Plus Voorpublicatie

Voorpublicatie James Worthy: In de buik van de wolf

Een voorpublicatie uit In de buik van de wolf, de nieuwe roman van James Worthy, over een naamloze schrijver-columnist die niet van zijn geluk kan genieten.

James Worthyfoto: Frank Ruiter James Worthy Beeld Frank Ruiter

Midden in de nacht wordt er op de deur van mijn kamer gebonkt. Niet paniekerig, het is meer het soort ­gebonk dat alleen uit enthousiasme geboren kan worden.

“Wakker worden, jonge vriend! We moeten naar buiten, het regent te hard om binnen te slapen.”

Ik doe de deur open en zie Rein staan. Naakt. Alles aan hem is gerimpeld, behalve zijn oogwit.

“Wat gaan we doen?” vraag ik.

“We gaan door de tuin rennen.”

“Ik ben niet graag naakt.”

“Waarom niet?”

“Als ik naakt ben, denk ik aan de vrouwen bij wie ik ooit naakt was.”

“Mis je die vrouwen misschien?”

“Ik mis iedereen altijd. Een paar maanden geleden kwam ik in de tram een meisje tegen dat ik vijftien jaar geleden had ontmaagd. Ik stond recht voor haar neus, maar ze herkende me niet. En ik weet alles nog. De kleur van het dekbedovertrek, de moedervlekken op haar onderrug en de geur van citronellakaarsen. Het was zomer. Er stond een kan grenadinesiroop op het nachtkastje. Zij lag onderop en veegde met een washandje mijn zweetdruppels van haar borsten. Dit soort dingen vergeet ik nooit meer. Maar zij herkende mij dus niet. Mijn vroeger was haar vroeger niet.”

“En dat is precies waarom je door de knieën gaat. Je zwicht omdat je te zwaar bepakt bent. Je moet verwerken, niet verwelken.”

“Hoe doe je dat?”

“Dat zal ik je later uitleggen. Trek die boxershort uit, we gaan door de tuin rennen.”

Hij springt op de trapleuning en glijdt er vanaf alsof hij hem ­zojuist met zonnebloemolie heeft ingesmeerd. Ik loop gewoon de trap af. Alle traptreden kraken. Op het moment dat ik door de openstaande tuindeuren naar buiten wil lopen, gaat de telefoon.

“Er wordt gebeld!” roep ik hard.

“Pak jij hem maar!”

Ik kijk de tuin in en zie Rein door het gras rollen.

“Ze is dood,” zegt de stem aan de andere kant van de lijn.

“Wie is dood?” vraag ik.

“De pauw. De pauw is dood.”

“Wat bedoelt u? Met wie spreek ik?”

“Met de dierenarts, dat lijkt me nogal wiedes.”

“Maar het is midden in de nacht.”

“Ik lig in scheiding. Daarom slaap ik op de praktijk. Als ik aan het werk ben, hoef ik niet na te denken. Begrijpt u? De pauw heeft het net niet gered, maar ze heeft gevochten als Dzjengis. Heeft u er bezwaar tegen dat ik haar in de tuin begraaf? Ik heb niets ­beters te doen en van gaten graven, word ik rustig.”

“U mag de pauw in de tuin begraven.”

“En moet ik nog iets tegen haar zeggen als ik aarde over haar heen aan het scheppen ben?”

“Zeg maar dat ze mooi was, maar dat ik haar stukken veerkrachtiger had verwacht.”

Ik hang op en voel weinig. De dood hoort bij het leven. Het is er soms gewoon opeens, net als dat ene vergeten blikje bier in de groentela.

Rein rent door de tuin. Ik hoor zijn gegiechel. Het begint te ­onweren. De zoon van God is aan het skelteren door de gang die boven ons ligt. Ik loop de tuin in en denk aan mijn vrienden. Nee, ik denk aan mijn ene vriend. Als hij me nu zou kunnen zien, zo naakt in de tuin, zou hij in zijn ogen wrijven van ongeloof. “Zo ken ik je helemaal niet, man.” Dat zou hij zeggen. “Je bent echt veranderd.”

Ik schrik altijd als mensen zeggen dat ik ben veranderd, omdat het vaak het begin van het einde betekent. De mensen die het dichtst bij je staan, dulden geen verandering.

Mijn eerste echte vriendinnetje verliet mij ooit omdat ik wilde leren dansen. Salsa. Ik wilde niet meer die jongen zijn die op een stoel naast de dansvloer bleef zitten tijdens een bruiloft, de ­jongen die zijn tantes hoofdschuddend moest afwimpelen. “Ik kom zo dansen. Echt.”

Maar ik kwam nooit.

Na zes maanden kon ik salsadansen, maar mijn vriendin verliet me. Ze wilde geen verandering, geen verbetering. Ze zei dat ik mezelf beter had gemaakt voor iemand anders. Niet omdat ik het zelf wilde.

Ik ben nu nog steeds die man die op een stoel naast de dansvloer blijft zitten, dagdromend over de bruid en al haar bruidsmeisjes.

In mijn dagdromen maak ik alles kapot, in het echte leven wil het maar niet lukken. Alles kapotmaken en dan opnieuw beginnen. Ik kan het niet.

Het gegiechel is gestopt. Ik denk dat Rein zich verstopt heeft. Zo is hij. Ik ken hem nog maar een halve dag en een korte briefwisseling, maar ik denk dat hij zo is. De kans is groot dat hij achter een boom staat. Een treurbeuk. Daar duwt hij zijn neus tegen de schors aan en ruikt. Rein kan dat. De treurigheid uit een beuk snuiven. Rein kan alles en daarom ben ik hier.

Achter in de tuin, naast het verroeste witte bankje, ligt hij in het gras. Zo’n zestig kilo witvlees in de donkerste nacht.

Ik ga naast hem zitten en leg een hand op zijn borstkas om te voelen of hij nog leeft. Zijn haren zijn jaloersmakend grijs. Ik snap nooit dat mensen zo’n hekel aan hun grijze haren hebben. Onder de grond liggen miljoenen mensen die nooit oud genoeg zijn geworden om grijs te kunnen zijn.

Het hart van Rein klopt rustig in een ritme waar ik geen salsa op kan dansen.

“Hoe voel je je?” vraagt hij. Een glimmend masker van regendruppels rust op zijn gezicht.

“Woont daar iemand?” vraag ik. Ik wijs naar het tuinhuisje.

“Niet meer.”

“Waarom brandt er dan licht?”

“Zodat ik me niet alleen hoef te voelen. Er woont niemand, en toch woont er iemand. Een mens. Het zet koffie in de ochtend en gaat buiten op een stoel zitten als de zon schijnt. Het schilt aardappelen in de namiddag. Het leest de krant en schrikt wakker in de nacht. Dan kijkt het op de klok of het al wakker mag worden. Het mag nog niet. Het valt weer in slaap en wordt omarmd door de droom die nog niet afgelopen was.”

“Maar er heeft ooit iemand in het tuinhuisje gewoond?”

“Nee, mijn huis is groot genoeg. Groot genoeg voor iedereen.”

“Zou ik er misschien een keer mogen slapen? Mijn oma had ­precies zo’n tuinhuisje. Ruikt het daar ook naar nat geworden hout? Van dat hout dat zich klaar aan het maken is om te gaan rotten? Op dat moment ruikt het op zijn zoetst.”

“Ik ken die geur. Het rotten brengt het beste in veel dingen naar boven. Ja hoor, je mag best een keer in het tuinhuisje slapen. Over een paar dagen, als beloning voor de vooruitgang die je dan hebt geboekt. Dus als je niet meer zo piekert.” Hij zwijgt even. “Hoe voelt het om een pauw vermoord te hebben?”

“Wat?”

“Haar naam was Priscilla.”

“Ik hoef haar naam niet te weten.”

“Ze had twee jonge kinderen.”

“Tja, dan denk ik dat ik het arme beest uit haar lijden heb ­verlost. Ik vind één kind hebben al een onmogelijke opgave.”

“Hoezo?”

“Heb jij kinderen? Ik zag wel een schommel in de tuin staan.’

“Je bent hier zodat ik jou kan helpen, je bent hier niet om mij te helpen. Stop al de vragen die je aan mij wilt stellen in een buidel, spaar ze op en heb geduld. Waarom vind je het zo’n opgave?”

“Mijn zoon? Er is niets op deze wereld waar ik zo ontiegelijk veel van hou. Soms wil ik een rietje in zijn borstkas duwen om te proeven hoe zijn hart smaakt. Dat mannetje is mijn alles.”

“Maar…?”

“De nieuwigheid is er wel een beetje af. Elke dag is een ­fotokopie van de dag ervoor, en ik weet niet meer hoe het eerste A4’tje eruitzag. Hoe de eerste versie van mijn geluk eruitzag. En dat haat ik van geluk. Hoe het went. Hoe het als kauwgum na tien minuten al alle smaak heeft verloren. En je toch blijft kauwen, omdat je dat wat je bent verloren alsnog tussen je kaken vast probeert te klemmen. Dat is de oneerlijkheid. Alles is maar tien ­minuten leuk, maar als die tien minuten voorbij zijn, doen we de rest van ons leven alsof dat niet zo is en alles eeuwig voortduurt.”

“Ik heb het idee dat jij vaak na twee minuten de klok acht minuten vooruitzet. Dat je denkt dat jij geen recht op die tien minuten hebt.”

“Ik heb er wel recht op, maar wat heb je aan geluk als het maar tien minuten duurt? Waarom zou ik mijn jas aan een kapstok hangen als ik weet dat hij zo van de muur valt? Dan kan ik net zo goed meteen al mijn jas op de grond smijten. Het is alles of niets in het leven, en iets wat maar tien minuten duurt kan nooit alles zijn.”

“Maar jij weet ook dat het gedurende die tien minuten aanvoelt alsof dat wat je voelt voor de rest van je leven kan voortduren.”

“Voelen is dus niets meer dan in leugens geloven. Geluk belooft voor altijd bij ons te blijven, terwijl het haar koffers al aan het pakken is. Ze is voor eventjes permanent.”

“Is geluk vrouwelijk?” vraagt Rein.

“Alles wat van schoonheid is is vrouwelijk, en alles wat afzichtelijk is is vrouwelijk. En alles wat daartussenin zit is mannelijk.”

We lopen het huis binnen. In de keuken liggen twee grote handdoeken op het aanrecht. We drogen onszelf af naast de ijskast.

“Je doet me denken aan een goede vriend van me. Een goede vriend die we morgenmiddag gaan begraven. Ties. Hij was ook een piekeraar. Op zijn sterfbed zei hij de mooiste dingen.”

“Wat zei hij dan allemaal?” vraag ik.

“Dat de meeste mensen de tijd hebben, maar dat het voor hem altijd voelde alsof de tijd hem had. Ik weet niet precies wat hij daarmee bedoelde, maar het klonk mooi. Niet dat ik niet wilde weten wat hij bedoelde, maar als iemand op zijn sterfbed ligt, heb je geen tijd om door te vragen. Ook had hij het over de onrust. Dat je kunt worden wie je wilt. Dat zeiden zijn ouders tegen hem toen hij nog jong was. Ties dacht dat je inderdaad kunt worden wat je wilt, maar dat je nooit wilt blijven wat je bent. Je gaat naar school, je studeert, je vindt een baan, de perfecte baan, en dan krijg je een burn-out. De mens werkt steevast naar iets toe. Het zet alles opzij. En als je alles lang genoeg opzij hebt gezet, staat niets je meer in de weg om de teleurstelling te zien die op je wacht. Je komt een meisje tegen in de discotheek, je wordt verliefd, je trouwt met haar en dan krijgt ze een dikke reet.”

Lees hier het interview met James Worthy: ‘Mijn roman is een liefdesbrief aan de slappeling’

James Worthy: In de buik van de wolf, Lebowski, €21,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden