PlusInterview

Willem Diepraam: ‘Je moet veel fotograferen om te zien wat er fout gaat’

Peggy, Amsterdam, 1975. Beeld Willem Diepraam / Rijksmuseum

Vrijdag opent in het Rijksmuseum een grote overzichtstentoonstelling van het werk van Willem Diepraam (76). De fotograaf geeft zijn eerste interview sinds ongeveer 35 jaar. ‘Wat er in je kop zit moet je wel kunnen uitdrukken.’

In 2011 heeft u uw fotowerk overgedragen aan het Rijksmuseum. Wat was de aanleiding?

“In mijn herinnering ging het nogal eenvoudig. Ik kwam regelmatig in het museum. Ik geloof dat ik, op de koffie bij Mattie Boom en Hans Rooseboom (conservatoren fotografie, red.), gevraagd heb of ze mijn werk wilden hebben. En dat ze ja zeiden. Ingewikkelder was het niet. Wat daar bij komt: ik had het gevoel dat mijn werk toen voor het grootste deel al was afgerond.”

Hoe is het om opgenomen te worden in zo’n belangrijk museum?

“Het geeft me een enorm prettig en rustgevend gevoel. Het museum doet niet aan de waan van de dag en past op mijn spullen. En ja, ook wel een beduusd gevoel dat ik nu in die muur ben ingemetseld die in de geschiedenis van de fotografie ligt.”

De muur kent beroemde namen als Man Ray, László Moholy-Nagy, George Hendrik Breitner en Sanne Sannes. Wie waren uw helden, als beginnend fotograaf?

“Helemaal aan het begin, tot in de jaren zestig, was het Ed van der Elsken. Daarna meer de Magnumgeneratie, speciaal Werner Bischof en Henri Cartier-Bresson. Vervolgens vanaf eind jaren zeventig, toen ik bijgeleerd had, een eindeloze reeks fantastische fotografen: Peter Henry Emerson, André Kertész, Robert Frank en vele anderen.”

Paramaribo, Jodenbreestraat, 1975.Beeld Willem Diepraam / Rijksmuseum

Die overdracht aan het Rijksmuseum was misschien niet ingewikkeld, maar ging u zelf nog een keer door dat archief om dingen te ordenen en identificeren?

“Na de formele overdracht in 2011 heb ik jarenlang, tussen de andere activiteiten door, teruggekeken in mijn werk. Een heel klein deel van mijn negatieven en foto’s heb ik bewaard. Achteraf lijkt het op een archeologische opgraving in een vreemd land.”

Dat klinkt alsof er spannende verrassingen tussen zaten.

“De verrassing zat hem toch vooral in de enorme hoop troep die ik vergeten was. Dagen, weken werk, die zo naar de mestvaalt kon. Wat er goed was, wist ik eigenlijk al. Een van de kwaliteiten die ik al vroeg had, was dat ik goed zag of er iets min of meer gelukt was. In mijn eerste jaren zocht ik wel iets, maar ik kon het nog niet. Je moet veel fotograferen om te zien wat er fout gaat.”

U studeerde aanvankelijk medicijnen en daarna sociologie.

“Ik fotografeerde tijdens mijn studietijd al regelmatig. Vanaf eind jaren zestig iets serieuzer voor het blad Student. Het is stom toeval dat Rinus Ferdinandusse mij in 1971 bij Vrij Nederland vroeg. Terugkijkend is het glashelder dat ik er toen nog niets van kon. Maar ik mocht daar beter worden. Ik heb snel bijgeleerd.”

Dat betekende vooral ook veel op pad gaan, van miss­verkiezingen tot houthakkerswedstrijden. Een foto met mannen achter een spandoek kreeg als bijschrift: ‘Twaalf weken na het uitbreken van de eerste onlusten is de Emmer Vuilwaterdompelpompenfabriek nog steeds het middelpunt van verbitterde acties.’

“Dat soort foto’s maakte ik als er eigenlijk niets te fotograferen viel. Zonder foto terugkomen was geen optie. Zulke teksten moesten duidelijk maken wie de goeden en de slechten waren. Nederland was een gepolariseerde samenleving in die tijd en, achteraf bezien, toch heel vreedzaam.”

Villa El Salvador, Lima, 1988.Beeld Willem Diepraam / Rijksmuseum

Vrij Nederland was een spreekbuis voor links-intellectueel Nederland. Wilde u met uw foto’s de wereld verbeteren, mensen bewust maken van misstanden?

“Ik had in die tijd net zo’n groot ego als de redacteuren van Vrij Nederland. Maar ik kreeg later, net als de meeste anderen, een realistischer idee over hoe invloedrijk je met je werk bent. Ik heb mijn engagement wel op een houdbare positie kunnen handhaven. Maar mijn grote pretenties waren al snel verdwenen.”

De ommekeer kwam in Suriname, toen u daar vlak voor de onafhankelijkheid een boek maakte met journalist Gerard van Westerloo.

“Ommekeer is een te zwaar woord. Ik sprak tijdens onze reis tegen mijn lieve vriend Gerard uit dat ik niet alleen voor een publiek wilde werken, maar dat er binnen de fotografie puur voor mijzelf meer te halen viel. Hij realiseerde zich toen nog niet dat hetzelfde aan hem knaagde. Niet veel later ontsteeg hij in zijn teksten het puur documentaire. Die fascinatie met vorm heeft vervolgens wel mijn werk en mijn manier van werken veranderd.”

In welk opzicht?

“Je geest is je vorm. Maar wat er in je kop zit moet je wel kunnen uitdrukken. Daar heb je een structuur voor nodig die je in je foto’s kunt aanbrengen. Anders wordt het nooit wat.”

Fotografeert u wat er in uw kop zit? Gaat u er niet op uit om zich te laten verrassen door de werkelijkheid?

“Alles aan ervaring en kennis, alles wat je hebt meegemaakt zit in je hoofd. Maar bij het fotograferen komt dat beeld er uit via je intuïtie, alleen via je intuïtie. Die verrassing komt vanzelf wel.”

Catharina, Amsterdam, jaren 90. Beeld Willem Diepraam

U bent na Suriname steeds vaker op reis gegaan.

“Nederland is een speldenprik op de wereldkaart en als je blijft nadenken is er buitengaats veel te beleven. Als de gelegenheid zich voordeed haakte ik daar op in. Sahel, het Caraïbisch gebied, Afrika, Zuid-Amerika. Maar ik heb nooit dedain gehad voor onderwerpen dichtbij en voor het alledaagse.”

Een van uw indrukwekkendste boeken is gemaakt in Lima. De foto’s zijn heel leeg en ruimtelijk.

“Zoals bij mijn meeste boeken is dit ook toevallig tot stand gekomen. Er was altijd een aanleiding. Ik moest voor Novib met Jurriaan Schrofer een tentoonstelling maken over een dorp in een ontwikkelingsgebied. Toen ik daar een keer geweest was, smaakte het naar meer. Ik ben diep onder de indruk geraakt van de veerkracht van de mensen daar, die elke dag de steen van Sisy­phus naar boven sjouwen. Als ik het boek terugzie, vind ik dat de concentratie van de beelden in het boek heel hoog is. Ook de concentratie op de mensen binnen die beelden.”

De fotografie is sinds het internet enorm veranderd. Iedereen is fotograaf.

“Die ontwikkeling is al heel lang geleden begonnen, midden jaren zeventig. Nu leert van jongs af aan iedereen fotograferen, net zoals je schrijven leert. Het heeft daarom geen enkele zin om al die fotografieopleidingen open te houden. Die opleidingen, waarin geen bildung wordt nagestreefd, leveren per jaar een enorme hoop jonge mensen af die alleen maar kunnen fotograferen.”

“Als die niet op tijd een serieus vak hebben geleerd, naast de fotografie, lopen ze een grote kans om in een nare fuik terecht te komen. Iemand die serieus wil fotograferen moet aan zijn denkvermogen werken, niet aan een artistieke bevlogenheid. Die komt later vanzelf, of niet. Ik maak mij dus wel zorgen om mijn aanstormende jonge collega’s die het niet zo makkelijk hebben als het mij verging.”

“Zijn ze cool genoeg? Genereren ze genoeg added value met hun brand soul? Al die vreselijke dingen waar ze mee om moeten gaan binnen een koud, fotografisch sterrensysteem waarin de markt de kwaliteit bepaalt. Ik moet er niet aan denken om binnen dit pandemonium mijn droom na te jagen.”

Fotografeert u nu nog veel?

“Het is onlogisch voor mij om op te houden met fotograferen. Maar ik fotografeer de laatste jaren wel veel minder. En vooral binnen de privésfeer. Ik weet niet hoe het af gaat lopen. Dat is voor mij ook nog een verrassing.”

Willem Diepraam, 50 jaar fotografie

Rijksmuseum, t/m 10 januari 2021

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden