Tom Hillecamp (l) en zijn oude buurjongen Huib Colijn.

Plus Reportage

Tom redde in 1958 het leven van zijn buurjongetje. Nu zien ze elkaar weer

Tom Hillecamp (l) en zijn oude buurjongen Huib Colijn. Beeld Dingena Mol

Toen zijn buurjongetje in de Schinkel viel, redde Tom Hillecamp zijn leven. Zestig jaar later zien ze elkaar weer.

“Opeens hoorde ik gegil en zag ik iemand in het water ­liggen. Alle kinderen aan de kant bleven staan, maar ik sprong erin zonder erbij na te denken.” In zijn huidige woonplaats Purmerend vertelt Tom Hillecamp (78) vol trots over die winter van 1958, toen hij als 16-jarige een jongetje uit het water bij de Schinkelkade redde. Dat het om zijn buurjongen Huib Colijn (67), toen 5 jaar oud ging, zag hij pas toen ze allebei weer aan wal waren.

Een aantal maanden geleden ruimde Hillecamp zijn huis op en stuitte hij op de oorkonde die hij destijds voor zijn daad van Het Parool had gekregen. Toentertijd werden dergelijke oorkondes vaker uitgereikt, bijvoorbeeld voor moedig gedrag. Hij werd nieuwsgierig: hoe zou het nu met kleine ‘Huibje’ gaan? De voormalige buurjongens hadden elkaar al meer dan vijftig jaar niet gezien.

Een vriendin van Hillecamp hielp bij het opsporen van Colijn en stuurde hem een Facebookbericht. Met succes: Colijn reageerde en ze maakten een afspraak voor een weerzien: op een zonnige woensdagmiddag in restaurant Spijkerman aan het Noordhollandsch Kanaal in Purmerend.

Lage waterspiegel

Hillecamp komt wat te vroeg binnen, zegt gedag ­tegen een aantal bekenden in de hoek van de volle zaak en gaat dan zitten. Hij is ontspannen en heeft er zin in. Verwachtingen heeft hij niet, zegt hij. Hij is allang blij dat het is gelukt weer in contact te komen.

“Daar zal je hem hebben.” Achter Hillecamp verschijnt Colijn, een forse man van bijna twee meter. Hij draagt een pak en heeft een bos bloemen in zijn hand. De twee omhelzen ­elkaar en uit niets is op te maken dat ze elkaar een ­halve eeuw geleden voor het laatst zagen. Colijn wijst meteen naar het kaartje aan de bloemen, waarop ‘Met dank voor mijn leven’ geschreven staat. De twee ­lachen, kloppen ­elkaar nog eens op de schouders en gaan zitten.

Met luide stem begint Colijn te vertellen over die ingrijpende dag in 1958. Het was begin maart en het had ­gesneeuwd. Hij wilde buitenspelen, maar dat mocht niet van zijn ouders. Zonder dat die het wisten, had hij de deur opengedraaid en was hij naar buiten geglipt. Daar zag hij de grote jongens voetballen. Colijn wilde meedoen, rende op ze af, maar gleed uit op de gladde kade en belandde in het ijskoude water. Door de lage waterspiegel lukte het hem niet bij de kant te komen. “Ik kwam onder het ijs terecht, trapte mijn kaplaarzen uit en toen werd alles warm en zonnig. Fleurig!”

De oude buurjongens bestellen beiden een fluitje om te kunnen proosten. De tafel ligt inmiddels bezaaid met ­oude foto’s en krantenknipsels, een vriend van Hillecamp is aangeschoven en luistert aandachtig mee. Hillecamp vertelt hoe hij, nadat hij met kleren en al het water in was gesprongen, de zinkende Colijn omhoog trok. Inmiddels hadden de spelende kinderen aan wal, allemaal tussen de vijf en tien jaar oud, volwassenen gehaald, die met z’n allen het bewusteloze kind op het droge kregen. Hillecamp vertelt quasiverontwaardigd dat er aan hem niet werd gedacht; hij moest zelf uit het water klimmen.

Zuurstofgebrek

De moeder van Hillecamp was lid van een EHBO-vereniging en heeft Colijn toen geholpen door zijn natte kleren uit te trekken en hem warm te houden. Daar weet hij zelf niets meer van, behalve dat hij wakker werd bij Hillecamp thuis, met dekens om zich heen. Hillecamp, lachend: “Hoe vaak Huib daarna wel niet dingen heeft uitgehaald waarvan ik zei: had ik hem maar laten verzuipen!”

Geheel zonder schade kwam Colijn er niet vanaf; door het zuurstofgebrek is een deel van zijn hypofysekwab ­afgestorven. Hij heeft moeite met de coördinatie van ­bewegingen, waardoor bijvoorbeeld dansen onmogelijk is. En als Colijn moe is, lijkt hij stomdronken en valt er niet met hem te praten. “Ach, als dat het enige is, heb je toch een fantastisch leven?” zegt hij. Tijdens het gesprek herhaalt hij meerdere keren hoe blij hij is met zijn redding.

Colijn noemt zichzelf een ‘gevluchte Amsterdammer’ – hij woont in Westerland, waar Hillecamp vaak langs komt als hij naar zijn dochter op Texel rijdt. De twee blijven uiteindelijk tot de schemering praten over de buurt, hun jeugd en gemeenschappelijke vrienden. ­Zo heeft Hillecamp jaren later nóg een oorkonde gekregen: in juni 1962 redde hij de toen 8-jarige Marcel Lodewijks uit precies hetzelfde water. Ook met hem heeft hij nooit meer contact gehad, maar hij bleek in 2016 te zijn overleden.

­Colijn zou Hillecamp graag nog blijven zien, zegt hij. ­Zelf had hij nooit bedacht zijn oude buurjongen op te zoeken. Maar dat geeft niks, zegt Hillecamp. “Het moet het juiste moment zijn. Dat was dit.”

Hillecamps oorkonde voor moedig gedrag, uitgereikt op 4 maart 1958 door Het Parool. Beeld Dingena Mol
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden