PlusAchtergrond

Twee fotografen, allebei op zoek naar wat een plek bijzonder maakt

Iwan Baan (45) fotografeert mensen in hun bebouwde omgeving, Roosmarijn Pallandt (43) natuurvolkeren op afgelegen plekken. Toch overlapt hun werk.

Foto’s uit Iwan Baans serie van het Kumbh Mela-festival in India, 2013.Beeld Iwan Baan

In hun werkwijze zijn ze heel verschillend, Roosmarijn Pallandt en Iwan Baan, de twee fotografen die dit weekend centraal staan in de pop-uptentoonstelling van The Gallery Club. Baan reist de wereld rond om gebouwen van beroemde architecten als Rem Koolhaas of Zaha Hadid vast te leggen. Zijn koffer staat onuitgepakt naast de voordeur. In zijn tweede, Amerikaanse huis staat er nog zo een. Eergisteren was hij in Libanon, daarvoor in Nigeria en Senegal, volgende week weer ergens anders. Pallandt reist ook, maar veel trager en zij blijft langer op plekken, bijt zich erin vast, soms jaren.

Toch is de intentie van hun werk gelijk, vinden ze. “Wat het betekent om mens te zijn op deze aarde,” vat Pallandt het samen. En Baan vult aan: “We zijn allebei op zoek naar wat een plek bijzonder maakt en wat de invloed is van mensen op die locatie. Normaliteit bestaat niet. In de Westelijke Sahara wonen vluchtelingen al veertig jaar in tentenkampen. Dat is hun realiteit, hoe chaotisch en ­extreem die er voor ons ook uitziet.”

Baans methode om die eigenheid te vinden, is licht en snel: erin en eruit. “Ik ga meteen heel diep, ben dan ook compleet omringd, maar ik ben en blijf een buitenstaander. Ik ben op m’n scherpst als ik blanco ergens instap. Dan sta ik maximaal open voor zo’n nieuwe situatie. Ik kom vaak met een specifiek doel of op een specifiek moment op een plek en ga meteen aan de slag. Ik werk met een kleine camera, meestal handheld, en wil een soort fly on the wall zijn: registreren en beschrijven wat daar plaatsvindt.”

“Ik sleep juist zware, analoge apparaten met me mee,” vertelt Pallandt. “Als ik ergens kom, moet ik eerst dealen met de hitte, zorgen dat er geen slangen in de buurt zijn. ­Iemand moet zich over mij ontfermen. Voordat ik fotograaf ben, ben ik Roos die moet eten, slapen, plassen. Pas als dat is gebeurd, komt de vraag waarom ik daar ben. Dat is niet met een strak omlijnd, vooropgezet plan of een concrete onderzoeksvraag. Al mijn werk draait om hoe de structuur van de natuurlijke omgeving zich manifesteert in de structuur van ons handelen, ons gedrag, ons herinneren. Om dit te kunnen onderzoeken en te kunnen voelen verblijf ik juist langere perioden op plekken waar ­gemeenschappen nog heel dicht bij de natuurlijke omgeving staan, er veel meer mee samenleven.”

Foto’s uit Iwan Baans serie van het Kumbh Mela-festival in India, 2013.Beeld Iwan Baan

Tijdelijke megastad

In The Gallery Clubtentoonstelling laat Baan een serie ­foto’s zien die hij maakte tijdens het Kumbh Melafestival in India. Het evenement vindt elke 12 jaar plaats op de bodem van een drooggevallen meer in de noordelijke staat Uttar Pradesh. Er wordt dan een tijdelijke stad gebouwd waar vijftig tot honderd miljoen hindoepelgrims naartoe trekken over een periode van zes weken. Baan: “Het is een ­megastad gemaakt van bamboe, sari’s en stoffen – een wonderlijke, zachte stad. Je hebt er alles, van kappers en winkeltjes tot tempels. Die worden intensief gebruikt tot het water weer stijgt en alles door de Ganges en de ­Yamunarivier wordt meegenomen.”

“Ik werk veel voor en met architecten en die denken ­altijd te bouwen voor de eeuwigheid. Zo’n Kumbh Mela laat zien hoe relatief dat is. Er zijn veel ­manieren om architectuur te bedrijven en te bekijken. ­Omdat ik met grote sprongen door de wereld beweeg, heb ik de mogelijkheid die perspectieven aan elkaar te koppelen.”

“Zo zie ik de tijdelijke stad in India graag in combinatie met twee andere plekken. De eerste is Lalibela in Ethiopië, waar ze in de twaalfde en de dertiende eeuw kerken hebben uitgehakt in de rotsen. Dit is geen traditionele architectuur van ­gestapelde volumes. Hier is juist materiaal weggehaald om een soort negatieve ruimte te creëren en dat levert de meest permanente architectuur op die ik ken. Aan de ­andere kant heb je de Ise-jingu-tempel in de buurt van het Japanse Osaka. Die bestaat al sinds de veertiende eeuw maar wordt elke twintig jaar afgebroken en compleet herbouwd. Dat is een waanzinnige paradox: een permanente structuur die telkens anders is.”

Ook Pallandt is veel in Japan. Het werk dat zij in The Gallery Club presenteert is gebaseerd op de reizen die zij in de periode 2014-2019 maakte tussen het eiland Hokkaido in het noorden, waar de Siberische wind over het landschap waait, en de warme jungle in het zuiden. “De bewoners van bepaalde gemeenschappen beschouwen de natuur en het landschap als bezield. Dat is iets anders dan zweverige westerse spiritualiteit, waarbij het aardse eerder ontkend wordt. De ervaring van bezieling is juist direct verbonden aan de aarde. Ik vraag bewoners naar plekken in de natuur die van betekenis zijn voor hen. Die leg ik vast, bij voorkeur onder maanlicht om letterlijk en figuurlijk in het duister te zijn. Onze gedeelde ervaring van een plek vertalen we naar textiel gemaakt uit boombast. De schering en inslag van het weefgetouw volgt de tonen van zowel de zang van de sjamaan als de patronen in mijn fotovertalingen. Textiel bevat veel informatie over een plek en de verbinding met haar bewoners. Door een stuk textiel kunnen mensen zich uitdrukken, betekenis geven, ruimte definiëren en zich beschermen tegen de elementen.”

Werk van Roosmarijn Pallandt, gebaseerd op haar reizen in Japan. Beeld Roosmarijn Pallandt

Denken met vingertoppen

Maar waarom zo ver weg gaan om de essentie van wonen, bouwen en leven te onderzoeken? Kan dat niet ook ­gewoon in de Jordaan of in Oost? “Samenwerken doe ik met mensen daar, in de woestijn of op een berg,” antwoordt Pallandt. “Dat kan niet per telefoon of e-mail. Het is ook niet iets taligs. Alleen op de eerste paar reizen neem ik een tolk mee, daarna vind ik het prettiger om me op een andere manier tot de mensen te verhouden. Taal is praktisch, maar om de ruimte tussen de dingen te omschrijven moet je er zijn – meebewegen met de plek, met de mensen en de verbeelding daar. De Duitse filosoof Martin Heidegger schreef daar mooi over: we denken niet alleen met ­onze hersenen maar ook met onze vingertoppen.”

Toch zit er iets dubbels in hun werk, geven beide fotografen toe. Door die andere vormen van leven vast te leggen, dragen ze op een bepaalde manier bij aan hun uitsterven. “De globalisering – en daar ben ik onderdeel van – heeft ­ervoor gezorgd dat veel inheemse vormen van lichte ­architectuur zijn verdwenen,” stelt Baan. “Ik was onlangs in Kano. Die Nigeriaanse stad heeft een eeuwenoude, ­lemen stadsmuur die tot voor kort goed werd onderhouden. Maar nu is de klad erin gekomen. Mensen willen niet meer wonen in traditionele bouwsels maar in een huis naar westers voorbeeld, met een puntdak van golfplaat. Natuurlijk wordt dat bloedheet. Het is totaal onpraktisch. Maar als men zich dat eenmaal realiseert, is de oude kennis al vergeten.”

En dat geldt niet alleen voor de gebouwde omgeving, volgens Pallandt. “De bezweringen en gebeden van sjamanen staan niet op schrift. Veel van deze talen staan op het punt te verdwijnen, terwijl we deze kennis juist nu zo goed kunnen gebruiken. We hoeven niet terug naar een ‘primitieve’ samenleving, maar we zouden wel beter kunnen luisteren en voelen, samenvallen met of op zijn minst ­accepteren wat er is.”

The Gallery Club Dinner: 6/3 19.00-22.30 uur. Tentoonstelling: 7-8/3, 13.00-18.00 uu, Binnenkant 17, Amsterdam

Roosmarijn Pallandt.Beeld Albert Hartwig
Iwan Baan.Beeld Jonas Eriksson
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden