PlusReportage

Tussen de bakfietsen: de laatste fabrieken van de Buiksloterham

de Noord-Amsterdamse Machinefabriek.Beeld Jakob Van Vliet

Aan de Distel- en Asterweg in Noord hebben de ronkende machines plaatsgemaakt voor bakfietsen. Twee oude fabrieken houden de herinnering aan vroeger levend.

Van buiten is het een non-descript, grijs gebouw. Maar binnen in de fabriekshal van verpakkingsconcern Greif stampen, bonken en dreunen de machines. Als in een ­industrieel pretpark vervoeren glijbanen onderdeeltjes naar controlebakken. Persmachines spuwen metalen stroken uit. Werklieden verschuilen zich achter de kolossale machines, voor controles en om eventuele storingen op te lossen.

“Mooi hè!” roept Henry Nederveen (77) boven het lawaai uit, alsof hij het allemaal voor het eerst ziet.

Twintig jaar oud was Nederveen toen hij begon aan de Asterweg, bij wat toen nog Van Leer Industrial Packaging heette en vooral vaten produceerde. Het werk als onderhoudstechnicus lag hem goed. Hij groeide uit tot ervaren vakman en leermeester. Na zijn pensioen bleef hij twee ­dagen in de fabriek werken. Aanvankelijk alleen om te helpen als er een technisch probleem was – maar er viel altijd wel weer iets op te lossen, dus hij bleef.

Voor Nederveen is de fabriek nog altijd een beetje Van Leer. Het bedrijf werd in 2001 overgenomen door het Amerikaanse Greif. Behalve vaten produceert het nu ­industriële verpakkingen en containers. De naam Van Leer verdween, maar is hier en daar nog terug te vinden op een lasmachine. Ook de robuuste, zwarte persmachine op de binnenplaats herinnert nog aan de oude tijd. Nederveen heeft er nog mee gewerkt. “Die pers moet weg om de doorgang op de binnenplaats te verbeteren. Dat gaat me aan het hart. Na al die jaren heb ik niet alleen een zakelijke, maar ook een emotionele band met de fabriek gekregen.”

Geboortegrond

Het honderd jaar oude bedrijf, wereldwijd grootgemaakt door oprichter Bernard van Leer en later zijn zoon Oscar, is een van de laatste oude bedrijven op het industrieterrein tussen de Distel- en Asterweg, dat deel uitmaakt van de Buiksloterham.

De Distelweg, die halverwege een bocht naar rechts maakt en de Asterweg wordt, werd in 1915 opgeleverd. De percelen waren enorm, want fabrieken moesten ruimte krijgen om te kunnen groeien. Het terrein zou plaats bieden aan bedrijven als de Hollandse Beton Maatschappij (HBM), British American Tobacco Company (Batco), Harmsen Natuursteen, waterstoffabriek Electrozuur, de Nederlandse Plantenboterfabriek, timmerfabriek Louis Mohrmann, glashandel F.C. Morlang, verfhandelaar ­Butimix, Wasserij Edelweiss-de Lelie, Van Leer Industrial Packaging en de Noord-Amsterdamse Machinefabriek. Van dat rijtje zijn alleen de laatste twee nog over. De rest heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe woonwijk.

De Noord-Amsterdamse Machinefabriek is inmiddels ruim zeventig jaar oud. Ruud Laarman (59), de huidige ­eigenaar, koestert de plek aan de Asterweg. Zijn vader vestigde zich er kort na de Tweede Wereldoorlog met zijn ­bedrijf. “Hij heeft de fabriekshal zelf gebouwd. Het materiaal haalde hij uit gebouwen en fabrieken die in de oorlog stukgeschoten waren. IJzeren spanten werden per boot over het IJ hiernaartoe gebracht. De hal maakt nog steeds deel uit van de fabriek.” Ook het huis dat Laarman senior voor zijn jonge gezin bouwde, is intact gebleven. “Dit was vroeger de slaapkamer van mijn ouders,” wijst Ruud Laarman. Nu zitten werknemers er aan een lange tafel hun boterhammen te eten.

“Met zes jaar kon ik al lassen. Ik bouwde hutten met vriendjes en maakte zelf hijskraantjes. Dit is mijn geboortegrond,” zegt Laarman, terwijl hij door de hal loopt waar nog steeds apparaten staan te gieren en de geur van gloeiend metaal hangt. Het lag in de lijn der verwachting dat hij in het bedrijf van zijn vader ging werken. Eerst als knecht, vanaf 1994 als directeur en sinds 2004 ook als eigenaar.

De Noord-Amsterdamse Machinefabriek is wereldwijd actief en produceert stalen machines en machineonderdelen. Laarman: “Je kunt het zo gek niet bedenken of wij maken het. Machines om honden- en kattenvoer te maken of om reddingsboten te lanceren, onderdelen voor drainagesystemen, specialistisch gereedschap voor vliegtuig­onderdelen – maar ook bijzondere kunstobjecten, zoals ­De Knoop van kunstenaar André Volten.” Ook bedacht en ontwikkelde het bedrijf een machine om eendagskuikens op een zo diervriendelijk mogelijke manier te doden. “We zijn het enige bedrijf ter wereld dat dit doet.”

Thuis in Noord

Dankzij de bedrijfsnaam weten buitenlandse klanten meteen dat de fabriek in Amsterdam-Noord zit, aan de overkant van het water. “Ze zien deze locatie als een charmant pluspunt,” zegt Laarman. “Canadezen en Amerikanen komen vanaf het station met het pontje hiernaartoe. Vroeger haalden we ze met de auto op, nu komen ze lopend. Schitterend vinden ze dat.”

Laarman vindt het daarom ondenkbaar dat de Noord-Amsterdamse Machinefabriek níet in Noord, maar bijvoorbeeld in Zaandam, zou staan. Maar het wordt hem niet makkelijk gemaakt om te blijven. “Negen van de tien keer zijn de maatregelen en wetten ten nadele van bedrijven. Nu ligt de straat weer open, omdat die wordt verbreed voor fietsers. Dat veroorzaakt levensgevaarlijke situaties met het vrachtverkeer dat bij ons moet laden en lossen. Maar ondanks de tegenwerking peins ik er niet over om te vertrekken.”

Als jongen zag Laarman groepen werklieden vanuit de omliggende fabrieken naar het pontje lopen of fietsen. ­Tegenwoordig zijn dat moeders die hun kinderen met de bakfiets naar school brengen. De Buiksloterham is een transitiegebied. Dat betekent dat de bestemming meer naar wonen verplaatst (zie kader), totdat het gebied ­uiteindelijk alleen nog maar voor huisvesting bedoeld is.

Voor de maakindustrie is volgens Laarman steeds minder plek in Amsterdam. De gevolgen daarvan merkt hij in de fabriek. “Vakmanschap wordt schaarser. De kloof tussen afgestudeerde ingenieurs en mensen op de werkvloer groeit. Ze hebben soms geen idee van de praktijk. Wij hebben de praktijkervaring en kennis in huis. Die moet je als stad zien te behouden.”

Remco Goulooze (52) is zo’n ervaren vakman. Hij werkt al bijna dertig jaar als draaier bij de Noord-Amsterdamse Machinefabriek. “Ik vind het leuk om iets moois te maken van een ruwe homp ijzer. Het is wel jammer dat dit vak soms ondergewaardeerd wordt. Er komt veel bij kijken: ik ben betrokken bij het hele maakproces, van tekening tot eindproduct. Dat vereist vakkennis.”

Als het aan Henry Nederveen ligt, blijft ook hij zijn kennis voorlopig doorgeven bij Greif. “‘Je gaat toch niet weg hè? Wat moeten we zonder jou?’ zeggen mijn collega’s,” lacht hij. Nederveen maakt nog een ronde langs de stampende machines. “Snap je waarom ik zo trots ben? De naam is veranderd, maar mijn liefde voor dit bedrijf is nooit verdwenen.”

Henry Nederveen in de Greiffabriek.Beeld Jakob Van Vliet

Minder maakindustrie

Bedrijfsruimte is schaars geworden in Amsterdam en daarmee verdwijnt ook de maakindustrie uit de stad. De komende jaren moet 500 hectare aan bedrijfsterrein wijken voor woningbouw. Daarvoor komt maar 150 hectare grond bedoeld voor bedrijven terug aan de rand van de stad. En doordat veel bedrijfsgebouwen zijn omgebouwd tot hotels of appartementen, is het aanbod van bedrijfsruimte de afgelopen acht jaar teruggebracht van 600.000 naar 200.000 vierkante meter. Bijna de helft daarvan is verouderd en niet langer bruikbaar: slechts 15 procent van het huidige beschikbare aanbod bedrijfsruimte (van groter dan 500 vierkante meter) in Amsterdam is gebouwd na 2010, blijkt uit onderzoek van zakelijk makelaar Colliers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden