Plus

Van voetballer Jeva Walk tot cabaretier Tim Fransen: ‘Iedereen worstelt met de nacht’

Hoe vind je licht in het donker, nu de nachten op hun langst zijn? Schrijver Marjolein Visser sprak met nachtbrakers en nachtwakers; slapeloos of gefascineerd door de nacht. ‘Regelmatig denk ik: mag ik al naar bed? Misschien komt er morgen wél nieuws.’

Marjolein Visser
null Beeld Van Santen & Bolleurs
Beeld Van Santen & Bolleurs

Wakker liggen is iets heel anders dan wakker zijn. ’s Nachts worden honden wolven, onzekerheid wordt doodsangst, de opwarming van de aarde wordt het einde van de wereld. Het lijkt alsof problemen, als een kind in iemands armen, zwaarder worden zodra ze te ruste worden gelegd.

De afgelopen jaren leerde ik dat ik niet de enige ben die wakker ligt. Iedereen worstelt met de nacht. Of beter gezegd: met zichzelf in de nacht. Tegelijkertijd gebeuren de geheime, lelijkste en leukste dingen ook meestal dan. De nacht wordt niet op sociale media gedeeld en maakt überhaupt amper deel uit van ons besproken leven, maar is in al haar eenzaamheid en kneuterigheid toch vaak een bron van existentiële ervaringen die het waard zijn gedeeld te worden.

De voetballer

null Beeld

In mijn studententijd logeerde ik regelmatig bij een bijzonder leuk eenoudergezin met twee dochters. De moeder werkte als arts op een Kinder IC lange nachten door – lieve rouwdouwer, nooit klagen, zo’n typ. De vader was na de geboorte van het tweede meisje vertrokken naar het buitenland en betaalde niks. De dagen en nachten kwamen op de drie vrouwen – en op oppasmeisjes en buren – neer.

Zes jaar lang bracht ik regelmatig Jeva en haar zusje Nika naar bed. Bijna nooit riep Jeva ’s nachts. Al jong legde ze als het ware zichzelf in bed: ze legde kleren voor zichzelf en haar zusje klaar voor morgen, poetste haar tanden twee volle minuten en gaf me tips voor boekjes die ik met haar zusje kon lezen als die niet kon ­slapen. Later bracht ik Jeva steeds vaker ’s avonds naar De Trekvogels, waar ze met oudere jongensteams mee mocht voetballen omdat zij volgens de trainer een ‘ongelooflijke teamspeler’ was.

Inmiddels is ze een volwassen voetballer die al veel interlands en een WK-deelname op haar naam heeft staan. Haar dagen bestaan uit trainen, eten, huiswerk en vanaf half tien ’s avonds uit een belangrijk laatste onderdeel: de nacht. Ze móet slapen om fit te zijn. Zeker voor een belangrijke wedstrijd. En al helemaal voor een wedstrijd waarbij ze vooraf het volkslied moet zingen. Woelend in bed hoopt ze haar team morgen níet te laten zitten: geen handsbal maken, geen verkeerde pass. Hoe belangrijker de wedstrijd, hoe meer hands ze zichzelf ’s nachts ziet maken. Gedurende zo’n nacht duurt het soms wel een paar uur voor ze slaapt, maar ze gaat niet uit bed. “Anders moet ik weer opnieuw beginnen, denk ik dan. Slapen is winnen. Als ik ’s nachts negen uur heb geslapen, zit ik vol wedstrijdvertrouwen. Ik baal als ik die negen uur niet gehaald heb.”

Slaap is in topsport een belangrijk gespreksonderwerp. “Als een teamlid slecht heeft geslapen, vertelt ze dat. Het team gaat diegene dan aanmoedigen, zodat zij haar eigen ‘fout’ – slecht slapen is in topsport toch een soort fout – vergeet en zelfvertrouwen krijgt. Dat onvoorwaardelijke teamgevoel moet je dag en nacht voelen. Na een naar voorval gingen we met zes teamleden zelfs eens bij elkaar logeren, om elkaar ’s nachts te steunen.” En uiteindelijk is dát ook wat een vrouwenteam zo mooi maakt voor Jeva. “Al moeten wij tot ’s avonds laat studeren naast het voetballen omdat we minder betaald krijgen dan jongens, en al moest mijn moeder nachtdiensten draaien voor twee: wij helpen elkaar in het donker. En zo winnen de vrouwen alsnog. Als team.”

De cabaretier

null Beeld

Het was donker, de vloer van de hal koud en hij vijftien. Tim hield zijn adem in, zwaaide de wc-deur open en sprong vervolgens in de vechthouding, klaar om de inbreker aan te vallen. Dit nachtelijke angst-ritueel herhaalde zich vrij vaak tijdens zijn puberteit. “Ik hoor dat er mensen zijn die leuk dromen. In het beste geval zijn mijn dromen absurd en unheimisch, maar vaak genoeg zijn het onversneden nachtmerries. Maar ik tel mijn zegeningen. Dankzij mijn nachtmerries word ik ’s ochtends opgelucht wakker, omdat ik me realiseer dat het allemaal niet echt was. Zo start elke dag met een meevaller.”

De schrijver en filosoof noemt zichzelf licht neurotisch over de nacht. “Ik ga elke avond ongeveer op hetzelfde tijdstip naar bed. Een uur van tevoren doe ik mijn telefoon uit en daarna mediteer ik een kwartier.” Om eventueel nachtelijk piekeren tegen te gaan, gooit hij er wat evolutie in. “Als er ’s nachts piekergevoelens opkomen, zeg ik tegen mezelf: Tim, neem je eigen brein niet te serieus, en zeker niet ’s nachts. Door dit tijdstip zit er eenvoudigweg een evolutionair randje van angst omheen, omdat mensen van oudsher ’s nachts waakzamer moesten zijn voor wilde dieren. Laten we morgen kijken wat er nog van je zorgen over is.”

Waar nachtelijke gedachten hem nog weleens toe verleiden, zijn ongefilterde donderpreken waarin hij iemand eens flink zegt waar het op staat. “Zo’n tirade herhaal ik dan een keer of twintig in mijn hoofd tot die helemaal fijn is geslepen.” Dat zat er al vroeg in. “In groep vier was er bijvoorbeeld een keer een ruzie tussen mijn klasgenootjes Cynthia en mijn vriendje Martijn. Cynthia had gemeen gedaan tegen Martijn, en ik had er stil naast gestaan. ’s Nachts in bed voelde ik heel sterk dat ik had willen opkomen voor Martijn. Ik stak een hele tirade af, maar die bleek de dag erna niks waard, want toen waren Cynthia en Martijn alweer de dikste vrienden. Een mooi excuus, want uiteraard spreek ik mijn tirades alleen ’s nachts uit.”

Het mooiste aan de nacht vindt hij dat het ons als stuntelende wezens verbindt. “Op ‘Hoe gaat het met je?’ krijg ik zelden een eerlijk antwoord. Zeker niet van mensen die niet snel het achterste van hun tong laten zien. Daarom vraag ik meestal: ‘Hoe heb je geslapen?’ Daarover liegt niemand. Altijd volgt er een oprecht gesprek, want slaap is essentieel voor iedereen. Ik ben ervan overtuigd dat de wereld er beter uit zou zien als iedereen goed zou slapen. We zouden minder ­afreageren en ons wijzer gedragen.”

De caissière

Op een donkere ochtend rekende ik in mijn vaste supermarkt in Amsterdam-Noord mijn boodschappen af. Toen de caissière – vriendelijke blik, gekleurde doek in het haar gebonden – mij het ­bonnetje gaf, zei ze zomaar ineens: ­“Vannacht slaap je beter.” Ik twijfelde even of ik het goed gehoord had en stamelde een bedankje. Ik had al een week slecht geslapen en niemand wist dat. Alleen deze caissière, Joy genaamd, had iets gezien en gezegd. En dat hielp.

In de maanden die volgden viel ze me steeds vaker op. Voortdurend was Joy, naast haar supermarktwerk, verwikkeld in persoonlijk onderhoud met supermarktbezoekers. Dan zag ik haar bijvoorbeeld brood inpakken met een klant naast zich. De klant praatte, zij luisterde. Meestal kwam er dan een advies over de nacht. Zo zei Joy tegen een hip uitziende dertiger die vermoeid een huilende baby probeerde te sussen: “Je doet het goed.” De vrouw antwoordde: “Mijn schoonmoeder vindt van niet.” Joy schudde haar hoofd. “Jij hebt dat kind toch gebaard? Jíj gaat er ’s nachts voor uit bed. Jíj loopt hier elke ochtend vroeg je boodschapjes te doen. Je bent goed genoeg.” En dan ging ze weer door met het schoonmaken van de vitrine. Einde discussie.

Op een dag stond ik de rij voor Joy’s kassa, zonder boodschappen, en vroeg haar met mij door te praten over de nacht. Joy weet hoe donker de nacht kan zijn. Ze maakte als kind van dichtbij veel geweld mee in onder meer Oeganda en raakte als zevenjarige haar moeder kwijt. “Na alle ellende sliep ik slecht. Maar ik werd gered door het geduld en vertrouwen van een lieve vader en oma. Daarom weet ik: warmte is het enige wat telt voor een goede nachtrust. Dat zorgt voor rust en vrede. De rest is niks.” Ze noemt dat veel ­mensen geen slaaphulp kunnen betalen. “Daarom denk ik: een supermarktmedewerker of een collega die je helpt, is gewoon nodig voor algehele nachtrustverbetering. Iedereen ligt aldoor wakker van mensen die ze omlaag halen. Ik focus daarom op het optillen. Aardig zijn kost niks en betekent alles voor het doorslapen.”

De dichter

null Beeld

“Hoe kan het dat ik elke ochtend weer als dezelfde wakker word?” vraagt Midas (6) soms vanuit zijn bed aan zijn vader. Jaap vindt zijn zoons vraag logisch. “In de nacht word je als het ware uitgezet. Het is ongelooflijk dat je ’s ochtends weer helemaal terug bent en alles paraat hebt. Alleen al daarom is de nacht zo wonderlijk.” In het piepkleine Duitse dorp waar Jaap met zijn gezin woont – helemaal aan de rand – is het ’s nachts pikkedonker. “Ons dorp heeft maar één lantarenpaal. Daarom zie je bij ons de sterren zo goed. Vaak ga ik ’s avonds laat even kijken.” Hij schreef twee dichtbundels over de nacht en dichtte ooit: ‘Hoe kwijt kan iets zijn, wanneer ik het met dichte ogen, nog steeds kan zien?’

Jaap legt uit: “Mijn dromen zijn beeldend, soms zijn het verhalen. In dromen zie je dingen die je mist als je helemaal wakker bent. Iets dat uit je leven verdween of iemand die is overleden, dringt zich juist dan op. Fantaseren – en dus het werk dat je doet als schrijver – voelt als dromen. Ik moet soms ook echt uit het schrijven ontwaken als ik me heel diep geconcentreerd heb.” De nacht spreekt ook letterlijk tot de verbeelding omdat de grote dingen van het leven vaak dán plaatsvinden. “Geboortes zijn meestal ’s nachts – ook die van onze kinderen. Ik zie het nog voor me: de wereld in het donker vanuit de auto naar het ziekenhuis – en mensen sterven ook vaak als het donker is. Mijn kinderen voelen die nacht-melancholie. Als ze me ’s nachts wakker roepen en ik loop hun kamertje in, praten ze zacht. Laatst fluisterde mijn driejarige dochtertje Lucy: ‘Het is oneerlijk: jullie slapen met z’n tweeën en opa en oma ook. Ik wil óók samen.’ Ik probeerde haar te troosten met de gedachte: ‘Wij zijn ook niet samen in één droom.’ Daarna bleef ik nadenken over hoe samen je kunt zijn in je slaap. Net als mijn dochtertje verrast ook mijn zoon me voor het slapengaan. Overdag kom je nooit te weten wat hij op school heeft meegemaakt. Juist in de schemering vertelt hij plotseling hele verhalen over zijn dag en stelt vragen over zwaartekracht op Jupiter en andere Grote Zaken. Nu we dit weten, brengen we hem een halfuur eerder naar boven en praten nog even met hem terwijl hij in z’n bedje ligt. Als hij of Lucy toch nog wakker wordt, laat ik vaak het licht uit en aai in het donker over hun haar. Dan voel ik ze onder mijn hand ontspannen. ’s Nachts bij je kind zitten is geen wens op zich. Ik zou ­liever slapen. Maar toch: intiemer kan het leven niet zijn.”

De verpleegkundige

null Beeld

Soms kijkt mijn oudtante Loes ’s nachts in stilte naar het plafond met haar man, mijn oudoom Paulus (83), naast zich. “Ik hoop dan dat hij slaapt. Maar dat is helaas niet altijd zo. Ik weet wel dat hij waarschijnlijk aan hetzelfde denkt, maar liever hebben we het er ’s nachts niet over.”

Op 20 december 1985 stonden er twee agenten voor hun deur. “Uw zoon is ­vermist in Chili,” zeiden ze. Maarten die als 18-jarige backpacker rondtrok door Latijns-Amerika en in bevlogen brieven verslag deed aan zijn ouders, was na een wandeling niet naar zijn logeeradres teruggekeerd. Was hun zoon verongelukt, gevangen genomen of vermoord in Chili – waar destijds de gewelddadige Pinochet aan de macht was? Meteen maakten Loes en Paulus de langste reis van hun leven en de hele kerstvakantie zochten ze naar hun zoon. Nadat Paulus terug moest voor zijn werk zocht Loes in haar eentje, ondertussen Spaans lerend, door. Een vriendin moest uiteindelijk naar haar toe vliegen om haar over te halen terug te komen naar Nederland. Daarna volgden 37 jaren waarin ze elke decembermaand naar Chili gingen om Maarten te zoeken. Soms werden ze vergezeld door hun andere kinderen (en later ook kleinkinderen), maar meestal gingen ze met z’n tweeën.

In de eerste periode geloofde Loes nog dat hij in leven kon zijn. Ze deed de deur niet op het nachtslot, omdat ze dacht: misschien komt Maarten vannacht thuis. De vaste telefoon hielden ze jarenlang ’s nachts naast hun bed, voor áls. Maar er kwam geen nieuws. Soms werden er ­botten gevonden of had iemand iets verdachts gehoord. Maar geen enkel spoor leidde naar Maarten. “Regelmatig denk ik: mag ik al naar bed? Misschien komt er morgen wél nieuws,” zegt Loes voorzichtig. “Ik wil al 37 jaar dat het morgen is.”

’s Nachts denkt ze vaak over met wie ze nog contact zou kunnen opnemen in Chili. Verder denkt ze vooral: níet denken aan zijn laatste uren. Aan slaapmedicatie doet ze niet. “Ik neem maar één slaappil per jaar: vóór de 30-urige reis naar onze verblijfplaats in Chili, omdat ik daarna fit moet zijn om te kunnen zoeken.” Loes houdt zich dag en nacht goed. “Alleen pasgeleden, nadat ik gehoord had dat een dierbare contactpersoon in Chili was overleden, had ik ineens een enorme huilbui.” Maar daarna herpakte ze zich weer. “Zolang ik niet weet wat er gebeurd is, wil ik vooral dóórzoeken en de sfeer erin houden. Paulus en ik houden gelukkig veel van elkaar en we hebben een fijne band met onze andere drie kinderen en kleinkinderen. Maar de nachten zijn vaak zwaar. En over de dagen hangt ook een soort schemering.” Deze december zijn ze weer in Chili. Beiden tachtigplusser, dag en nacht zoekend. De koffer staat al klaar.

De therapeut

null Beeld

Voor sommigen die het leven te zwaar valt en die, als ze echt eerlijk zijn, misschien wel niet meer willen leven, is er nog een laatste rots in de branding. Tijdens mijn opleidingstijd in een traumacentrum kwam supervisor Jannetta ’s ochtends als eerste en ging als laatste weg. In haar kalme aanwezigheid zag ik de schouders van getraumatiseerde vluchtelingen of van slachtoffers van seksueel geweld langzaam wat zakken. En dan, na een tijd, zeiden cliënten vaak voorzichtig: “Ik heb deze week voor het eerst eens goed geslapen.”

“Alle mensen die ik begeleid heb, leden of lijden aan herbelevingen en nachtmerries die het hen onmogelijk maken zich over te geven aan de nacht,” zegt Jannetta. “Zonder de afleiding van de dag voelt zo iemand zich letterlijk doodsbang. En dan heb ik het nog niet eens over cliënten wiens trauma’s ’s nachts ontstónden – door bijvoorbeeld bominslagen of seksueel of vroegkinderlijk lijden, want zij ervaren slaapkamers überhaupt als onveilig. Écht slechte slapers kunnen heel slecht tegen het leven. Uit je slaap gehouden worden, is dan ook de ergste martelmethode. Veel van de vluchtelingen die ik begeleidde hebben zo’n marteling meegemaakt. Ze werden dagenlang in een kamer gezet en steeds als ze bijna in slaap vielen, werden ze geslagen, bestookt met keiharde muziek of ondergedompeld in koud water. Uiteindelijk word je dan psychotisch.”

In de vierenveertig jaar dat ze werkte met getraumatiseerden begon Jannetta op een gegeven moment zelf ook slechter te slapen. “Ik lag nooit wakker van de verhalen, maar wel van het machteloze gevoel als iemand suïcidaal was of wanneer een asielzoeker met wie ik werkte, werd uitgezet. Mensen vragen me: waarom doe je werk dat je uit je slaap houdt? Voor mij is dat evident: ik wil mensen die in het diepste duister zitten de hand reiken, zodat ze zeggen: ik ga het nog proberen. Het soms wakker liggen is het voor mij waard.”

Hoe ze dat dan doet ’s nachts? “Dan ga ik op reis. En wel naar Landmannalaugar, een berggebied in IJsland waar ik ooit was. Ik wandel daar in gedachten en neem de schoonheid en rust in me op. Elke nacht weer. Als ik op missie ben in een vluchtelingenkamp, zoek ik die schoonheid ook. Voor ik ga slapen, bestudeer ik een plantje voor een tent of een vrouw die een weeskind helpt. Dat zie ik dan ’s nachts voor me. Dit helpt me herinneren dat niets hopeloos is. Schoonheid kun je oproepen in de nacht. Afgezien van een enkeling kan iedereen dat leren, ook erg zieke mensen. Juist in het donker werkt je voorstellingsvermogen beter. Die kracht van de geest is wat ertoe doet. Die kan je ’s nachts redden. Redden met schoonheid.”

Doorwaakt

Als psycholoog in opleiding in een ­traumacentrum sprak schrijver Marjolein Visser (32) met terminaal zieke mensen en asielzoekers. Eén vraag kwam steeds terug: ‘Hoe ga ik om met de nacht?’ Ook anderen begonnen hun ervaringen over de nacht met haar te delen. Voor deze portret­serie sprak ze met bekende en onbekende Nederlanders die ‘iets’ hebben met de nacht.

null Beeld Van Santen & Bolleurs
Beeld Van Santen & Bolleurs

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden