PlusInterview

Voetbalverhalen van Maarten Spanjer gebundeld: ‘Je kon Keizer en Cruijff zo aanraken’

Maarten Spanjer (68) schreef nieuwe voetbalverhalen en bundelde die samen met de oude. Over een tijd die niet meer bestaat, klapkauwgompies en Karate Bob.

Maarten Spanjer: ‘Je kon toen gewoon langs de lijn gaan staan als de Ajacieden aan het trainen waren.’ Beeld Nina Schollaardt
Maarten Spanjer: ‘Je kon toen gewoon langs de lijn gaan staan als de Ajacieden aan het trainen waren.’Beeld Nina Schollaardt

Maandagmiddag op het terras van café De Avonden aan de Middenweg. Over vier dagen begint het Europees kampioenschap voetbal, maar van enige oranjekoorts is geen sprake. Bij vorige toernooien veranderde dit café in een feestelijke, hysterische kermisattractie met alle mogelijke toeters en bellen en een groot, ludiek doek op de voorgevel.

Ze zijn er hier nog niet klaar voor, al heeft acteur, televisiemaker en auteur Maarten Spanjer, die net het terras op komt lopen, wel een oranje jasje aan. Maar dat is puur toeval.

“Ik ben lang niet in deze buurt geweest,” zegt hij terwijl hij op een stoel gaat zitten.

Vroeger keek dit café, toen nog Meerzicht geheten, uit op stadion De Meer. Het stadion dat de locatie is in een aantal verhalen in Toen godenzonen niet bestonden, de nieuwe verhalenbundel van Maarten Spanjer, met die beroemde foto van vier Ajacieden van Paul Huf op het omslag. Voetbalverhalen zijn het, en in het eerste verhaal, Rood-wit thuis, gaat de kleine Maarten voor het eerst naar De Meer.

In een ander verhaal doet hij met zijn broer wedstrijdjes bal hooghouden op de slaapkamer. Met het hoofd. Net als Spanjer het record gaat breken, na 1183 keer, doet zijn broer het licht uit. “Twee ballen van het record af,” zei hij, “jammer!”

Spanjer neemt in hetzelfde verhaal wraak. Hij is de kunst van het glippen machtig, zonder kaartje het stadion inkomen, maar zijn broer niet. Hij helpt hem door te zegen dat zijn broer bij een vader met een sliert kinderen moet aansluiten en dan met diens kinderen mee naar binnen moet lopen. Als zijn broer zich bij een vader aansluit, loopt Spanjer, hij is al binnen, naar een suppoost. ‘Meneer, ik wil me nergens mee bemoeien (…), maar die rooie verderop in de rij heeft volgens mij geen kaartje.’ Waarop zijn broer hardhandig het Ajaxterrein af wordt gegooid. ‘Tevreden zocht ik een plaats uit op de tribune.’

Valse romantiek

Tevreden ook, zit Maarten Spanjer op het terras van De Avonden.

“Ik weet nog dat we jongens waren en Ajax een Europacup had gewonnen, en dat ik samen met Louis van Gaal over het hek van het stadion klom. De lichtmasten stonden aan en Louis liep juichend over het lege veld. En toen zei ie: later ga ik hier grote successen beleven. Hij bedoelde als voetballer, want hij speelde toen in het tweede. Het is anders gelopen, haha.”

In 1996 verruilde Ajax De Meer voor wat nu de Johan Cruijff Arena heet. De Meer werd afgebroken en er verrees de woonwijk Park de Meer. Met straatnamen die vernoemd zijn naar stadions waar Ajax successen vierde, en bruggen die namen van roemruchte spelers en trainers hebben gekregen.

De bedoeling was met Spanjer door de woonwijk te lopen en het dan over zijn net verschenen bundel voetbalverhalen te praten. Ook omdat een aantal verhalen zich in stadion De Meer afspeelt.

“Nou,” zegt hij, “ik fietste net over de Rinus Michelsbrug op weg hiernaartoe. Dat is wel speciaal natuurlijk, maar om daar nou in die wijk rond te gaan lopen… Dat hoeft voor mij niet zo. Wat is daar nou te zien? Ik heb ­gehoord dat ze met een halve bal ergens de middenstip hebben aangeduid, maar dat de echte middenstip ergens in een sloot ligt. Doe het dan niet. Totaal oninteressant. Allemaal valse romantiek. Maar die grote muurschildering van Cruijff is wel mooi… Kunnen we niet hier blijven zitten?”

Een van de twee uitbatende broers komt de drankjes brengen. Waar de oranje vlaggetjes blijven, vragen we.

“Die komen eraan, ze zijn besteld.”

“Toch niet via Sywert van Lienden, hè?” zegt Spanjer.

De kelner buldert. “En er komt weer zo’n groot doek te hangen, hier…” En hij laat een afbeelding op zijn telefoon zien. ‘Wij zijn er klaar voor’ staat er boven twee leeuwen met de hoofden van de broers.

Even worden de kansen van net Nederlands elftal doorgenomen. Het enthousiasme spat er niet vanaf.

“Ik vind het eigenlijk wel goed dat de verwachtingen niet hoog zijn gespannen,” zegt Spanjer. “Dan kan het alleen maar meevallen.”

Ballenjongen

Terug naar het boek. Het zijn kleine, fijne en lichte verhalen die Spanjer vertelt. Ze ademen de sfeer van de jaren voor de commercie het voetbal overnam.

“Ik droeg altijd de tas van Ajaxfotograaf Bob Friedländer. Kon ik zo de catacomben inlopen. Waar ik op een dag een spiernaakte Eusébio op een brancard zag liggen. De grote Eusébio! En ik heb Masopust een hand gegeven in zijn ­hotel hier in Amsterdam. Hij vroeg me waar ik speelde. Bij SEMO, antwoordde ik. Dat was de club van de glazenwassers uit de Jordaan. Ik schaamde me daarvoor. Maar Masopust zei: ‘SEMO, ach so, da habe ich von gehört natürlich.’ Zo’n aardige man.”

De teleurstelling dat de moeder van Piet Keizer opendoet als hij op zijn adres aanbelt voor een handtekening. ‘Het beeld van de ongenaakbare stervoetballer strookte niet met het gegeven dat Piet nog bij zijn moeke woonde.’

“Dat kan allemaal niet meer tegenwoordig. Maar toen! Je kon toen gewoon langs de lijn gaan staan als de Ajacieden aan het trainen waren. Wij gingen na school altijd kijken, stonden we daar met een paar van die gepensioneerden die zich helemaal suf verveelden. Wij vonden dat geweldig. Piet Keizer en Johan Cruijff die je zo kon aanraken.”

Als jongen van veertien, vijftien was Spanjer ballenjongen bij Ajax. Tot hij op een dag de bal met buitenkant rechts naar Keizer wilde schieten, in de hoop dat Michels dat jongetje met zijn fluwelen baltechniek zou opmerken. Hij raakte Michels vol in zijn rug. Die draaide zich om. Spanjer, een goede imitator, met de stem van Michels: “Wil dat ellendige klapkauwgompie onmiddellijk van ­onze velden verdwijnen!”

Sommige verhalen komen de verslaggever bekend voor. Wat kan kloppen, want de bundel is een verzameling oude en nieuw voetbalverhalen.

Spanjer steekt zijn vinger op.

“En nu ga je zeggen dat ik me herhaal. Maar dan haal ik Reve aan. Hoe mooi dat we op het terras van De Avonden zitten… Reve kreeg van een journalist de vraag: ‘Nou, ­meneer Reve, u herhaalt zich wel veel.’ Waarop hij zei: ‘Ja, wie moet ik anders herhalen?’”

Lachend pakt Maarten Spanjer zijn glas gingerale. “Kijk, ik word ook een dagje ouder, en schrijven vind ik nu een van de plezierigste dingen om te doen. Ik had veel meer ­geschreven kunnen hebben, maar vroeger waren er nog zoveel andere dingen die ik leuker vond…”

Zelf geschreven

Hij speelde in de cultfilm Spetters, in televisieseries, was taxichauffeur in Taxi, en het Miskend Talent en drs. Vijfje in het legendarische televisieprogramma Voetbal 80, Beun de Haas in een commercial, en rechercheur Boks in de gelijknamige tv-serie.

“Ik heb nog wel wat ideetjes hoor, bijvoorbeeld voor een televisieserie van zes afleveringen. Al moet ik die nog wel gefinancierd krijgen. Over dingen die verkeerd gaan. We leven nog, moet die serie gaan heten.”

En weer terug naar het boek.

“Wat ik het mooiste verhaal vind? Het nieuwe verhaal Scheids, hoe lang nog? vind ik heel geslaagd. Over voetballen in de gevangenis.”

Met Karate Bob.

“Ja.”

Die verliefd is op Spanjer.

“Dat was zo, ja.”

Ook met een aan claustrofobie lijdende Willem van ­Hanegem, die met Spanjer in een team komt voetballen ­tegen gedetineerden. En de onvermijdelijke gevangenisgrappen. Vraagt een gedetineerde: “Scheids, hoe lang nog?” Zegt de scheidsrechter: “Nog twaalf jaar, Tinus.”

Ook zijn vriend René van der Gijp, Spanjer raakte met hem bevriend toen hij een blauwe maandag sportjournalist bij Nieuwe Revu was, ontbreekt niet in het boek. Die kan hij trouwens ook goed nadoen. “René was bij de presentatie van mijn eerste boek. Neemt ie me apart.” Met de stem van Van der Gijp: “Maarten, man, hé, ik vind het best wel een leuk boekie, maar dat hebbie toch niet zelf ­geschreven, man! Doe normaal, man! Nee! Dat hebbie niet echt zelf geschreven, man.”

Spanjer moet er zelf smakelijk om lachen.

Mocht het spel van Oranje u toch niet kunnen bekoren de komende weken, dan bieden de verhalen in Toen goden­zonen niet bestonden een uitstekend alternatief. Echt allemaal door Maarten Spanjer zelf geschreven.

Maarten Spanjer: Toen godenzonen niet bestonden, Nieuw ­Amsterdam, €17,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden