebben ongelooflijk veel potentie.”

Midden in die multiculturele metropool is de Meervaart qua bezoekcijfers (zo’n 130.000 verkochte kaartjes per jaar) een van Nederlands grootste theaters. Boussaid is er als directeur sinds 1 februari de opvolger van de naar het DeLaMar vertrokken Andreas Fleischmann. Boussaid – voormalig cultureel medewerker van de gemeente ­Amsterdam, muziekprogrammeur van de Meervaart en medeoprichter van het Amsterdams Andalusisch Orkest – is na zijn eerste honderd dagen ‘vooral dankbaar’ voor ‘een te gekke functie’.

Hij voelt zich thuis in het theater waar hij als scholier ook zijn eerste culturele ervaringen opdeed. “Dat was ­onderdeel van ons lespakket op de basisschool. In het ­kader van culturele vorming bezochten we met de hele klas ook voorstellingen in De Krakeling. Welke stukken weet ik niet meer, ik herinner me vooral het binnenstappen van een magische wereld. Mijn school vond dat kinderen uit alle lagen van de samenleving, uit alle buurten van Amsterdam kennis moesten maken met cultuur. Een visie waar ik nog steeds achter sta.”

Wilde u altijd al directeur van een theater worden?

“Helemaal niet. Ik heb nooit aan carrièreplanning ­gedaan, ik pak mijn kansen. Op mijn eerste dag als student politicologie aan de Universiteit van Amsterdam vond de aanslag op de Twin Towers plaats. In de collegebanken wisten we: vanaf nu begint er een nieuwe, serieuze tijd. Al snel ontdekte ik dat de culturele wereld een mooie manier is om aan die ernst te ontsnappen. Ik heb een eigen fantasiewereld kunnen creëren waarin de dingen wél kloppen.”

Bij uw aanstelling zei de voorzitter van de raad van toezicht: “Yassine gaat het unieke profiel van de Meervaart nog diverser maken.” Is het de bedoeling dat u meer ­multicultureel publiek trekt?

“Ik bekijk het liever vanuit het programma. Ik hoop kunst en cultuur toegankelijker te maken voor publiek dat hiervoor het theater niet wist te vinden. Maar dan wel zonder aan kwaliteit te verliezen. Ik hoop van ons theater een huiskamer te maken waar mensen zich thuisvoelen, maar ook worden geprikkeld. Onze programmering is wat mij ­betreft soms een feest der herkenning, maar het mag ook botsen en schuren.”

Waarin schuilt die diversiteit dan precies?

“Diversiteit is een beleidsterm. Voor mij is het ­belangrijk dat die diversiteit zo’n gegeven is, dat ik het er niet meer over hoef te hebben. Als ik jou vraag waarom je Turks brood koopt, zeg je ook niet: ‘Om de diversiteit te be­vorderen.’ Nee, je vindt dat brood gewoon lekker. Zo kijk ik ook naar onze programmering. Natuurlijk is er aanbod voor een divers publiek. We wonen hier met meer dan honderd nationaliteiten en nog meer culturen. Logisch dat we daar wat mee doen. Maar het mooist is als het vanzelf gaat.”

Wanneer lukt dat?

“We hadden afgelopen maand het 4West Festival van ­onze jeugdtheaterschool met spelers van 2 tot 16 jaar. Die presenteerden hun werk na een jaar lang repeteren aan hun ouders. Nou, dan zie je alle kleuren van de regenboog. Op het podium en in de zaal. Een geweldig feest was het.”

U zet zich af tegen het programmeren voor afzonderlijke doelgroepen?

“Niet per definitie, hoor. Ik geniet ook erg van een mooie Bollywoodavond. Dan weet je: daar zal de De Lairessestraat niet voor uitlopen. Dan krijg je 95 procent mensen met een Hindoestaanse achtergrond. Prima. Als dat echter de manier is om het diversiteitsvakje af te vinken, klopt het niet.”

Hoe klopt het dan wel?

“We hadden niet zo lang geleden comedian Rayen Panday over de vloer. Hij laat de grote zaal hier, uitverkocht met 790 man, simultaan keihard lachen. Hij heeft het over ­heel alledaagse onderwerpen. Van een vakantie naar ­Suriname tot een bezoek aan de Mediamarkt. Zijn publiek is een afspiegeling van Amsterdam. Alle leeftijden, alle kleuren, alle delen van de stad. Dat is voor ons echt een geval van mission accomplished.”

Beeld Frank Ruiter

Bent u zelf fan?

“Zeker. Ik houd erg van cabaret. Ik ben laatst bij Stefano Keizers geweest. Heel maf in de positieve zin van het woord. Youp van ’t Hek vind ik ook tof, met hem zijn we thuis opgegroeid. Een monument om in je zaal te hebben. Ik ben ook heel blij met de revues van Jon van Eerd. Zijn voorstellingen doen me erg denken aan de klucht­vormen die ik uit mijn jeugd uit de Marokkaanse cultuur ken. Grappen die je al van ver ziet aankomen, slaande deuren, hilariteit. Dat is een vorm die veel universeler is dan gedacht. En daardoor ook heel toegankelijk.”

Zitten er bij Jon van Eerd Marokkanen in de zaal?

“Nee, dat niet. Maar dan zeg ik: nóg niet. Het is onze uitdaging hen ook voor deze voorstellingen te enthousiasmeren. Dat is gewoon een kwestie van marketing, laten zien dat iedereen welkom is. We zetten influencers in. Dat gaat van moeders uit de buurt tot heel hippe types met veel volgers op sociale media.”

U bent de eerste theaterdirecteur van Nederland met een Marokkaanse achtergrond. Heeft die een rol ­gespeeld bij uw benoeming?

“Ik ben met 35 jaar ook de jongste, gok ik. Ik ben opgevoed door twee Marokkaanse ouders, maar voel me een ras-Amsterdammer. Aan de andere kant ben ik ook gevormd door de Marokkaanse cultuur. Ik heb gezien dat Nederlandse theaters mijn ouders, die hier al 45 jaar wonen, tot nu toe weinig hebben geboden, terwijl ze wel belasting betalen. Begrijp me goed: ik loop niet met mijn ­afkomst te koop. Ik ben wars van etiketten. Zoals je hoort heb ik gewoon een Amsterdamse tongval. Tegelijk ben ik dol op Marokko. Ik ben trots op mijn stad en dolblij dat mijn kinderen hier opgroeien, maar ik kijk wel naar kunst op een grensoverschrijdende manier.”

Jullie beleidsplan meldt: ‘Bij ons in de zaal zitten PVV-stemmers naast voormalige asielzoekers.’ Is dat ­werkelijk zo?

“Waarom niet? Ik denk dat we ons soms te veel zorgen maken over politieke tegenstellingen. In de theaterzaal vallen die weg. Bij een mooi theaterstuk is het niet zo ­relevant wat je stemt of waar je vandaan komt. Een PVV-stemmer eet ook weleens Turkse shoarma, hoor.”

U vertelde eerder dat u stikzenuwachtig wordt als u een artiest op het podium bedankt voor zijn voorstelling.

“Knikkende knieën, inderdaad. Ineens die schijnwerpers instappen. Voor het oog van een volle zaal. Groot respect voor wie onder die omstandigheden zijn kunst goed kan presenteren.”

“Ik ben zelf nooit maker geweest. Ik blijf onder de ­indruk van wie daarvoor wel het talent heeft. Zo knap hoe iemand een emotie in muziek kan vangen, of een schrijver zijn gevoel in een toneeltekst. Je wilt zo iemand alle ruimte bieden om dat talent zo goed mogelijk te benutten. Ik faciliteer de magie. Dat vind ik een prachtige rol om te vervullen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.