PlusInterview

UvA-voorzitter Geert ten Dam: ‘Fysiek contact is essentieel voor goed onderwijs’

Met onlineonderwijs, een in opspraak geraakte docent en het wegvallen van de introductietijd heeft de UvA geen makkelijk jaar. Bestuursvoorzitter Geert ten Dam (61), die onlangs voor vier jaar bijtekende, bijt zich erin vast. ‘Je kunt je studietijd nooit meer over doen. Dat trek ik me persoonlijk aan.’

Geert ten Dam.Beeld Friso Keuris

Om stipt kwart voor elf wandelt Geert ten Dam het terras van café Polder op. Het is zondagochtend en het Science Park in de Watergraafsmeer is nagenoeg verlaten. De bètafaculteit van de Universiteit van Amsterdam is gesloten en de nabijgelegen beachvolleybalvelden worden niet bespeeld. Ten Dam is de avond ervoor teruggekomen van vakantie en kijkt tevreden om zich heen.

“Net als de Roeterseilandcampus vind ik dit een geweldige, typische UvA-plek,” zegt ze. “Hier komt alles samen. Naast de faculteit zitten hier verschillende kennisinstellingen van de NWO, er zijn start-uphubs en je hebt er het Universitair Sportcentrum. Dit gebied is een fantastisch innovatief ecosysteem met maatschappelijke instellingen, bedrijven en natuurlijk de universiteit.”

Ten Dam is net terug uit Frankrijk, waar ze in de Alpen twee weken heeft gekampeerd. “We zaten aan een doodlopende weg; het was zo stil dat we de bergmarmotten konden horen,” zegt ze. “Ik ben iemand die zich tijdens vakantie goed kan afsluiten. Ik lees bewust mijn mail niet en door te kamperen en veel te wandelen kan ik mijn hoofd leegmaken. Dat is cruciaal in deze baan, anders hou je het niet vol. Ook door het jaar heen zorg ik voor ontspanning. Daarom ga ik altijd vroeg naar bed, eet ik gezond en beweeg ik voldoende.”

Dat klinkt bijna als een schema van een topsporter.

“Dat is het in zekere zin ook. Ik probeer ’s avonds veel thuis te zijn, ga alleen functioneel uit eten en als het overloopt, neem ik gas terug in plaats van nog harder te gaan werken. Dat is cruciaal, want als ik moe word, ga ik tobben, maak ik vervolgens fouten en verlies ik het overzicht.”

Getobd heeft Ten Dam zeker – over de docent van de masteropleiding conservering en restauratie, die zich jarenlang schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag. In juni onthulde NRC dit, waarna de UvA de wind van voren kreeg, en Ten Dam ook. Studenten voelden zich niet gehoord, hun klachten werden niet serieus genomen en de docent in kwestie werd niet ontslagen. Nu, maanden later, doet het Ten Dam nog zichtbaar veel.

“Het is volstrekt ontoelaatbaar wat er gebeurd is. Het is moreel verwerpelijk en docentonwaardig. Juist in een afhankelijkheidsrelatie moet je extra scherp zijn op het zorgen voor sociale veiligheid. Wat wij helaas niet kunnen garanderen, is dat zoiets nooit gebeurt. Daarvoor zijn we domweg te groot. Wat we wel kunnen garanderen, is dat het niet geaccepteerd wordt en dat elke melding of klacht zorgvuldig onderzocht wordt.”

Is dat gebeurd?

“Er zijn verschillende onderzoeken gedaan en er waren al disciplinaire maatregelen tegen deze man genomen. Er is niks onder het tapijt geveegd, maar wat er is gebeurd blijft ontoelaatbaar. We hebben het afgelopen jaar onze procedures voor het omgaan met meldingen en klachten van ongewenst gedrag doorgelicht. We ­willen dat studenten en medewerkers zich veilig voelen om de kat de bel aan te binden. Dat was in deze casus niet het geval en dat vind ik verschrikkelijk.”

Waarom?

“Je kunt je studietijd nooit meer overdoen. Dat trek ik me persoonlijk aan. ­Uiteindelijk zijn procedures en klachten het sluitstuk van een weefsel van sociale veiligheid. We moeten echt werk maken van een cultuuromslag waarin we elkaar aanspreken op gedrag. Dat doe je niet in een week of maand. Een open, transparante cultuur is de beste bescherming tegen grensoverschrijdend gedrag.”

Wat zou u tegen de studenten willen zeggen die geleden hebben onder het gedrag van deze docent?

“De UvA is tekortgeschoten in het bieden van een sociaal veilige omgeving en dat had niet mogen gebeuren.”

Deze zaak speelde midden in de corona-uitbraak. Had u gedacht dat dit virus zo’n enorme impact zou hebben?

“Zeer zeker niet. Stel dat zich bij de UvA een besmetting voordoet, zeiden we begin maart tijdens een vergadering, hoe gaan we er dan mee om? Dat al het onderwijs online zou gaan, daar had ik echt geen beeld van.”

Op 13 maart ging alles op slot.

“Iedereen ging thuiswerken, beeldschermen en bureaustoelen werden opgehaald, vergaderingen en colleges vonden plaats via Teams en Zoom. Iedereen schikte zich, maar nog was het a hell of a job voor de mensen. Ik heb met enorm respect gekeken hoe flexibel en innovatief iedereen van ons reageerde op de nieuwe situatie.”

U bent niet alleen voorzitter van de UvA, maar ook hoogleraar onderwijskunde. Hoe waarborg je de kwaliteit van onderwijs als je elkaar fysiek niet meer kunt zien en spreken?

“Dat is en blijft lastig. Fysiek contact is essentieel voor goed onderwijs, dus we hebben echt wat verloren. Aan de andere kant: de winst is dat we de afgelopen maanden een enorme stap gezet hebben om de drempel van het digitale onderwijs over te steken. Daar hikten we echt tegenaan. Maar onlineonderwijs is noodzakelijk en goed als het méér – niet minder – ruimte biedt voor face-to-facecontact. Denk aan werkgroepen, feedback, debat­teren over de leerstof. En dat hebben we de afgelopen maanden gemist.”

Hoe heeft u deze periode beleefd?

“Ik werd af en toe helemaal gek van mijn eigen hoofd steeds in beeld en ik werd heel moe van al die Zoombijeenkomsten. Maar dat hoor ik van iedereen.”

Ten Dam groeide samen met vier zussen en een broer op in het Brabantse Oss. Ze las naar eigen zeggen alles wat los en vast zat en ging op haar vijftiende werken bij de Wereldwinkel.

“Mijn moeder werd in crisisjaren van school gehaald, wat ze heel erg vond. Zij heeft ons allemaal gestimuleerd om te ­studeren en vooral om te doen wat je zelf wilt. Ik wilde uiteindelijk wetenschap combineren met zinvol maatschappelijk werk. Daarom ben ik naar de UvA gegaan om andragologie te studeren.”

Van Oss naar de UvA. Dat moet nogal een stap zijn geweest.

“Ik vond het eigenlijk wel meevallen. Mijn broer studeerde hetzelfde in Utrecht, dus via hem wist ik daar wel wat van. In die tijd was het normaal om op jezelf te gaan wonen als je ging studeren. Ik was daar geen uitzondering op en vond een kamer in de Cornelis Schuytstraat. Natuurlijk heb ik ook eenzame en onzekere momenten gekend, zoals iedereen die heeft. Maar als achttienjarige wil je één ding: zelfstandig worden.”

Wat waren uw verwachtingen en dromen als achttienjarige?

“Ik had niet heel veel strak omlijnde plannen. Gewoon weggaan uit Oss, nieuwe vrienden maken. Niet heel anders dan veel van mijn leeftijdsgenoten.”

Tijdens uw doctoraal werd u student-assistent. Toen u veertig jaar later voorzitter van het College van Bestuur werd, bedong u meteen dat u onderwijs wilde blijven verzorgen. Wat heeft u met lesgeven?

“Naarmate ik ouder word, heb ik er steeds meer mee. Ik wil heel graag wetenschappelijke kennis overdragen en de nieuwe generatie leren onafhankelijk te denken. Lesgeven is dankbaar werk, ik word erdoor geïnspireerd. De huidige generatie neemt straks het stokje van ons over. Ik vind het fijn dat ik daaraan kan bijdragen, zodat ze het gedegen en op een verantwoordelijke manier doen.”

In september begint uw nieuwe cursus, die deels digitaal wordt gegeven.

“Ik geef de mastercursus onderwijs­bestel, deels online en deels on-campus. Ik vind het spannend om zelf te ervaren hoe ik in een onlineomgeving de betrokkenheid van studenten kan optimaliseren en hoe ik de kwaliteit kan waarborgen. Ik voel nu wat docenten dagelijks ervaren. Dat is leerzaam voor mij. Zo stroom ik mee met de universiteit. Op deze manier word ik, denk ik, ook een betere bestuurder.”

Normaal gesproken zou Amsterdam nu worden overspoeld met een nieuwe lichting studenten. Door corona zullen hun introductietijd en het vervolg van hun studie anders zijn.

“We raken de ziel van de universiteit kwijt. Als ik nu door de stad fiets, mis ik de eerstejaars, het bruist niet meer. Maar het is wat is, niemand heeft om corona gevraagd. We willen niet dat de introductie van onze nieuwe studenten een brandhaard van corona wordt; burgemeester Halsema is daar terecht heel beducht op. Ik vind het goed dat ze studenten aanspreekt op het nemen van hun eigen verantwoordelijkheid.”

Terwijl juist studenten en andere twintigers zich het minst aan alle preventieve maatregelen schijnen te houden.

“Daar durf ik niks over te zeggen. Wat ik zie aan onze studie- en studentenverenigingen is dat ze met inzet en creativiteit activiteiten hebben georganiseerd die ­veilig zijn. Dat zijn vooral onlineactiviteiten. De kleinschalige kennismakingen die hen voor ogen stonden, zijn nu helaas verboden.”

Snapt u dat?

“Ja en nee. Ik snap de angst voor besmettingen en moet er niet aan denken dat we een tweede lockdown krijgen. Aan de andere kant kun je je afvragen of je de kennismakingsbijeenkomsten niet juist onder de hoede van studie- en studentenverenigingen moet organiseren, die daar heel verantwoordelijk mee kunnen omgaan. Anders gaan studenten elkaar waarschijnlijk zelf opzoeken. Het enige wat nu mag, is dat studenten van dezelfde opleiding elkaar bij kleinschalige informatiebijeenkomsten leren kennen. De activiteiten om onze geweldige stad en de rest van de universiteit te leren kennen, zijn verboden. Dat is jammer, want na zo’n week maak je meer deel uit van de stad en de universiteit dan daarvoor. Ik had hen dat graag gegund.”

Wat heeft u achteraf gezien het meeste geleerd tijdens uw studie?

“Op de universiteit ontbrandde de liefde voor de wetenschap en leerde ik onafhankelijk denken. Dat is het mooie van een plek als deze. Hier zoeken we samen naar bewijs, we stellen ons oordeel uit, wisselen van perspectief en bevragen elkaar kritisch. Dat heb ik hier allemaal geleerd. Op persoonlijk vlak heb ik geleerd om met tegenslagen om te gaan. Alleen op kamers gaan en nieuwe vrienden maken was moeilijker dan ik dacht. Ik heb me in de weekenden wel eenzaam gevoeld.”

De start van hun studie zouden aan­komende eerstejaars ook een tegenslag kunnen noemen.

“Ik benijd ze niet. Niet alleen door corona, maar ook in het bredere plaatje. De druk op deze generatie is hoog, veel hoger dan in mijn tijd. Deze generatie heeft weliswaar veel keuzes, maar minder tijd en minder recht op herkansingen. Daarnaast groeien ze op in een Instagramcultuur, waarin iedereen de hele dag perfecte foto’s van zichzelf plaatst. Dat doet natuurlijk ook wel wat met het zelfvertrouwen van die studenten. Het is slecht voor je identiteit als je je steeds moet spiegelen aan de succesvolle buitenkant van anderen. Je bent niet de enige die zich alleen of onzeker voelt. Gevoelens van falen hebben we op gezette tijden allemaal. Accepteer het en zet het om in kracht.”

U steekt uw voorliefde voor wetenschap niet onder stoelen of banken. Wat trekt u daar zo in aan?

“De wil om te weten. Het is fantastisch om dingen uit te zoeken. Om terug te komen op standpunten. Om bewijs te zoeken. Dat alles is natuurlijk soms best ingewikkeld, maar het is wel iets wat je verder brengt. Je moet niets voor zoete koek aannemen. Blijven vragen en reflecteren, dat doen we hier op de UvA. Schuren aan elkaar.”

Op schuren zijn ze dol bij de UvA. Er is altijd wel een student die boos op u is of een hoogleraar die een andere mening heeft. In de top 10 van ingewikkelde banen staat burgemeester van Amsterdam waarschijnlijk op de eerste plaats, vrij snel gevolgd door CvB-voorzitter van de UvA.

“Dat is misschien wel zo. Het is een ­stevige baan. Daarom zorg ik dat ik voldoende rust krijg, waardoor ik de cognitieve ruimte houd om te horen en te voelen wat studenten en medewerkers beweegt.”

Uw voorganger Louise Gunning struikelde op de Maagdenhuisbezetting en Karel van der Toorn moest vertrekken omdat hij de UvA en VU versneld wilde laten fuseren. Waarom heeft u vier jaar geleden deze baan aanvaard?

“‘Waar begin je aan, Geert’, was de reactie van mijn dochter toen ik haar zei dat ik voorzitter van de UvA werd. Zij studeerde hier aan het Amsterdam University College en begon meteen over kritische studenten. Ik werd destijds gebeld of ik wilde komen praten. Daarop volgde een ander gesprek en toen werd ik langzaam enthousiast. Het ging kriebelen. Ik zie mezelf als een UvA-kind en de universiteit heeft mij heel veel kansen geboden. De UvA gaat me enorm aan het hart en als ik iets terug kan doen, zal ik dat zeker niet laten. Daarom heb ik ja gezegd. Ik wil eraan bijdragen dat straks anderen kunnen zeggen dat ook zij veel aan de UvA te danken hebben.”

Wat is zo mooi aan deze universiteit?

“Het bruist hier. Bij alle studierichtingen zijn topmensen in dienst. Ook inter­nationaal gezien. Hoogleraren van ons mengen zich stevig in het publieke debat en dat is goed. De universiteit heeft grote maatschappelijke betrokkenheid bij alles wat in deze prachtige stad gebeurt. Daar ben ik heel trots op.”

Een van uw voorgangers, Sijbolt Noorda, zei dat een voorzitter ‘evenwichtig, kalm en toegankelijk’ moet zijn.

“Iemand als Sijbolt durf ik natuurlijk niet tegen te spreken, maar ik voeg graag twee dingen toe. Als je deze baan hebt, moet je ook een stevig gevoel voor humor hebben en je kunnen verplaatsen in de gevoelens van anderen. Empathisch ­vermogen hebben, zeg maar. Humor is belangrijk om te relativeren, want niet alles wat gebeurt is meteen een drama.”

En dat empathisch vermogen?

“Als voorzitter moet je willen en kunnen begrijpen wat studenten en medewerkers beweegt. Ik ben oprecht geïnteresseerd in hun drijfveren en hun motieven. Als ik niet meer wil snappen wat er aan de hand is, moet ik stoppen met deze baan. Kijk naar de Maagdenhuisbezetting. Er lag een serieuze onvrede aan ten grondslag. Over bijvoorbeeld de kwaliteit van het onderwijs, het personeelsbeleid van de UvA en de grote afstand tussen bestuur en medewerkers. Als voorzitter moet je altijd de bereidheid hebben om te luisteren.”

Mijn dochter van veertien heeft net haar profiel gekozen en gaat over een paar jaar studeren. Wat raadt u haar aan?

“Zij, maar ook haar klasgenoten, moeten vooral hun interesse volgen. Waar word je door geprikkeld en ben je nieuwsgierig naar? Natuurlijk kun je met een schuin oog kijken naar wat je met een studie kunt, maar een substantieel deel van de mensen komt op een andere plek op de arbeidsmarkt terecht dan waar hun studie toe leidde. Hier aan de universiteit worden studenten academisch gevormd en leren ze academisch denken. Dat maakt studenten flexibel en breed inzetbaar. Je kunt nu niet voorspellen waar ze later gelukkig van worden, dat is totaal onmogelijk. Je denkt toch niet dat die Geert van achttien uit Oss die naar de UvA ging toentertijd dacht: hier wil ik ooit wel hoogleraar en voorzitter van het bestuur worden? Totaal niet.”

2020 is voor de UvA niet alleen het jaar van corona, maar ook het jaar waarin de universiteit in volle breedte inzet op kunstmatige intelligentie.

“Als het gaat over kunstmatige intelligentie, loopt Nederland achter op Europa. En Europa loopt weer achter op Amerika, India en de rest van de wereld. Twee jaar geleden hebben we bij de UvA vier uni­versiteitshoogleraren aangesteld op AI-gebied. Ze bestrijken de verschillende facetten van AI: van informatieprocessen en zoekmachines tot de juridische implicaties van geautomatiseerde besluitvorming. Maar dat was voor mijn gevoel niet voldoende. Afgelopen herfst hebben de UvA, VU, HvA, het Centrum Wiskunde en Informatica, de academische ziekenhuizen, het Antoni van Leeuwenhoek, Sanquin en de gemeente hun krachten gebundeld. Ik heb alle bestuursvoorzitters gebeld en gezegd: Amsterdam mag de boot niet missen, daarom moeten we een samenwerkingsverband vormen. Iedereen zei ja en zo hebben acht Amsterdamse instellingen de handen ineengeslagen in de coalitie AI Technology for People.”

Dat klinkt mooi, maar wat gebeurt er daadwerkelijk?

“Elke maand komen we bij elkaar en kijken we waar we kunnen samenwerken. Gezamenlijk investeren we een miljard euro. We willen meer talent opleiden op dit terrein. Daarnaast willen we talenten vasthouden, want er wordt enorm aan onze studenten en promovendi getrokken. En we hebben die talenten heel veel te ­bieden. We hebben veel kennisinstellingen bij elkaar die gezamenlijk een bloeiend ecosysteem vormen. De krachten ­hebben we gebundeld en Amsterdam is op AI-gebied de place to be.”

Wat merkt de gewone Amsterdammer van dit enorme project?

“Heel veel. We doen een groot project op gebied van medical imaging. Dus uiteindelijk een betere gezondheid dankzij AI. Maar AI vind je ook terug in laadpalen, de manier waarop we met mensenmassa’s omgaan of het seintje dat iemand van de gemeentereiniging krijgt als een vuilcontainer bij jou in de wijk vol zit. Toen ik in de jaren zeventig in Amsterdam kwam wonen, waren er de wetswinkels. Nu heeft de UvA een Law Hub op de Roeterseilandcampus en helpen we burgers die juridische hulp nodig hebben, met bijvoorbeeld een geautomatiseerd bezwaarschrift dat zij vervolgens kunnen gebruiken. Simpel, snel en effectief.”

Geert ten Dam

6 november 1958, Oss

1967-1972
Maria Gorettischool, Oss

1972-1977
Titus Brandsmalyceum, Oss

1977-1984
Studie andragogie aan de UvA, afstudeerrichting volwassen­educatie

1984-1989
Promotie sociale wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen

1998-2009
Rector universitaire lerarenopleidingen, UvA

1999-heden
Hoogleraar onderwijskunde, ­Universiteit van Amsterdam

2005-2014
Lid en voorzitter van de Onderwijsraad

2015-heden
Kroonlid van de Sociaal-Economische Raad

2016-heden
Collegevoorzitter UvA

Geert ten Dam woont samen met haar man in Park de Meer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden