PlusPortretserie

Vier generaties Holocaust-slachtoffers: ‘Zelfs nu betrap ik me erop dat ik onbewust op zoek ga naar onheil’

Niet alleen directe overlevenden kampen vaak met oorlogstrauma’s, ook de generaties na hen. Vijf getroffenen vertellen. ‘De angst dat er elk moment iets vreselijks kan gebeuren, voel ik tot in mijn diepste vezels.’

Liesje Caransa. Beeld Marc Driessen
Liesje Caransa.Beeld Marc Driessen

Voor velen is de oorlog ver weg. Maar voor anderen is die nog dagelijks aanwezig. Van generatie op generatie zijn de trauma’s uit ’40-’45 bewust en onbewust doorgegeven. We leven in een bijzondere tijd, want nog altijd zijn er mensen die de oorlog hebben meegemaakt en die erover willen vertellen. De tweede generatie kinderen, grootgebracht in de schaduw van de oorlog, hebben alle verhalen in geuren en kleuren gehoord of groeiden juist op in stilte. Ook is er een derde generatie die iets verder van de gruweldaden afstaat, maar toch voelt dat er ‘iets’ aan de hand is met mama of opa. ­Anno nu hebben we zelfs een vierde generatie, die bewust terugkijkt in afschuw. Een generatie die maar al te gemakkelijk een link legt tussen het oplaaiend antisemitisme op de socialmediakanalen en de pijn van de ­Holocaust. Vier ­generaties getroffenen vertellen hoe de oorlog nog steeds narimpelt in hun levens.

Eerste generatie

Liesje Caransa (82), gepensioneerd medisch analist:

“Ik was negen maanden toen mijn vader mijn moeder ­verliet. De oorlog was net uitgebroken en mijn moeder moest gaan werken om wat geld te verdienen. Ze kreeg een betrekking bij een bontatelier op de Ceintuurbaan. Ik werd verzorgd door mijn oma. We woonden in Oost op het ­Afrikanerplein. Het was heerlijk daar. Ik speelde veel buiten met mijn neefje Deddie. Hij was als een grote broer voor me.

Op een dag moest ons gezin zich melden bij de ­Hollandsche Schouwburg. Ik herinner het me nog goed, ik was bijna vier. Gefascineerd was ik door die rode stoeltjes en dat gigantische podium. Deddie liep me overal achterna, hij lette altijd op me. Op een gegeven moment werd ik door een verpleegster naar de Joodse crèche aan de overkant van de straat gebracht. Ik werd in een bedje gelegd. Even later ging de deur van de slaapzaal open: daar stonden mijn moeder en oma. Ik schreeuwde het uit: ‘Mama, opoe, ik wil bij jullie zijn!’ Maar dat mocht niet. Ze werden vergezeld door een Duitser, ze mochten alleen naar me zwaaien. Ik mocht geen knuffel. De volgende avond werd ik meegenomen naar de tuin, het was al donker toen ik over de schutting werd getild. Daar stond een vreemde man. Hij stopte me in een jute zak en bracht me naar een onderduikadres in De Pijp. Even terzijde, maar de geur van jute kan ik nog steeds niet verdragen, elk jaar met Sinterklaas vliegt het me aan.

Ik kwam in huis bij de familie Koopmans, ze hadden een melkwinkel in de Jan van der Heijdenstraat. Nora Koopmans, de jongste uit het gezin, was een collega van mijn moeder. Zij had mijn moeder op het hart gedrukt dat ik bij haar moest komen. Nora was heel lief voor me, maar ik verlangde hevig naar mijn familie. Ik mocht het huis niet uit. Maar op een dag, de deur stond op een kier, ben ik weggelopen. Ik wilde terug naar ‘ons Afrikanerplein’, naar de buurvrouw die me altijd snoepjes gaf, naar het gevoel van thuiskomen. Het was een vreselijk eind lopen. Toen ik aankwam wachtten er geen snoepjes op me, maar een ­reprimande: het was levensgevaarlijk wat ik had gedaan.

Ik heb me vaak eenzaam gevoeld. Niet alleen in de oorlogsjaren, maar ook lang daarna. Verlaten door iedereen. Mijn moeder heeft in Auschwitz-Birkenau gezeten, ze heeft het kamp wonder boven wonder overleefd. Maar Deddie en mijn opoe heb ik nooit meer teruggezien. ­Deddie is vermoord in Sobibor. Hij had een plaatje om zijn nek met zijn naam en adres erop. Het plaatje is teruggevonden door een archeoloog op het kampterrein. Ik ­probeer al jaren zijn naamplaatje terug te krijgen, maar tot nu toe zonder succes. Het ligt in een vitrine op die door god vergeten plaats in Polen. Een replica heb ik gekregen. Zo unfair.

Het heeft heel lang geduurd voordat ik aan mezelf durfde toe te geven dat ook ik door de oorlog getraumatiseerd ben. Lang was het alleen mijn moeders verhaal dat telde. Ik had het immers toch goed gehad in de onderduik? Maar ik was een bang kind en dat is nooit meer helemaal overgegaan. Tot mijn twintigste moesten ze oppas voor me ­regelen omdat ik niet alleen thuis durfde te zijn. Ik kan nog steeds niet goed slapen zonder hulpmiddelen.

Later in mijn leven ben ik meer over de oorlog gaan ­praten, ook op scholen. Ik had een keer een klas die een ­petitie voor me wilde starten om het naamplaatje van Deddie ­terug te krijgen. Zo hartroerend. Toen moest ik wel even slikken.”

Tweede generatie

Marion Wijnberg.
 Beeld Marc Driessen
Marion Wijnberg.Beeld Marc Driessen

Marion Wijnberg (63), eigenaar van De Eerste Keramiek Kamer:

“Mijn vader, Mani Wijnberg, heeft in vijf kampen gezeten. Hij heeft de dodenmars gelopen van Auschwitz in Polen naar Buchenwald in Duitsland. Hij had twee afgevroren tenen.

Verder weet ik weinig over de oorlog. Mijn ouders praatten er nooit over. Mijn vader had een getatoeëerd kampnummer op zijn arm. Daarover zei hij: ‘Dat is mijn telefoonnummer, dat kon ik nooit onthouden.’ En ik durfde er niet naar te vragen, want ik wilde geen wonden openrijten. Bij ons thuis hing altijd een soort grauwsluier. We deden ook niets aan het jodendom. Voor mij stond het geloof ­synoniem aan pijn en verlies.

Mijn vader was een selfmade man. Als zoon van een veehandelaar uit Hoogeveen had hij ondanks die oorlog toch een mooi bedrijf opgebouwd. Hij was de importeur van Abus-sloten. Hij eiste ook dat wij, mijn broer en ik, hard werkten. Ik moest uren huiswerk maken en dat tekende hij dan af in een boekje. Ik ben daardoor een enorme doorzetter geworden, soms voorbij wat goed en gezond is voor mij.

Mijn beide ouders zijn zwaar getraumatiseerd uit de oorlog gekomen. Ze zijn hun hele leven blijven vechten, maar dan vooral met elkaar. En wij zaten daar als kinderen vaak tussen. Als mijn moeder een keer lekker had gekookt, zei mijn vader: ‘Het spijt me dat ik het moet zeggen, maar je hebt lekker gekookt.’

Ik was geen vrolijk kind. Als jongvolwassene raakte ik steeds verder gedeprimeerd, dat mondde uit in een ­depressie. Ik heb zware jaren gekend waarin ik te veel dronk: dat was mijn manier om de pijn van binnen te verdoven. Ik heb dat gelukkig achter me kunnen laten. Ik ben in therapie geweest, dat heeft geholpen.

Hulp van buitenaf accepteren vind ik nog steeds moeilijk: ik wil het liefst alles zelf opknappen. Een liefdesrelatie onderhouden is voor mij niet vanzelfsprekend. Als het te dichtbij komt, wil ik toch het liefst weer weg. Hechting en intimiteit zijn ingewikkeld. Ik ben daarom bewust kinderloos gebleven. Moet ik de problematiek waarmee ik kamp weer doorgeven?

De vraag of mijn problemen te herleiden zijn naar ’40-’45, vind ik moeilijk te beantwoorden. Het is diffuus, er is niemand die kan zeggen: ja, dat komt daardoor. Ik herken wel veel in de tweedegeneratieproblematiek. Toen ik een jaar of veertig was kreeg ik van mijn vader een boek: Kaddisj voor Daisy, van Simon Hammelburg. Daarin schreef mijn vader een opdracht: ‘Lieve tweede generatie kinderen, er zijn veel zaken die ik in dit boek herken. Ouders die hun kinderen hebben geslagen of mishandeld, en dat alles ­onder het excuus om via het werk te kunnen vergeten. Lees het boek en beschouw het als een behoefte van mij om te vertellen wat ik nooit kon zeggen.’

Ik leg de lat hoog, voor de ander maar ook voor mezelf. Ik ben enorm kritisch en vind snel dat de ander verzaakt. Dan voel ik me in de steek gelaten. Omdat ik jaren niet over mijn gevoelens kon praten, mondden conflicten meestal uit in ruzies.

Ik ben een harde werker geworden en geef niet snel op. Zo heb ik ook mijn ­eigen bedrijf kunnen opbouwen. Eigenlijk ben ik pas de laatste paar jaar gelukkig. En zelfs nu betrap ik me erop dat ik onbewust steeds op zoek ga naar onheil. Als ik hoofdpijn heb, denk ik meteen: het is een tumor. Ik laat het geluk niet toe, omdat ik altijd denk dat er iets slechts gaat gebeuren. Nee, ik heb geen spijt dat ik geen kinderen heb gekregen. Als ik al zo kan piekeren over mezelf, hoe moet dat dan met een kind? Het is beter dat het trauma bij mij stopt.”

Michael Hompes.
 Beeld Marc Driessen
Michael Hompes.Beeld Marc Driessen

Michael Hompes (41), strategisch consultant:

“Op 4 mei liepen we altijd achter de burgemeester tijdens de herdenking op de Waalsdorpervlakte. Mijn klasgenootjes zagen me dan op het Achtuurjournaal. De oorlog hoorde op jonge leeftijd al bij mijn leven. Mijn vader is in 1943 geboren. Zijn vader was toen al op transport gesteld, die heeft hij nooit gezien. Hij is als baby door het verzet uit Amsterdam weggesmokkeld, nadat hij met zijn moeder en broertjes was aangegeven bij de Hollandsche Schouwburg door ‘kopgeldjagers’. Zeven en een halve gulden per kop ­leverde dat op. Mijn vader kwam in een pleeggezin in Delft. Zijn moeder en broertjes zijn gedeporteerd naar Westerbork en later door naar de vernietigingskampen. Hij heeft ze nooit meer teruggezien.

Hoewel de intenties van dat katholieke pleeggezin goed waren, was de situatie op zijn 14de daar niet langer houdbaar. Via de Voogdijstichting voor oorlogswezen is hij bij een Joodse oudoom in huis gekomen. Een van de weinige familieleden die de oorlog hadden overleefd.

Als kind werd ik veel te jong geconfronteerd met de gruweldaden van de nazi’s. Ik herinner me een bezoek aan Yad Vashem, het Holocaust-herdenkingscentrum in Israël. Ik ­verdwaalde daar als 7-jarig jongetje op de fototentoonstelling: beelden van stapels lijken. Achteraf niet vreemd dat ik op jonge leeftijd al een bovenmatige interesse ontwikkelde om de oorlog te willen begrijpen.

Ik heb me altijd heel verantwoordelijk gevoeld. Niet alleen voor het welzijn van mijn ouders, maar ook voor mijn eigen toekomst. Mijn vader hamerde altijd op een goede opleiding– zo heeft hij zich kunnen ontworstelen aan zijn achtergrond. Studeren en een goede baan bieden veiligheid. Hij heeft jaren bij Shell gewerkt. Ik ben me daardoor gaan focussen op wat ik kán, niet zozeer op wat ik wil. Ik ging ­psychologie studeren en later bedrijfskunde. Ik werd strategisch consultant bij Deloitte, terwijl ik eigenlijk graag ­architect had willen worden.

Toen ik vorig jaar het gevoel had dat mijn leven op orde was – met mijn vrouw, kinderen en een mooi huis – durfde ik eindelijk de stap te zetten naar iets wat ik al jaren wil: ik heb mijn baan opgezegd en werk nu aan een roman waarin vier naoorlogse generaties worstelen met hun verhalen. Een van de verhalen is gebaseerd op de geschiedenis van mijn vader.

Ik ben mede gevormd door het oorlogsverleden van mijn vader. Maar ook door dat van mijn moeder; haar ouders ­zaten in Bergen-Belsen. Toch zou ik het niet een trauma willen noemen. Wel heb ik me voorgenomen dat de oorlog bij mij moet eindigen. Onze kinderen zijn nu 8 en 11. Ik wil niet dat zij er ook weer mee belast worden. Misschien is dat een illusie.

Ik praat er zelf liever niet over. Van mijn vrouw leer ik dat je er juist over moet praten, om het te normaliseren. Mijn vrouw is ook Joods, zij is derde generatie. Ik vind het heel fijn voor mijn kinderen dat ze omringd worden door familieleden, opa’s en oma’s. Dat heb ik nooit gekend. Voor mij voelde de afwezigheid van een familie als een zwart gat. Ik kom uit het niets. Ik had alleen mijn ouders, geen voorouders. Met mijn boek ­probeer ik een stuk uit dat verleden opnieuw vorm te geven.”

Derde generatie

Judith Kruithof.
 Beeld Marc Driessen
Judith Kruithof.Beeld Marc Driessen

Judith Kruithof (44), theaterdocent:

“Mijn oma, Sonja Menko, flirtte al voor de oorlog met ­andere geloven. Ze was ondernemend en wilde niet klakkeloos aannemen welke toekomst haar ouders voor haar in gedachten hadden. De man aan wie ze gekoppeld werd vond ze niets. Ze koos er liever zelf een uit. Niet gebruikelijk in een orthodox-joods milieu. Toen de oorlog uitbrak had ze al drie kinderen bij een liberale man. Ze is ondergedoken bij een goede vriendin die zeer belijdend christelijk was. In de oorlog is mijn oma overgegaan tot het­ ­christelijke geloof.

Wij waren zeer gelovig thuis. Mijn vader was dominee, ­elke zondag gingen we in onze keurig gestreken jurkjes, vlechten in het haar, naar de kerk. Er werd veel gezongen. Ik ben groot geworden in een op het oog warm gezin. Maar er waren ook wat vreemde dingen: mijn moeder was bijvoorbeeld overmatig bezorgd. Ik herinner me dat ik als kind niet buiten de tuin durfde te gaan. En dat ze mijn hand tot moes kneep als we ergens moesten oversteken. Ook hoorde ik dat mijn oma tijdens de Koude Oorlog een kelder had ingericht als onderduikplaats.

Dat mijn moeder zo angstig was heeft ervoor gezorgd dat ik me als een voorbeeldig kind ging gedragen. Ik wilde haar helpen en ik wilde vooral niet ‘te veel’ zijn. Ik hield haar als kind al nauwlettend in de gaten. Er was ‘iets’ met haar, maar ik kon niet duiden wat. Het voelde onveilig. Soms leek het alsof ze helemaal niet aanwezig was, andere momenten waren er hevige emoties. Tegelijk was ze ook ontzettend lief en zorgzaam en deed ze er alles aan om ons een goede jeugd te geven. Ze wilde het vooral heel erg goed doen.

Toen ik twaalf was besloot mijn moeder terug te keren naar het jodendom. Hoe meer ze zich verdiepte in het joodse geloof, hoe meer de oorlogstrauma’s naar boven kwamen. Ik weet nog dat ze op een gegeven moment op bed zat en schreeuwde: ‘Ze hebben mijn nichtje van 2,5 vermoord in Auschwitz!’ Ik begreep het niet goed, we ­waren toch christelijk?

Als tiener heb ik veel angsten gehad, tot paniekaanvallen aan toe. Ik denk dat dit overgeërfde angsten zijn, want ik heb echt een fijne jeugd gehad. Maar de angst dat er elk moment iets vreselijks kan gebeuren voel ik tot in mijn diepste vezels. Tegelijkertijd ben ik niet iemand die bij de pakken neerzit. Het idee dat je altijd dóór moet, ligt ook diep verankerd in ons familiesysteem.

Mijn man is niet Joods, we voeden onze kinderen ook niet volgens de Joodse tradities op. Tegelijk voel ik me heel erg Joods, maar ik weet nog steeds niet goed hoe ik daar vorm aan moet geven. Het heeft mij in elk geval geïnspireerd tot het maken van een theaterstuk over mijn Joodse familie. Het stuk heeft als werktitel Een stil huis en gaat over drie generaties vrouwen en hoe zij zich verhouden tot hun Joodse achtergrond. Het is mijn manier om invulling te geven aan dat grote zwarte gat van de oorlog, dat ons tot op de dag van vandaag bezighoudt.”

Vierde generatie

Hadassah Ejon. Beeld Marc Driessen
Hadassah Ejon.Beeld Marc Driessen

Hadassah Eljon (15), scholier op Het Amsterdams Lyceum:

“Mijn overgrootmoeder heeft in Auschwitz gezeten. Ze is daar aangekomen, kreeg een nummer op haar arm getatoeëerd en werd na een tijdje doorgestuurd naar een ander werkkamp. Ze heeft de oorlog overleefd, maar is er niet ongeschonden uitgekomen. Psychisch was ze beschadigd. Haar zoon, mijn opa, die na de oorlog geboren is, heeft daar niet of nauwelijks over gesproken. Hij heeft als kind wel steeds zijn moeder moeten missen, omdat ze af en aan in klinieken zat. Ik heb dat weer van mijn moeder gehoord. Het kan bijna niet anders dan dat mijn opa daar onder ­geleden heeft. Als hij over zijn moeder praat, zegt hij altijd hoe lief ze was en hoe lekker ze kon koken. Ze gaf hem heel veel te eten. Ze was bang dat hij zou verhongeren, daarom was mijn opa ook best dik als klein jongetje.

Mijn opa vergelijkt zichzelf liever met zijn vader, dat was ‘een blije chemicus’. Zelf is hij ook een blije chemicus ­geworden. Maar goed, ook zijn vader kwam uit een Joodse familie, gevlucht uit Polen. Ze hebben zich hier moeten vestigen, ­terwijl ze de taal niet spraken en de rest van hun familie was vermoord.

Ik merk op social media dat er nog steeds veel mensen zijn die haat koesteren naar Joden. Ik zie af en toe vreselijke dingen voorbijkomen. Laatst nog een filmpje op TikTok, met beelden uit een concentratiekamp waarbij stond: ‘Ik mis deze goede oude tijd, we moeten de Joden weer doodmaken.’ Of TikTok-ster David Cohen, met meer dan een miljoen volgers, die terloops in een filmpje zei dat hij Joods was. Er volgden meteen duizenden #FreePalestine-reacties. Terwijl het een helemaal niets met het ander heeft te maken. Maar het Israël-Palestinaconflict wordt vaak aangegrepen om antisemitische opmerkingen te maken.

Ik schrik ervan, maar ik ben er niet eens meer verbaasd over. Wel maak ik me soms zorgen over mijn zusje. Zij is net 12 en zit vaak op TikTok. Wat als zij dit soort filmpjes ziet? Ik zou op die leeftijd enorm aan mezelf gaan twijfelen. Je kunt er immers niets aan doen dat je Joods bent. Ik krijg vaak de vraag: waar kom je echt vandaan? Omdat ik donker haar heb en donkere wenkbrauwen, denken ze vaak dat ik Turks ben. Als ik zeg dat ik Joods ben, krijg ik gemengde reacties. Ik ben eens uitgescholden voor ‘rotjood’ door een jongetje van 10.

Ik ben me steeds bewuster van het feit dat het niet normaal is dat ik op een lagere school zat waar de marechaussee elke dag voor de deur stond en waar ik achter hekken les kreeg. Bewaking van Joodse instellingen in Amsterdam is helaas nog steeds noodzakelijk.

In het dagelijks leven ben ik echt niet de hele tijd bezig met de oorlog of met mijn Joodse achtergrond, maar hoe ouder ik word, hoe meer vragen ik heb. Hoe kan het dat dit is gebeurd en hoe zorgen we ervoor dat het niet nog eens gebeurt? Daarom praat ik er juist over. Ik heb laatst ook meegedaan aan een speechwedstrijd van het tv-programma Op weg naar Het Lagerhuis. Mijn speech ging over antisemitisme. Of ik me als Jood onveilig voel? Niet echt. ­Belangrijker vind ik het om het antisemitisme aan de kaak te stellen en om dat te doen, moet ik me nu eenmaal uitspreken.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden