PlusPortretten

Verhuizen in tijden van corona: ‘Alle haast van het stadse leven is weg’

Te klein, te gehorig, te weinig aanspraak: deze Amsterdammers waren na het lange thuiszitten he-le-maal klaar met hun huis en pakten hun spullen. ‘Ik hoorde het zelfs als de buurman het lichtknopje aanraakte.’

Lizette Smit: ‘Als je hier ’s nachts je raam opengooit, hoor je helemaal niks.’ Beeld Ivo van der Bent
Lizette Smit: ‘Als je hier ’s nachts je raam opengooit, hoor je helemaal niks.’Beeld Ivo van der Bent

Door de coronacrisis brengen we nood­gedwongen veel meer tijd door binnenshuis. Met als gevolg dat we meer dan ooit geconfronteerd worden met de gebreken van onze huizen. Het gemis van een tuin bijvoorbeeld, te weinig ruimte, buren die elkaar hoorbaar in de haren vliegen.

Volgens Jan Willem Duyvendak, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, raakte het thuis zijn ‘onttoverd’ door de lockdown. “Thuis zijn is sterk verbonden aan vrijheid. Doordat we gedwongen werden om 24 uur per dag thuis te zijn, heeft dit niets meer met vrijheid te maken,” aldus Duyvendak tijdens zijn Brainwash Talk op NPO2. Hij verdiept zich al ruim tien jaar in het ‘thuisgevoel’, dat nauw samenhangt met verbondenheid, de mogelijkheid je terug te trekken, veiligheid en controle. “Iedereen die dacht dat het makkelijk en leuk was om jezelf ergens thuis te voelen, kwam door de crisis bedrogen uit,” zegt Duyvendak. Thuis zijn blijkt vooral leuk te zijn als je de vrijheid hebt om te vertrekken wanneer je wil. Niet gek dus, dat veel mensen na de eerste lockdown hun kans grepen om te verkassen.

Lizette Smit (58, vooraan op de foto bovenin), conceptdesigner, vormgever en stylist, verhuisde van ­ Watergraafsmeer naar het Friese ­Hommerts.

“Sinds oktober woon ik met mijn zus, Christiane Smit, samen in Hommerts, een dorp dat zes kilometer onder Sneek ligt. Eerst woonde ik met haar in de Watergraafsmeer. Mijn zus woonde op de op de derde etage, ik op de tweede, en het benedenhuis hadden we verkocht. Christiane is grafisch vormgever, we werkten vaak samen. Tijdens de eerste lockdown kregen we van opdrachtgevers te horen dat onze projecten stopten, en dat er geen vervolgopdrachten zouden komen. Niet alleen werd Amsterdam daardoor te duur voor ons, ook realiseerden we ons dat de buurt, waar we 28 jaar gewoond hebben, erg veranderd was. Zo kwamen er steeds meer jonge gezinnen bij ons in de buurt wonen. Als je naar buiten keek, zag je alleen nog maar trampolines, en mannen die aan het barbecueën waren. Doordat we tijdens de crisis meer thuis waren dan voorheen, merkten we ineens hoeveel lawaai er was. Iedereen zat veel meer thuis natuurlijk. Ik hoorde het al als de buurman het lichtknopje aandeed. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat we onze situatie onder de loep gingen nemen. We gingen op zoek naar hoe we van iets negatiefs iets positiefs konden maken.”

“We kregen het lumineuze idee om te kijken wat onze etages zouden opleveren. Dat bleek een goede zet: onze etages bleken heel wat waard te zijn. We waren klaar om de drukte achter ons te laten; we zijn allebei niet gebonden aan de stad voor ons werk. Samen gingen we op zoek naar een vrijstaand, ruim huis buiten de stad. Na het elimineren van provincies kwamen we uit op Friesland. Als er op streetview een school of een trampoline in zicht was, werd het afgeschreven. Zo kwamen we op een waanzinnig mooi huis van driehonderd vierkante meter met uitzicht op weilanden.”

“In Amsterdam hoor je altijd wel sirenes, een helikopter of een stel scooters. Als je hier ’s nachts je raam opengooit, hoor je helemaal niets. Ik heb vanaf de eerste nacht heerlijk geslapen. In ons dorp is niks, maar Sneek is dichtbij. Ik vind het bijzonder wat de verhuizing met me doet: alle haast van het stadse leven is weg.”

Misha Wallagh: ‘Ik zit nu nooit meer een hele dag in dezelfde kamer.’ Beeld Ivo van der Bent
Misha Wallagh: ‘Ik zit nu nooit meer een hele dag in dezelfde kamer.’Beeld Ivo van der Bent

Misha Wallagh (26, rechts op de foto), vierdejaars student SPH aan de Hogeschool van Amsterdam, verhuisde van Buitenveldert naar de Van der Pekbuurt.

“Ik woonde in Ravel, een studentencomplex op de Zuidas. Mijn studio was 21 vierkante meter groot, met een badkamer en een keuken in ­dezelfde ruimte. Ik sliep dus bij wijze van spreken in mijn keuken. Vóór de crisis vond ik dat wel prima. Toen was ik veel te vinden op de HvA en in de horeca en ik sprak vaak met mensen af. Tijdens de lockdown veranderde dit: ik merkte dat ik het vervelend vond om continu in dezelfde ruimte te zitten. Na het avondeten lag ik al snel in mijn bed, omdat ik geen bank had. Ineens merkte ik ook hoe erg ik het miste om met iemand samen te wonen. Ik ben iemand die het fijn vindt om met andere mensen te zijn, en nu zat ik steeds alleen thuis.

Toen een vriend en zijn vriendin uit ­elkaar gingen, wilde hij graag in hun huis blijven wonen, al kon hij dat financieel niet dragen in zijn eentje. Daarom stelde hij voor dat ik bij hem introk, in zijn voormalige studeerkamer. Dat aanbod kon ik ­natuurlijk niet afslaan; ik was superblij om ergens anders te kunnen wonen.

Sinds oktober wonen we samen, en dat is heel gezellig. We kijken regelmatig een serie, spelen Fifa of eten samen. De ­woning is best groot, we hebben een ruime woonkamer, een aparte keuken en zelfs een tuin. Dat we meerdere aparte ruimtes hebben, is fijn voor de afwisseling: ik zit nooit meer een hele dag in ­dezelfde kamer.

Wat ik mis aan mijn oude kamer, is dat alles erg goed onderhouden werd. Mijn huidige woning is slecht geïsoleerd en het is er erg vochtig, dus het duurt lang voordat je was droog is. Maar daar valt prima mee te leven nu ik een huisgenoot heb én een groter huis heb. Het grootste voordeel is misschien wel dat we vaak samen brak zijn. Dan halen we een portie vette vis en liggen we languit op de bank.”

Lucca de Ruiter: ‘Niemand voelde zich geroepen om schoon te maken.’ Beeld Ivo van der Bent
Lucca de Ruiter: ‘Niemand voelde zich geroepen om schoon te maken.’Beeld Ivo van der Bent

Lucca de Ruiter (20), derdejaars student antropologie aan de Universiteit van Amsterdam, verhuisde van Osdorp naar Bos en Lommer.

“De studentenflat aan de Meer en Vaart was de plek waar ik voor het eerst op ­mezelf woonde. Ik deelde mijn woning met twaalf andere studenten. Mijn kamer was 13 vierkante meter groot, ik had mijn eigen badkamer en we deelden de keuken. Om in aanmerking te komen voor een kamer, moet je lange tijd ingeschreven staan; je hebt dus geen invloed op wie er in je gang komen wonen. Per toeval ­belandde ik in een superleuke gang. We organiseerden samen huisfeesten en ­’s zomers gingen we vaak naar de Sloterplas. Toen de coronacrisis uitbrak, was ­iedereen ineens aangewezen op zijn eigen kamer. Ook hadden we erg veel last van werkzaamheden die aan de drukke weg voor ons huis plaatsvonden.

Veel mensen besloten te verhuizen of terug te gaan naar hun ouders. Langzaam liep ons hele huis leeg. In de kamers van mijn oude huisgenoten trokken nieuwe studenten. Normaal gesproken organiseerden we een borrel om nieuwe huis­genoten te verwelkomen, maar dat kon nu natuurlijk niet. Soms kwam ik mensen voor het eerst op de gang tegen, terwijl ze er al een maand woonden. Doordat er weinig onderlinge verbondenheid was, voelde ook niemand zich verantwoordelijk om het huis schoon te houden. Zo ­ontstonden veel ergernissen.

In april ging ik zelf op zoek naar een nieuwe woning. Gelukkig kwam er een studio vrij in het complex waar een goede vriendin van me woont en kon ik daar ­terecht. Nu heb ik een studio van 21 vierkante meter voor mezelf. In het begin was ik ­zenuwachtig over het feit dat ik alleen ging wonen, maar dat valt uiteindelijk hartstikke mee. De vriendin die in hetzelfde complex woont, zie ik bijna elke dag. We lopen rondjes door het park, bakken koekjes en eten vaak linzensoep samen.

De twee grote ramen met vensterbanken waar je kunt zitten, zijn mijn favoriete plek in huis. Als ik naar buiten kijk, zie ik een kerk en bomen. Dat voelt heel anders dan uitkijken op wegwerkzaamheden, kan ik je vertellen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden