PlusInterview

Voormalig AFM-topvrouw Merel van Vroonhoven liet zich omscholen tot docent: ‘Soms denk ik: wat heb ik gedaan?’

Merel van Vroonhoven: ‘Mijn grootste angst was: kan ik het wel? Is het zo leuk als ik denk?’ Beeld Jerome de lint
Merel van Vroonhoven: ‘Mijn grootste angst was: kan ik het wel? Is het zo leuk als ik denk?’Beeld Jerome de lint

Voormalig AFM-topvrouw Merel van Vroonhoven (53), die een autistische zoon heeft, liet zich twee jaar geleden omscholen tot docent in het speciaal onderwijs. Haar ervaringen tekende ze op in het boek De stap. ‘Die 8,5 miljard wordt visieloos het onderwijs in gesmeten.’

Ze weet het nog goed, het was eind 2014. Merel van Vroonhoven was bestuursvoorzitter van de Autoriteit Financiële Markten en zat aan een diner bij toenmalig burgemeester Eberhard van der Laan. Naast haar zat een ­prominente PvdA-bestuurder – zijn naam wil ze niet noemen. Ze wisselden de gebruikelijke beleefdheden uit: waar woon je, heb je kinderen. Van Vroonhoven vertelde dat haar oudste zoon net was begonnen in de brugklas. “Wat doet ie?” vroeg de PvdA’er. Vmbo, zei Van Vroonhoven. Waarop de man zei: “Goh, wat naar voor je.”

Shockerend vond ze het, vertelt ze in een café om de hoek van haar huis in Den Haag. “In wat voor samenleving zijn we beland dat zelfs een PvdA’er zoiets kan zeggen?” Ze is opgevoed met het idee dat het er niet om gaat wát je bent, maar wíé je bent, en dat je best hoge verwachtingen van je kinderen mag hebben, maar dat die veel verder gaan dan alleen Cito-scores. “Ik heb heel afgemeten geantwoord dat ik dat een teleurstellende reactie vond en niet begreep hoe hij zoiets kon zeggen. Gelukkig konden we snel wisselen van tafel.”

Het is een van de vele keren dat Merel van Vroonhoven werd geconfronteerd met een discrepantie tussen haar eigen gevoel en de eisen van de maatschappij. Haar oudste zoon heeft autisme. “Ik weet nog goed dat zijn leerkracht tegen me zei: hij is zó vooruitgegaan! En ik zag nog steeds alleen maar de laagst mogelijke scores. Hoe gaat zijn leven eruitzien, dacht ik, zal hij ooit op zichzelf kunnen wonen, kunnen studeren? En toen realiseerde ik me dat je altijd met spiegelende brillenglazen kijkt naar de buitenwereld, en ook naar je eigen kind. Dat je aan je eigen leven afmeet wat geluk is en dat altijd relateert aan prestaties. Dat vond ik heel ­confronterend.”

Van Vroonhoven zelf zat altijd tussen de hoogvliegers. Als afgestudeerd geo­fysica maakte ze razendsnel carrière bij Nationale-Nederlanden (NN) en ING. Ze belandde er als jongste vrouw ooit in de directie, eerst van NN, later van het beleggingsbedrijf van ING. In 2009 stapte ze over naar de raad van bestuur van de Nederlandse Spoorwegen, waar ze ver­antwoordelijk was voor onder meer het vastgoed, de internationale activiteiten en hogesnelheidslijn Fyra. In 2014 werd ze voorzitter van de financieel toezichthouder Autoriteit Financiële Markten, aan de Amsterdamse Vijzelgracht. In 2019 besloot ze die baan vaarwel te zeggen en zich om te laten scholen tot leerkracht in het speciaal onderwijs. Ze schreef er een boek over, De stap – Hoe mijn weg naar de top me naar het klaslokaal bracht, dat deze week verschijnt.

Hoe was uw eerste schooldag?

“Het was heel gek. Je bent opeens een beginner. Mijn eerste dag, toen nog als ­stagiaire, was op een school in het Laakkwartier, achter Den Haag Hollands Spoor. Een heel diverse school met vooral kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond, maar ook wat Poolse kinderen. Er was een jarige. De hele klas zong Lang zal ze leven, in het Marokkaans, en iedereen zong mee, ook de Poolse kinderen. Alleen ik stond met mijn mond vol tanden. Toen zei een meisje: ‘Het geeft niet hoor, juf Merel, ik leer het u wel.’”

Waar was u bang voor?

“Ik denk altijd: wanneer zien ze dat ik toch niet zo goed ben als anderen denken? Het bedriegerssyndroom dat veel vrouwen hebben. Maar de dingen waar je angsten over hebt, worden anders. Ik heb een dikkere huid gekregen, nog niet heel dik, trouwens, en ik ben niet meer bang om een presentatie te houden of een slechtnieuwsgesprek aan te gaan. Mijn grootste angst was: kan ik het wel? Is het zo leuk als ik denk? Het is leuker gebleken dan ik dacht, maar dat weet je niet van tevoren en dan heb je wel al alle schepen achter je verbrand. Soms zit ik op de grond in het klaslokaal en denk ik: het is dinsdagochtend, om deze tijd zitten mijn collega’s in directievergadering en ik zit hier met drie kinderen met een verstandelijke beperking die ik niet in het gareel kan houden. Wat heb ik gedaan?”

Wat heeft u moeten leren?

“De essentie van leidinggeven is overal hetzelfde: zorgen voor een prettig klimaat, teamkwaliteiten benutten, duidelijke kaders stellen en richting geven. Het grote verschil is het taalgebruik. Ik praat zoals in de corporate wereld. Met jargon en alles, maar het ging al mis als ik zei: ‘Jongelui, nu gaan we luisteren.’ Dan werden kinderen heel boos op mij en zeiden: juf, ik ben helemaal niet lui. En je moet alles benoemen. Aan het eind van een vergadering met bankdirecteuren kun je gewoon zeggen: ‘Nou, dit was de vergadering.’ Dan staat iedereen op en laat elkaar door de deur. Als je bij kinderen op een basisschool niet zegt: nu gaat eerst het groepje van ­Jessie en dan het groepje van ­Yasmine en dan dat van Jarek, dan rennen ze als een gek naar de deur toe en denk je: wat gebeurt hier?”

Kunt u zich het exacte moment ­herinneren dat u besloot leerkracht te worden?

“Het was een regenachtige maandagochtend in december. Ik was gaan wandelen door de duinen, bij de Wassenaarse Slag. In die tijd koos ik regelmatig momenten om na te denken over mijn toekomst. En op dat moment, in die verlaten duinen, vielen de puzzelstukjes in elkaar: ik ga het onderwijs in, het speciaal onderwijs. Ik had dat al eerder overwogen, jaren ervoor, maar nu voelde het als iets wat paste. Het lerarentekort was veel in het nieuws en ik besefte weer hoeveel leraren voor mijn zoon hebben betekend. Dat wilde ik ook voor andere kinderen.”

‘Het onderwijs is de afgelopen decennia compleet uitgehold. Het is afschuwelijk.’ Beeld Jerome de lint
‘Het onderwijs is de afgelopen decennia compleet uitgehold. Het is afschuwelijk.’Beeld Jerome de lint

“Ik heb het direct opgeschreven. Ik had bewust geen telefoon bij me, maar wel mijn dagboek. En daarna ben ik doorgelopen naar een hotel. Er was niemand. Er hingen wat kerstslingers, er speelde kerstmuziek op de achtergrond en er was een keurige meneer in een oberpak die dolblij was dat er iemand kwam.”

Een verregende mevrouw.

“Precies. Ik ging bij de haard zitten en ben gaan opschrijven wat ik bedacht had. Hoe ik betekenis wilde geven als individu, in plaats van vanuit een systeem. Van dichtbij, in plaats van op grote afstand. En ik ben gaan googelen hoe dat allemaal werkte, met opleidingen en open dagen. Daarna ben ik naar huis gegaan en heb ik het mijn man en mijn kinderen verteld.”

Hoe reageerden die?

“Die waren meteen enthousiast. Ze hadden mijn zoektocht natuurlijk al een tijdje meegemaakt. Maar direct daarna kwamen de zenuwen. Jemig, ik ben net een jaar geleden herbenoemd bij de AFM, wat vinden mensen ervan, is het niet slecht dat ik, een van de weinige vrouwen in een topfunctie, mijn baan vaarwel zeg? En: word ik wel een goede leraar? Kan ik nog studeren? Kan ik nog wel zonder al die mensen om me heen die mijn afspraken maken, mijn aantekeningen uitwerken en mijn computer fiksen?”

Heeft u op uw werk iemand in ver­trouwen genomen?

“Nee. Als ik toch tot de conclusie zou komen dat ik het niet ging doen, zou ik de indruk hebben gewekt niet meer honderd procent voor mijn functie te gaan. Ik moest eerst mijn huiswerk doen. Ik ben als een echte toezichthouder niet alleen gaan praten met mensen in het onderwijs, maar ook met mensen die er juist úít zijn gegaan. Ik heb de boeken gelezen van Meester Mark, die AD-journalist die alleen maar de meest afschuwelijke verhalen vertelt. Ik heb Laila gebeld, mijn vriendin en oude oppas die zelf de pabo heeft gedaan toen ze voor mijn kinderen zorgde, en heb meegelopen op haar school en op de oude school van mijn oudste zoon.”

“Het leuke was, ik deed dit op mijn vrije dagen, op scholen in Den Haag. In Amsterdam, bij de AFM en op de Zuidas, had ­niemand in de gaten dat ik dit aan het doen was. Het was zo’n andere wereld. En na al die gesprekken en al die dagen meelopen kwam ik steeds enthousiast thuis. Dus in maart 2019 dacht ik: hoeveel ­scholen moet ik nog bezoeken? Ik ga dit gewoon doen!”

Als u met de blik van het bedrijfs­leven kijkt naar het onderwijs, wat denkt u dan?

“Het onderwijs is de afgelopen decennia compleet uitgehold. Het is afschuwelijk. Ik ben een kind van de jaren zeventig, ik ben opgegroeid in een tijd waarin het draaide om emancipatie, ontwikkeling, dat je zoveel meer bent dan alleen je hoofd. Maar ik heb carrière gemaakt in de jaren negentig, toen het marktdenken een hoge vlucht nam. De markt die ervoor zou zorgen dat iedereen het beter kreeg. Dat marktdenken gaat ervan uit dat iedereen dezelfde kansen krijgt, dezelfde informatie tot zijn beschikking heeft, en dat is helemaal niet zo.”

“Ik heb die marktwerking gezien in de financiële sector en in het openbaar vervoer. Het zit ook in de zorg en in het onderwijs. Er hoort een doctrine van verantwoording bij, waardoor een bureau­cratie is gecreëerd van protocollen, want er mag niets misgaan. Van professionals, de leerkrachten, hebben we uitvoerders gemaakt. Scholen moeten met elkaar ­concurreren, en als je als leerling in het speciaal onderwijs in groep 8 een ander niveau blijkt te hebben dan in groep 5 was ingeschat, fronst de inspectie al de wenkbrauwen, want dat kan eigenlijk niet. En dan investeert de regering nu, totaal visieloos, achtenhalf miljard euro. Een bedrag waarbij ik me niets kan voorstellen wordt het onderwijs in gesmeten en moet in tweeënhalf jaar worden uitgegeven. Dan denk ik: wat hebben we hieraan? Hier krijg je toch geen beter onderwijs van? Hier trek je toch geen leraren mee aan voor de lange ­termijn?”

Kunt u hier niets aan doen?

“Ik hoop het. Degenen die beleid maken, vast met goede bedoelingen, staan niet meer in verbinding met degenen voor wie het is. Dat merkte ik zelf bij de AFM. Al ging ik meeluisteren met klantgesprekken, het grootste deel van de tijd zat ik toch in die vergaderzaal met gelijkgestemden. Hoe goed was ik nou nog geworteld in de samenleving? Eerlijk is eerlijk: niet goed genoeg. Dat zie je natuurlijk ook bij ambtenaren, bij wetgevers, in de Tweede Kamer. De mensen die de regels bedenken, staan op heel grote afstand van de mensen die ze moeten uitvoeren. Daarom heb ik gezegd: de klas is mijn uitgangspunt. Daar ga ik mijn tijd in stoppen. En de dagen die ik overheb, gebruik ik om zichtbaar te maken wat er gebeurt. Met mijn columns in de Volkskrant, door mijn adviesrol bij de aanpak van het lerarentekort, door mijn functie in de raad van toezicht van de ­Radboud Universiteit. Ik probeer het netwerk en de ervaring die ik in de loop der jaren heb opgebouwd te benutten, maar wel met mijn poten in de modder.”

U studeerde in Delft, waar u, zoals u in uw boek schrijft, geleerd heeft niet gevoelig te zijn voor haantjesgedrag. Wat bedoelt u daarmee?

“Ik was lid van het Delftsch Studenten Corps. Daar waren driehonderd eerstejaars, van wie dertig meisjes. Sowieso waren er in Delft bijna alleen maar jongens, ook op mijn studie. Ik heb er een ­fantastische tijd gehad, maar bij zo’n corps hoort een zekere brallerigheid. Lomp, bot. Haantjesgedrag zit in zo’n studentenvereniging ingebakken. Ik heb het leren relativeren. Veel is een spel en niet iets om van onder de indruk te raken. En dat gedrag zie je soms ook terug in de bestuurskamer. Dan denk ik: staan we weer op de sociëteit, mannen? Maar ik kan me voorstellen dat dit gedrag, als je het niet gewend bent, heel imponerend kan zijn. Of gewoon ­irritant.”

Vindt u dat je ertegen moet kunnen?

“Dat is een gewetensvraag. Ik heb dierbare herinneringen aan mijn studententijd; die heeft mij echt geholpen als puber uit mijn ouderlijk huis naar volwassenheid te komen. Maar ik zie er ook de keerzijde van. Als zo’n vereniging een ­bubbel wordt die zich afsluit van de buitenwereld, krijg je excessen. Dat is ook in het bedrijfsleven een van de grootste risico’s. Die deur moet open.”

U bent een keer door een klant op uw mond gezoend.

“Ik was eind twintig, ik was in het gezelschap van mijn baas, de klant en nog een andere man. We zaten aan een ronde tafel, bij een lunch met alles erop en eraan en die man dronk steeds meer en kwam steeds dichterbij zitten. Bij het afscheid gaf ik hem een hand en gaf hij me een natte zoen midden op mijn mond. Ik ­verstijfde, deed niets. Later die dag ben ik naar mijn baas gegaan en heb ik gezegd: dit kan niet, je moet die man bellen! En mijn baas zei: nee, inderdaad, maar het is toch een klant. Uiteindelijk heb ik mijn oude baas gebeld en heeft die man een berisping gekregen. Het is achteraf makkelijk praten dat ik hem gewoon een klap had moeten geven. Ik vond het vooral teleurstellend dat niemand in mijn omgeving er iets van zei. Dat heb ik wel vaker gemerkt, bij Nationale-Nederlanden zelfs in de directie, dat een leidinggevende enorm seksistische grappen maakte en zei: ‘Daar kan Merel wel tegen hè, die is een van de jongens.’”

‘Je zou eigenlijk willen dat het helemaal geen bijzondere stap is.’ Beeld Jerome de lint
‘Je zou eigenlijk willen dat het helemaal geen bijzondere stap is.’Beeld Jerome de lint

U beschrijft in uw boek dat ING-baas Michel Tilmant de Amerikaanse bedrijfsgoeroe Jack Welch in laat ­vliegen om te vertellen hoe je een bedrijf moet leiden.

“Als je het hebt over machogedrag… Dat was toen. Die speech van Welch ging alleen maar over winnaars. Hij zei: ik beoordeel de mensen ten opzichte van elkaar en elke twee jaar ontsla ik de onderste twintig procent, dan gaat iedereen beter zijn best doen. Het was ontluisterend. Zo creëer je onderling wantrouwen, want waarom zou je elkaar nog helpen?”

En toen besloot ING ook nog eens de Formule 1 te sponsoren en te stoppen met de marathon. Dat moet u als marathonloper pijn hebben gedaan.

“De marathon, die was niet prestigieus genoeg. Terwijl de gedachte erachter zo mooi is. Iedereen kan hardlopen, of je nu de koning bent of een dakloze – als dakloze moet je alleen hopen dat iemand je een paar goede gympen geeft. Aan de marathon doen mensen met allerlei achtergronden mee aan hetzelfde ritueel. Je doet het in je eentje, maar het kan alleen omdat je met zijn allen bent. Maar de Formule 1, daar kijkt blijkbaar de hele wereld naar, dus dat was goed voor het merk ING, want het doel was enorme groei. Terwijl je als bank niet moet vergeten wat je echt moet doen, namelijk geld van mensen bewaren, of op een goede manier beleggen zodat het meer wordt en mensen daarmee bijvoorbeeld hun pensioen kunnen aanvullen. Je bent een geldverschaffer, niet iemand die de zorg biedt, of het onderwijs geeft, of het huis bouwt. Een belangrijke functie, zeker ook in het ­betalingsverkeer, maar wel een dienende ­functie. Dus toen die Formule 1-auto het podium op kwam rijden, met We are the champions erbij, voelde ik me ontzettend ongemakkelijk.”

Had u die cultuur van binnenuit ­kunnen veranderen?

“Dat heb ik me vaak afgevraagd. Ik heb het altijd geprobeerd, maar ik kan me een moment herinneren dat het hoofd personeelszaken me vertelde dat er een nieuw beloningssysteem zou komen. Je kon geloof ik je hele vaste salaris verdienen aan bonussen. Toen zei ik: ik zit daar niet zo op te wachten, ik geloof daar niet in, ik denk dat zoiets mensen te veel richt op de verkeerde dingen. Toen zei die man: vind je dat echt? Dan moet je je misschien afvragen of je hier nog wel hoort. De tijdgeest van ‘wij hebben maar één iemand te dienen en dat is de aandeelhouder’ stond haaks op mijn eigen overtuiging dat je een maatschappij moet dienen waar niet iedereen een winnaar of een verliezer is. Ga je alleen voor aandeelhouderswaarde of ook voor wat belangrijk is voor het milieu, het klimaat, gelijkheid? Die ­discrepantie was zo groot, die was voor mij niet te overbruggen. Niet op dat moment.”

Heeft u mensen aangestoken?

“Veel mensen schrijven me: ik ben geïnspireerd om ook zo’n stap te zetten. Je zou eigenlijk willen dat het helemaal geen bijzondere stap is. Waarom zou je je hele leven hetzelfde blijven doen? Waarom zou de definitie van succes moeten zijn dat je een bodem en een top hebt en dat je, als je aan de top zit, daar vooral moet blijven? Het zou toch fantastisch zijn als meer mensen zouden zeggen: ik ga economie geven op een middelbare school of werken in de zorg, in plaats van tot hun zeventigste commissariaten te doen. Dan moet er nog wel wat gebeuren. De opleiding die ik krijg, is gericht op zeventien­jarigen. Een studiegenoot is gepromoveerd natuurkundige, maar hij moest voor zijn lerarenopleiding toch een vak ‘onderzoeksvaardigheden’ doen. Ik moest als Delftse ingenieur het verplichte basis­examen wiskunde doen. Je wilt best een beginner zijn, maar je wilt ook erkenning voor je ervaring. Ik denk dat iemand van eenentwintig net iets anders voor de klas staat dan iemand van vijftig.”

Merel van Vroonhoven: De stap – Hoe mijn weg naar de top me naar het klaslokaal bracht, Ambo | Anthos, €21,99.

null Beeld merel van vroonhoven
Beeld merel van vroonhoven

Merel van Vroonhoven

5 mei 1968, Blaricum

1980-1986 Maurick College, Vught
1987-1993 Studie mijnbouwkunde en ­petroleumwinning TU Delft, ­afstudeerrichting geofysica
1993-2002 Diverse managementfuncties bij ING en Nationale-Nederlanden, onder meer in Polen
2000 MBA INSEAD Business School, Fontainebleau, Frankrijk
2002-2007 Directielid Nationale-­Nederlanden
2007-2009 Lid van management committee ING Investment Management ­Europe
2009-2014 Lid raad van bestuur ­Nederlandse Spoorwegen
2012 Uitgeroepen tot topvrouw van het jaar
2014-2019 Voorzitter bestuur Autoriteit ­Financiële Markten
2019-nu Pabo-opleiding Hogeschool ­Inholland
2021 Lerares speciaal onderwijs, groep 6, Eerste Nederlandse Buitenschool, Den Haag

Van Vroonhoven schrijft eens in de twee weken een column over haar ervaringen in de Volkskrant.

In opdracht van het ministerie van Onderwijs deed ze onderzoek naar de aanpak van het lerarentekort.

Ze heeft toezichtfuncties bij onder meer Stichting Lezen en de Radboud Universiteit. Ook was ze voorzitter van de werkgroep ­Vanuit autisme bekeken.

Van Vroonhoven is getrouwd en heeft twee kinderen uit een ­eerder huwelijk. Ze woont in Den Haag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden