PlusExclusief

Verlaten verhalen: een beroemde popster genoot van flarden Armeense zang over de Kromboomsloot

De Armeense kerk aan de Kromboomsloot (1755). Beeld Stadsarchief Amsterdam
De Armeense kerk aan de Kromboomsloot (1755).Beeld Stadsarchief Amsterdam

Annejet van der Zijl behoedt elke maand een bijna verloren verhaal voor de vergetelheid. De vierde vertelling, van dierbaren die ons ontvielen en een hervonden kerk, kreeg ze per brief.

Annejet van der Zijl

Het jaar sjokt weemoedig naar zijn einde en zoals altijd denk ik aan de mensen die niet meer mee zullen gaan naar het volgende. Want hoe lang of kort de daadwerkelijk verstreken tijd ook is, iemand die vorig jaar is overleden voelt altijd net wat meer en definitiever dood dan iemand die er dit jaar nog was. De jaarwisseling is, in ieder geval voor mij, een psychologische breuklijn. Wij, de levenden gaan verder – zij, onze geliefde doden, blijven achter in het jaartal dat voor altijd hun sterfjaar zal zijn.

Tussen mijn achterblijvers van 2022 staat ook zanger en componist Henny Vrienten. Niet dat ik hem nu zo goed kende – eigenlijk alleen maar een beetje uit de tijd dat hij de muziek componeerde voor de film die gebaseerd was op mijn boek Sonny Boy. Maar net als voor de meeste van mijn generatiegenoten horen de nummers van Doe Maar onverbrekelijk bij de soundtrack van mijn leven en is Vrienten daardoor ook een deel van mijn geschiedenis. En daarom voelt het leeg en zonde dat hij er niet meer is.

Daarbij kreeg ik onlangs zo’n mooi Amsterdams weesverhaal toegestuurd, waar Vrienten zijdelings in voorkomt. De brief was afkomstig van de dochter van de Armeense Derward Kinébanian, die aan het begin van de jaren dertig als twaalfjarige jongen vanuit Constantinopel naar Nederland vluchtte. Zijn moeder zag na haar scheiding geen toekomst voor zichzelf in haar thuisland. Dus naaide ze al haar geld en sieraden in de zomen van haar rokken en reisde ze met haar jongste kinderen naar Amsterdam, waar haar oudste zoon al deel uitmaakte van de diaspora omdat hij geweigerd had dienst te nemen in het Turkse leger.

De dag dat de bisschop kwam

Tijdens de Gouden Eeuw, toen Amsterdam nog het onbetwiste centrum was van de wereldhandel, had de stad een bloeiende Armeense gemeenschap. De vele tapijt- en stoffenverkopers, boekdrukkers en ­koffie- en rozijnenhandelaren die afgekomen waren op de voorspoed en het vrijzinnige klimaat van de stad aan de Amstel, stichtten er rond 1700 zelfs hun eigen Armeens Apostolische kerk in een gebouw aan de Kromboomsloot. Maar in de tijd dat Derward en zijn moeder en zusje hun intrek namen op een etage aan de Jacob van Lennepkade, was van die gemeenschap zo goed als niets meer over. Het voormalige kerkgebouw was inmiddels overgenomen door de katholieke ­Zusters Augustinessen, die er een lagere school voor meisjes leidden.

De Armeense kerk aan de Kromboomsloot tijdens een dienst (1783). Beeld Stadsarchief Amsterdam
De Armeense kerk aan de Kromboomsloot tijdens een dienst (1783).Beeld Stadsarchief Amsterdam

Maar al bouwde Derward een mooi leven op in Amsterdam – hij vond werk bij Perez Perzische tapijten op het Rokin, trouwde een Hollandse, kreeg drie kinderen – zijn hart bleef trekken naar de wereld van zijn jeugd. Pas in de jaren vijftig liet hij zich naturaliseren, vooral omdat hij wilde voorkomen dat zijn zonen opgeroepen zouden worden voor het Turkse leger, en haalde hij zijn zwemdiploma. Maar intussen ging hij geregeld langs bij de Zusters Augustinessen aan de Kromboomsloot, voor het geval die het voormalige kerkgebouw niet meer nodig zouden hebben.

In 1985 was het zover. Derward, inmiddels een succesvol zakenman, zette alles op alles om samen met de vele landgenoten die inmiddels als gastarbeider naar Nederland waren gekomen het gebouw te kunnen terugkopen en de Armeens Apostolische kerk aan de Kromboomsloot in oude glorie te herstellen. ‘De dag dat de bisschop uit Parijs kwam om de kerk in te wijden, zal ik nooit vergeten,’ schrijft zijn dochter Anita. ‘Daar stonden we met zijn allen op de trap, de bisschop, mijn vader met de sleutel, wij erachter en de Zusters Augustinessen, traantjes wegpinkend. Het was gelukt. De Kerk leefde weer.’

Heimwee

Vanaf dat moment klonken elke zondagochtend weer de koorzangen van het ­oosterse kerkgenootschap in Amsterdam. Wie daar ook getuige van was, was Henny Vrienten, die er tegenover woonde. Jaren na het overlijden van haar vader kwam Anita Kinébanian hem eens tegen. ‘Hij zei dat hij altijd als ’s zomers op zondag de ramen openstonden zo intens genoot van de flarden zang van het koor die over de gracht waaiden.’

Ik denk dat je je overledenen het beste kunt herinneren op een moment in hun leven waarvan je vermoedt dat ze heel gelukkig waren. Ik herinner me Henny Vrienten dus niet zozeer als het zingende idool op het podium voor een publiek van gillende en in zwijm vallende meisjes. Maar gewoon, als een Amsterdammer op een stille, zonnige zondagochtend aan de gracht – het hoofd heffend, de oren spitsend om iets op te vangen van de oriëntaalse, van heimwee vervulde gezangen die zoveel eeuwen en afstanden wisten te overbruggen.

Heeft u een weesverhaal? U kunt het Annejet sturen via haar website

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden