PlusInterview

Twee vrienden over die ene avond in café De Hemel: ‘Het was overleven’

Johan Stroek en Jan ‘Kurk’ Tol. Beeld Jet van Gaal
Johan Stroek en Jan ‘Kurk’ Tol.Beeld Jet van Gaal

Komende jaarwisseling is het twintig jaar geleden dat de Volendamse cafébrand plaatsvond. Ook de onafscheidelijke vrienden Jan ‘Kurk’ Tol (40) en Johan Stroek (37) waren die avond in café De Hemel. Op het moment van de brand was die laatste alleen net even buiten aan het roken.

Het is even na middernacht en de gevels van de cafés aan de Volendamse haven worden opgelicht door vuurpijlen, die hoog boven het ­Markermeer uit elkaar knallen. Vanaf de dijk staan de twee vrienden naar boven te kijken. Kurk is net 20, Stroek net 17 en het jaar 2001 is nog geen tien minuten bezig.

“Kom Stroek, we gaan naar boven,” zegt Kurk.

“Nee,” zegt Stroek.

Hij wil eerst zijn shaggie nog even roken, buiten. Hij weet niet precies waarom. Binnen mag je ook gewoon roken. Misschien is het vanwege het meisje met wie hij staat te praten, ­misschien is het wat anders.

“Kom mee joh,” zegt Kurk nog eens, wat verbaasd. Al jaren doen ze alles met zijn tweeën. Heel Volendam weet: waar Kurk is, is Stroek. Maar nu gaat Kurk in zijn eentje terug. Terug naar café De Hemel.

“Ik krijg twee drankjes van de barman. Bacardi-cola, in van die oude bierglazen. Ik geef er eentje weg. Op een meter van mij vandaan steekt een jongen een pakket sterretjes aan, omdat hij ze wil uitdelen. De lichten gaan aan, normaal gesproken het teken dat er een gevecht is, dat er een paar man uit elkaar getrokken moet ­worden. Nu zie ik mensen graaien en graaien. Proberen om de kersttakken naar beneden te halen, het vuur uit te krijgen. Dan gaan alle lichten uit. Het andere glas heb ik laten vallen. Ik kan nog drie stappen zetten, dan lig ik boven op de piramide.”

“Ik word als eerste wakker, denk ik, want iedereen is nog slap. Ik probeer over de mensen heen te komen, maar ik zit vast. Bovenaan is het te warm, en als je daar bent, dan zak je weer in elkaar. Ik ben eigenlijk, zeg maar, aan het overleven daar.”

Op dat moment staat Stroek nog op de dijk, met vuurwerk, een shaggie en een meisje, en heeft hij niet door wat er zich binnen afspeelt. En het zal nog zeker twee dagen duren voordat hij weet wat er met zijn beste vriend Kurk is gebeurd.

Johan Stroek (links) en Jan ‘Kurk’ Tol tijdens de Volendamse kermis, twee jaar na de cafébrand. Beeld Privéarchief
Johan Stroek (links) en Jan ‘Kurk’ Tol tijdens de Volendamse kermis, twee jaar na de cafébrand.Beeld Privéarchief

Twintig jaar geleden

De komende jaarwisseling is het twintig jaar geleden dat de cafébrand in Volendam plaatsvond. Veertien jongeren kwamen om het leven, het jongste slachtoffer was 13 jaar. In totaal werden er 241 mensen opgenomen in ziekenhuizen, van wie er 200 ernstig aan toe waren. Vanwege de omvang van de ramp moesten slachtoffers zelfs naar ziekenhuizen in Duitsland en België worden gebracht.

De brand in het overvolle café, met niet-geïmpregneerde kerstversiering en geblokkeerde nooduitgangen, veranderde de Nederlandse crisisbestrijding. Procedures en protocollen werden aangepast, ­controles naar brandveiligheid opgevoerd. De brand was die dag wereldnieuws, en hield een klein vissersdorp aan het ­Markermeer jarenlang in de greep.

Er zijn duizenden verhalen te vertellen over die nacht. Van de directe slachtoffers en hun familieleden. Van brandweermannen, agenten en artsen. Van omstanders en van omwonenden, die midden in de nacht hun huis open gooiden voor de behandeling van de vele gewonden. De vloerbedekking bleef vuil en zwart achter.

Sommige verhalen zijn al vaak verteld. Sommige verhalen komen pas nu, twintig jaar later, naar buiten. Het zijn verhalen over veerkracht, heldhaftigheid, hoop, ­verlies, pijn en leed. En over vriendschap.

Zoals het verhaal van Kurk en Stroek, vakschilders.

‘Kurk’ en ‘Stroek’

Kurk heet eigenlijk Jan Tol, maar zijn opa viel eens van de trap. En later nog eens. Twee keer keihard op zijn hoofd en toch bleek er niets aan de hand. ‘Je hoofd is zeker van kurk,’ zei iemand. Zo kreeg de opa van Kurk Kurk als bijnaam, en gaf hij die door aan de volgende generaties. Ook Kurks vader wordt Kurk genoemd, evenals Kurks broers. Het is de Volendamse ­traditie van bijnamen, een voor buitenstaanders onbegrijpelijk systeem dat in het dorp onmisbaar is. Er zijn gewoon te veel mensen die Schilder, Tol of Veerman heten.

Kurk moet 15 zijn geweest, want hij had nog geen brommer, toen hij verkering kreeg met Carla, de oudere zus van Johan Stroek. Iedereen vond Kurk een leuke gozer, hij kwam al snel dagelijks over de vloer en kon het goed vinden met de drie jaar jongere Johan – die door iedereen Stroek wordt genoemd. Toen na een paar jaar de romance met de zus verdween, bleef de bromance met het broertje.

Kurk: “Ja, dat ging een beetje vanzelf.”

Stroek: “Een soort soulmates ofzo, het leek net alsof je het al wist dat we bij elkaar hoorden.”

Stroek ging naar dezelfde lagere technische school als Kurk. Hij vond het wel stoer, dat hij vrienden was met iemand die twee klassen hoger zat. En als ze in het weekend met een pilsje in de hand over de dijk liepen, begon Kurk altijd te vertellen over het plan. Dat ze, later, als ze volwassen waren, voor zichzelf zouden beginnen. Dat ze dan een Audi voor de deur zouden hebben.

“Ik moet eerst maar eens leren schilderen,” zei Stroek op dat soort momenten.

Al snel ging hij stage lopen bij het schildersbedrijf waar Kurk ook werkte. De vrienden zagen elkaar nu de hele dag en groeiden nog dichter naar elkaar toe.

Café De Hemel, 2008. De rampplek is bewaard en voor direct betrokkenen nog steeds te bezoeken. Beeld Hollandse Hoogte / Maarten Hartman
Café De Hemel, 2008. De rampplek is bewaard en voor direct betrokkenen nog steeds te bezoeken.Beeld Hollandse Hoogte / Maarten Hartman

Van De Blokhut naar ’t Hemeltje

Natuurlijk zijn ze die oudejaarsavond op de dijk. Zoals elke zaterdagavond, en eigenlijk ook elke vrijdagavond. Zo gaat dat, al sinds Stroek een jaar of 15 is. Anders zit je maar met je moeder op de bank.

Ze hebben die avond kaarten voor De Blokhut, een van de twee cafés onder De Hemel. Daar wordt Led Zeppelin en The Who gedraaid, en zitten vooral mannen. Dus gaan Kurk en Stroek later op de avond altijd naar ’t Hemeltje, waar de vrouwen zijn. Bovendien is de barman daar – ­bijnaam: Nonnie – een goede vriend van ze.

Vlak voor middernacht gaan ze met Nonnie mee naar buiten, want hij heeft een bus vol vuurwerk. En als Nonnie tien minuten in het nieuwe jaar weer naar binnen rent om te gaan werken, gaat Kurk ook gelijk mee. Stroek blijft achter en twintig minuten later, rond half een, steekt iemand in café De Hemel een pakket ­sterretjes aan.

“Ik zie Dave Duin op de luifel van het pand staan, met een barkruk de ruiten inslaan en denk eerst: kwade dronk. Dave deed destijds wel vaker gek. Daarna zie ik hoe hij de eerste verbrande mensen uit het café haalt. Sommigen springen gewoon gelijk van het dak af, en breken hun enkels. Grotemannenbrand, grotemannenpaniek. Ik wil naar binnen, maar er komen zo veel mensen naar buiten. Iedereen heeft vellen, is zwart en heeft verbrand haar. En dan, wat er dan daarna gebeurt, in dat uur, is een horrorfilm. Echt een horrorfilm. Uit gekte springen sommige mensen het koude water is. En de ergst verbranden lopen gewoon doodnormaal voorbij, als in een shock. Iemand roept ‘gelukkig nieuwjaar’. Een ander zegt: ‘Hé Stroek, hoe is ie?’”

Stroek herkent niet wie het is.

In de chaos zoekt Stroek naar Kurk, en naar zijn twee zussen. Het telefoonverkeer ligt plat, dus aan zijn Pocketline Swing heeft hij niets. Hij zoekt tussen de gewonden die in de omliggende cafés worden verzorgd en trekt de deuren van de ambulances open. Zijn ene zus komt hij uiteindelijk tegen op de dijk, en als hij rond half vier thuiskomt, blijkt ook de andere zus het gered te hebben. Haar haar is nog zwart van de rook.

Waar Kurk is weet hij niet. Met zijn vader naast zijn bed, op zijn knieën, valt hij in slaap.

Kurk heeft geen idee van de chaos buiten. Hij herinnert zich de details van binnen in het café, aangevuld met kennis van later. Dat de temperatuur oploopt tot 1150 graden. Dat hij het glas op de bar ziet smelten, maar het papier erin niet. Dat hij automatisch overgaat tot een snelle, korte ademhaling – hu-hu-hu hu-hu-hu – zodat zijn longen niet vol met rook komen. Dat hij de kroegeigenaar met de brandweer binnen ziet komen. Dat hij een van de ­laatste tien slachtoffers is die uit het café ­worden gehaald. Dat zijn eerstegraads brandwonden een bijtend gevoel veroorzaken, op zijn handen en zijn gezicht. Dat hij de tweede- en derdegraads brandwonden op de rest van zijn lichaam op dat moment nog niet voelt. Dat hij eerst in een ander café wordt gelegd. Dat hij een bak water over zich heen wil, om af te koelen. Dat zijn zwarte broek in de ambulance wordt doorgeknipt.

Dat hij nergens aan denkt. Helemaal nergens. Omdat je op zo’n moment leeg bent, helemaal in jezelf gekeerd.

‘Die is overleden, die is dood’

Toen Stroek de volgende ochtend wakker werd, probeerde hij de ouders van Kurk te bereiken, maar niemand nam op. “Ik hoorde dat hij in het ziekenhuis zou liggen. Maar je hoorde veel verhalen, waarvan je niet wist of ze waar waren. Die is overleden, die is dood, die heeft geen longen meer. Pas na een dag of twee, drie kreeg ik zijn ouders aan de telefoon. Toen had ik een verschrikkelijk sterk gevoel. Van ik moet, ik moet, ik moet. Het maakt niet uit wat ik moet doen, maar ik moet hem vandaag zien.”

Stroek reed op zijn brommer naar het huis van Kurk en zei tegen zijn ouders dat hij hem móest zien.

Dat kon niet. Echt niet. Kurk lag in Beverwijk op de intensive care. Hij was net geopereerd, zat onder de morfine en moest rusten. Bezoek was geen optie. Stroek zei ‘dat kan wel wezen’ en ging er toch naartoe. Ook in het ziekenhuis bleef hij volhouden, tot hij bij hem mocht zijn.

“Ik zei niets, zat alleen maar heel sterk te denken. En het was zo apart dat toen al die piepers afgingen. Zijn hand ging omhoog. Kwamen de dokters aanrennen: dat kan niet, hij heeft net drie doses morfine gehad. Ik begon te praten, moest iets zeggen. Een soort drang. Aansteller, niet zo aanstellen hoor. Je bent Jan Kurk en je gaat dit makkelijk redden. Dit is peanuts voor jou. Je gaat geen tegenslag krijgen. Toen gingen zijn ogen megahard trillen.”

Voor 95 procent verbrand

Kurk lag 17 dagen in coma, onderging 25 operaties, had 60 zakken bloed nodig en mocht na 74 dagen het ziekenhuis uit.

Hij was voor 95 procent verbrand, waarvan 65 procent tweede- en derdegraads brandwonden. Doordat hij zijn handen voor zijn ogen had gehouden viel de schade aan zijn gezicht mee. Vooral de achterkant van zijn lichaam was verbrand: daarmee had hij, boven op de piramide, de hitte opgevangen. De mensen onder hem hadden bijna niets opgelopen.

Jan ‘Kurk’ Tol. Beeld Jet van Gaal
Jan ‘Kurk’ Tol.Beeld Jet van Gaal

Kurk herstelde snel en goed. Zijn vader, moeder en broers hielpen hem elke dag met het invetten van zijn lichaam. In de sportschool trainde hij drie tot vier keer per week, samen met andere slachtoffers. Revalideren bleek ook gezellig te kunnen zijn, en er ontstond een gezamenlijke veerkracht waarvan alle slachtoffers van die nacht profiteerden.

Er volgden nog operaties aan zijn ­handen, de motoriek moest beter, maar tussendoor begon hij weer met werken.

Het was misschien een half jaar later dat Kurk en Stroek weer samen in het café zaten, op de dijk. Het was een of twee uur ’s nachts. Er was drank en muziek van The Cats. Het waren dat soort momenten dat de gesprekken loskwamen.

“Nou nog even wat,” zei Kurk. “Ik hoorde in het ziekenhuis steeds een stem in mijn hoofd. Was jij dat nou?”

Samen een bedrijf

Op een dag, een paar jaar na de brand, zei Kurk tegen Stroek: het wordt tijd dat we gaan doen wat we altijd al wilden doen.

“Ik ben wel een beetje jong, hè,” zei Stroek, en even later zaten ze bij de Kamer van Koophandel. Binnen twee jaar hadden ze bij Kurk en Stroek, vakschilders en onderhoud, een mannetje of tien lopen.

Eengezinswoningen, villa’s, kerken, woonboten, grachtenpanden – honderden klussen hebben ze in de afgelopen jaren samen gedaan. Eerder vanmiddag hebben ze nog een wokrestaurant opgeleverd. En straks, om 17.30 uur, worden ze weer thuis verwacht voor het avondeten.

Want Kurk en Stroek zijn nu 40 en 37 jaar. Het leven van na de brand is inmiddels langer dan het leven voor de brand. Ze zijn allebei getrouwd, en hebben allebei drie kinderen. En morgenochtend gaat weer vroeg de wekker.

Als ze bij een nieuwe klus komen, ziet Kurk de blikken. Ze zien het kleurverschil op zijn handen en het deel van zijn neus dat hij niet kon bedekken. En op zijn linkerkaak zit een ingebrande afdruk van de ketting die hij die avond om zijn nek had. Bovendien weten ze dat hij uit Volendam komt. Pas op de tweede dag van de klus durven ze hem er naar te vragen.

Kurk: “Elke dag vertel ik mijn verhaaltje wel een keer. Ik heb alles wel van me afgepraat, denk ik.”

Stroek: “Zo leeg je de emmer. De brand is zo geworteld in de cultuur van Volendam. Er zijn zo veel slachtoffers, zo veel verbrande mensen. Vrienden hebben hun halve gezicht niet meer, of missen vingers. Voor ons is het normaal. Een hele generatie is getroffen. En weet je wat? Al die slachtoffers, die zijn allemaal honderd procent afgekeurd, maar ik ken er geen een die niet werkt. Dat hoort ook bij Volendam. Gewoon werken. Dat zit in je bloed. Als je thuiszit, dan blijf je maar in je ­verdriet hangen.”

Kurk: “Je moet elke dag genieten, want het kan zo over zijn.”

Stroek: “Elk moment pakken, want het leven kan zo weer om zijn. Wij zijn echte levensgenieters. Later? Er is geen later. Je moet niet aan later denken. Nu is nu. Je kan die dure fles wijn bewaren tot volgend jaar, maar wie zegt dat je er nog bent?”

Johan Stroek. Beeld Jet van Gaal
Johan Stroek.Beeld Jet van Gaal

Kurk: “Misschien is de kurk dan wel verrot.”

Ze bulderen van het lachen. De twee vrienden, die twintig jaar later over de brand praten, houden het graag luchtig. Ze vertellen het verhaal, beschrijven wat ze hebben gezien en hebben meegemaakt, maar maken grappen, lachen hard, halen desnoods nog een keer koffie of pakken de telefoon om iets te laten zien. Ze doen alles om het gevoel binnen te houden.

Maar vraag Johan Stroek wat het moment was dat hij er voor het eerst over kon praten, hoe hij de emmer leegt, en hij valt even stil. Zijn ogen worden groot en waterig. Hij schudt zijn hoofd, en laat het daarna voorover vallen. Hij krimpt in elkaar, er klinkt een snik en daarna mompelt hij dat hij er helemaal niet over kan praten. En dan volgen de tranen.

Grotemannentranen, grotemannenverdriet.

Stroek: “Ik ken het gewoon echt niet. Ik probeer het wel, maar het lukt nooit. Ik probeer het echt altijd, maar het ken niet. Dan stik ik. Het is gewoon te erg.”

Kurk: “Wat hij heeft meegemaakt, die buitenkant, die drama, dat heb ik niet meegemaakt. Dat geldt voor zoveel mensen. Er waren die nacht ouders die hun kind nog niet hadden gevonden, maar wel de lijkzakken zagen liggen.”

‘Je bent 17 en in een klap volwassen’

Terwijl Kurk in coma lag, in de tweede week van januari 2001, stond ’s ochtends bij Stroek het schilderbusje alweer voor de deur. Er moest gewerkt worden. Tijdens het werk kreeg hij het laatste nieuws te horen. Die is dood, die is overleden, die operatie is mislukt. Hij moest naar begrafenissen, hij zag de vriendinnen van zijn jongere zusje uit het ziekenhuis komen. Allemaal met zware brandwonden. Op een daarvan was hij altijd heimelijk verliefd geweest, nu herkende hij haar niet eens toen ze voorbijliep. En zeven maanden na de brand kwam ze, 14 jaar, alsnog om het leven.

“In die tijd was het niet belangrijk wat wij hadden meegemaakt, want de aandacht ging automatisch naar de slachtoffers. Maar de rest van het dorp raakte ook getraumatiseerd. Die verhalen mogen er ook zijn, en komen nu naar buiten. Want jaren later weet je: dit maakt een normaal mens in duizend jaar niet mee. Je bent 17 en in een klap volwassen.”

Aan de dijk in de Volendamse haven is café De Hemel voor direct betrokkenen nog steeds te bezoeken. Het zwartgeblakerde plafond, de gesmolten glazen op de bar, de opgestapelde dienbladen – het is allemaal in stand gehouden, omdat het misschien kan helpen bij de verwerking van het trauma.

Stroek: “Misschien ga ik er binnenkort heen. Kan ik het daarna, onbewust, meer loslaten.”

Kurk: “Het zit allemaal in mijn geheugen, ik weet precies hoe het eruitziet. Ik hoef het niet meer te zien.”

Al jaren doen ze alles met zijn tweeën. Heel Volendam weet: waar Kurk is, is Stroek. Maar nu gaat Stroek in zijn eentje terug. Terug naar café De Hemel.

Met dank aan journalist Eddy Veerman, die meerdere boeken over de cafébrand schreef. Voor de NiVo – het nieuwsblad voor de gemeente Edam-­Volendam – maakt hij een serie verhalen over hoe ­betrokkenen nu terugkijken. Ze zijn te lezen via hemeltjevolendam.nl.

Het monument op de dijk ter herinnering aan de brand, tegenover de ramplek. Beeld TOUSSAINT KLUITERS/Hollandse Hoogte/ANP
Het monument op de dijk ter herinnering aan de brand, tegenover de ramplek.Beeld TOUSSAINT KLUITERS/Hollandse Hoogte/ANP
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden