Thomas Pynchon - Eigen gebrek ****

Dat je sinds Thomas Pynchon (1937) met de roman V. (1963) debuteerde, van de mad scientist van het postmoderne proza letterlijk alles kunt verwachten, was bekend. Hij liet een personage elke keer dat de nazi's een V2-raket afvuurden een erectie krijgen, verzon een samenzwering waarbij de botten van Amerikaanse soldaten tot sigarettenfilters werden verwerkt, en voerde een cocaïneverslaafde androïde op.

Maar dat-ie nog eens een (min of meer) rechttoe rechtaan hard-boiled detective zou schrijven die je moeiteloos én gierend van het lachen in een strandstoel kunt lezen, zag ik niet meteen aankomen.

Toch is dat precies wat zijn nieuwe roman, Eigen gebrek, is. Een kruising tussen een overstuurde, van hasjdampen doortrokken hommage aan het werk van Raymond Chandler of Dashiell Hammett en een melige screwball-komedie. Die bol staat van de (samenhangende!) plotwendingen en soms hilarisch oubollige oneliners, en stiekem nog een lachspiegelachtige treurzang op de dood van de sixties is ook.

Het is omstreeks 1970, en de hippie-privédetective Doc Sportello had het tot voor kort prima voor elkaar in Zuid-Californië. Met het loom en relaxed volgen van overspelige echtgenoten scharrelde hij zijn kostje bij elkaar, terwijl hij daarnaast tijd genoeg overhield om joints te roken als filtersigaretten, over het strand van Gordita Beach te paraderen en eindeloze, knetterstonede gesprekken te voeren over, pakweg, de diepere betekenis van de tv-serie Gilligan's island of de baardgroei van Donald Duck.

Dat blijft hij ook allemaal doen, trouwens. Maar toch wordt zijn leventje grondig overhoop gegooid als een bloedmooie ex zich in zijn kantoortje meldt, omdat haar nieuwe geliefde, de vastgoedgangster Mickey Wolffman, ontvoerd is, en zich op dezelfde dag een zaak aandient rond één van diens neonazistische bikerlijfwachten.

Over de kolderieke stortvloed aan verwikkelingen die dat oplevert, zal ik niet te veel zeggen. (Tipje van de sluier: er komen een dood gewaande surfbandsaxofonist bij kijken en een mysterieuze organisatie, Golden Fang, die misschien bestaat uit Aziatische drugshandelaren, maar misschien ook wel uit kwaadwillende tandartsen...) Ze zijn te talrijk en doen er eigenlijk ook nauwelijks toe, hoewel Pynchon ze verrassend netjes aan elkaar breidt.

Het plezier van Eigen gebrek zit hem in andere dingen. In het stapelen van obscure verwijzingen naar de popcultuur en de zelfgeschreven, Beach Boysachtige onzinliedjes. In de stoet stripfiguurpersonages, die allemaal weer ten minste even uitzinnig zijn als hun namen. (Mijn lieveling: Docs hippiehatende aartsvijand, de ouderwetse smeris Bigfoot, die complexer is dan hij aanvankelijk lijkt te zijn.) Het spel met de genreconventies. Het psychedelische, sprankelende en gortdroogkomische proza waarmee hij een tijdperk tot leven wekt - en dat in vertaling overigens beter overeind blijft dan je bij zo veel slang en woordspelingen zou verwachten.

Criticasters zullen het Pynchon light noemen. Een niemendalletje dat verbleekt bij een ambitieuze high- en lowbrowhutspot als Gravity's rainbow (1973). En dat hij, met verwijzingen naar Nixon, Charles Manson en een voorloper van internet, in wezen vierhonderd pagina's als een literaire Gollem brult over de verloren belofte en vrijheid van de jaren zestig ('They stole it from us!'), heeft misschien iets sleets.

Maar een echte Pynchon is het. En een toegankelijke en onderhoudende Pynchon bovendien. (DIRK-JAN ARENSMAN)

Thomas Pynchon - Eigen gebrek
Vertaald door Auke Leistra, De Bezige Bij, €24,90.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden