PlusExclusief

Theaterregisseur Eline Arbo: ‘De witte man heeft nog steeds het monopolie op existentiële vragen’

null Beeld Imke Panhuijzen
Beeld Imke Panhuijzen

De Noorse theaterregisseur Eline Arbo (36) wordt in 2023 ‘associate artistic director’ naast Ivo van Hove bij Internationaal Theater Amsterdam. Haar voorstellingen worden in binnen- en buitenland geroemd. ‘De opvolger van Ivo? Je bent niet de eerste die het vraagt.’

Lorianne van Gelder

Ze komt net uit Kopenhagen, waar binnenkort de Ilias in première gaat. Op 10 december is de laatste opvoering van De Jaren, haar bejubelde productie bij Het Nationale Theater van Annie Ernaux’ bestseller over het leven van een vrouw in de twintigste eeuw. Onder recensenten wordt al gefluisterd dat het de beste voorstelling van het jaar is. Vanaf 2023 hoort ze officieel bij de artistieke kern van het grootste theater van het land: ITA. Als ‘associate artistic director’ zal ze samen met Ivo van Hove de artistieke koers bepalen. Tussendoor regisseerde ze nog twee voorstellingen in Noorwegen, haar vaderland.

Het was een vol jaar, beaamt Eline Arbo. Voller dan normaal ook – door corona werd een van de Noorse voorstellingen naar dit jaar overgeheveld – en in een 'gewoon’ jaar zit haar agenda al dichtgemetseld. In de zes jaar sinds haar afstuderen aan de regieopleiding van de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie – waar ze verplicht in drie maanden tijd Nederlands moest leren – is haar ster alleen maar rijzende. In 2020 brak ze door met Weg met Eddy Bellegueule, een bewerking van Édouard Louis’ gelauwerde roman, waarvoor ze meteen de regieprijs won. Ook werd ze in haar jonge carrière al met een Mary Dresselhuysprijs onderscheiden, een prijs van 12.500 die nooit eerder naar een regisseur ging.

De enige ruimte die net in haar drukke schema is gemaakt, kwam vooral uit nood. ITA schrapte onlangs de tournee van De Uren, Arbo’s bewerking van het Pullitzerprijswinnende boek van Michael Cunningham (in 2002 ook verfilmd als The Hours), omdat er een groot tekort is aan technici: er staan acht vacatures open. Om de werkdruk te verlagen is 15 procent van de programmering geannuleerd.

We spreken elkaar in de ‘green room’ op de zevende verdieping van de Stadsschouwburg, die nu vijf jaar ITA heet. Het is de ruimte waar de acteurs die even ‘af’ zijn tijdens voorstellingen mogen ontspannen. Er staan twee minimalistische banken (je zou er prima op kunnen slapen), er is een tafel met een fruitschaal en als je op je tenen staat om over de dakrand te kijken, heb je een prachtig uitzicht over Amsterdam-Zuid.

Wat vind je ervan dat er net een voorstelling van je is geannuleerd?

De Uren is een heel technische voorstelling omdat het podium is gemaakt als draaischijf. Daar heb je heel veel bouwtijd voor nodig. Ik vind het erg, en jammer, maar ik vind het ook goed om de technische ploeg in bescherming te nemen. In plaats van te zeggen: we gaan het doorduwen, is nu besloten het te annuleren. Ik vind het goed dat ITA dit probleem serieus neemt.”

Binnenkort ga je je ook bemoeien met dit soort managementsbesluiten. Kijk je daarnaar uit?

“Ik vind het leuk! Dat wordt nieuw, want tot nu toe ben ik steeds gastregisseur. Ik kom ergens binnen, in Den Haag, Groningen, Oslo, Amsterdam, en dan ga ik weer weg. Je leert het gezelschap een beetje kennen, maar niet helemaal. Ik vind het superinteressant om uit te vinden hoe dingen op de achtergrond in elkaar zitten.”

Wat houdt het werk van een ‘associate director’ verder in?

“Ik zit in de artistieke kern, ook samen met Ivo. Ik zal zelf regisseren, maar we kijken ook naar welke regisseurs de komende jaren naar Amsterdam komen en we kiezen ensembleleden. We hebben net een aantal nieuwe, waar ik ook over mee heb besloten (Eefje Paddenburg, Daniël Kolf, ‘Ntianu Stuger, Minne Koole en Eelco Smits komen erbij, red.). Dat is heel leuk, want wie hier speelt, is de absolute kern van ITA.”

Ga je vooral in Amsterdam werken of zal je ook nog veel in het buitenland zijn?

“Ik probeer drie voorstellingen per jaar te doen, of dat nu in het buitenland is of hier. Repeteren kost meestal acht weken, maar de voorbereiding duurt langer. Ik bewerk de boeken die ik op toneel breng altijd zelf en dat is veel werk, zeker bij een boek als De jaren, waarin geen enkele dialoog zit.”

Acteur Jesse Mensah, een goede vriend van je, zei: ‘Elines grootste uitdaging is om te lunchen.’

Ze lacht uitbundig. “Ik krijg veel energie van mijn werk omdat ik het superleuk vind wat ik doe. Het is belangrijk om die balans te vinden, dat je niet het gevoel hebt dat je wordt geleefd. Maar alles wat ik doe, interesseert me enorm. Sommige mensen ervaren werk als iets negatiefs, ik niet.”

Waarom maak je theater?

“Het is een medium waarin je op een ­poëtische, fantasievolle en emotionele manier grote maatschappelijke en poli­tieke kwesties kunt behandelen. Of het nu gaat om de positie van de vrouw, zoals in De jaren en De uren, of over het leven van een homoseksuele jongen in Noord-­Frankrijk als in Weg met Eddy Bellegueule. In het theater heb je een plek waar je met zijn allen samenkomt. En heel anders dan bij een demonstratie of een boek of een artikel ontstaat er een live dialoog met het publiek.”

Sweater Ruben Jurriën, blouse en broek Rosa Kampinga. Haar en make-up Xiu Yun/EEAgency, assistent styling Sofie van Hal, assistent fotografie Nout Flantua. Beeld Imke Panhuijzen
Sweater Ruben Jurriën, blouse en broek Rosa Kampinga. Haar en make-up Xiu Yun/EEAgency, assistent styling Sofie van Hal, assistent fotografie Nout Flantua.Beeld Imke Panhuijzen

Eline Arbo werd in 1986 geboren in het Noorse Tromsø, de noordelijkste stad ter wereld. Daar, op 69 graden noorderbreedte, boven de poolcirkel, is het in de zomer altijd licht en komt in de winter de zon nauwelijks op. Het is een studentenstad met veel linkse, activistische bewoners. Zelf woonde ze in wat de ‘communistenstraat’ werd genoemd – “Nederlanders reageren daar altijd op van: ‘Wat?!’” –, de meest linkse en activistische straat van de stad. Elke zaterdag stond ze met de hele straat, ook met haar ouders (een socioloog en een kunstenares), broer en zus op het grote plein te demonstreren. Tegen kernwapens, tegen olieboringen, voor vrouwen- en homorechten en tegen de EU (die in Noorwegen als ‘rechts en neoliberaal’ wordt gezien).

“We maakten met zijn allen spandoeken, als kind vond ik het geweldig, want na afloop was er koffie, thee en taart in het kantoor van de socialisten.” Als puber vond ze het minder leuk. “Zoals je als kind op zondag naar de kerk gaat en op een gegeven moment denkt: dit wil ik niet meer, dit is niet meer van mij.”

In die tijd begon ze zelf met theater maken.

Was het in jullie gezin verplicht om geëngageerd te zijn?

“Als je als kind de hele tijd een bepaald soort gesprekken aan tafel hebt, wordt dat gewoon deel van jou. We gingen vaak bewegingen in de samenleving bediscus­siëren. Het is niet zozeer dat ik de hele tijd een mening moest vormen, maar ik leerde op een jonge leeftijd wat systeemkritiek is. Waarom gebeuren dingen zoals ze gebeuren?”

“Toen ik als kind eens mijn arm brak en het gips er eindelijk werd afgeknipt, zei de arts opeens: ‘Dit is niet goed.’ Het gips moest er opnieuw omheen en mijn moeder moest dat betalen. Ik was woest! Ik schreef een brief aan het ziekenhuis dat het echt niet kan dat als een arts een fout maakt, mijn moeder dan twee keer moet betalen. Zo was ik.”

“Dus als je vraagt: ben ik geïnteresseerd in management, dan denk ik vooral hoe ik kritisch kan kijken naar de systemen die we hebben gebouwd en hoe we die anders kunnen maken. Werkt het nog steeds voor ons? Wat is het beste voor de mensen? Je kunt nooit iedereen tevreden houden, maar je kunt wel kijken of het een eerlijk systeem is dat we hebben gebouwd.”

Het theater is niet de meest logische plek om de wereld te veranderen.

“Als ik weer eens op een demonstratie stond, dacht ik: dit is te zwart-wit. Op zo’n plek moet je stellig zijn en dat heb ik ook wel in me, maar ik vind het ook mooi om samen te kijken, om vragen te stellen. Dat zwart-witte heeft me nooit getrokken aan bijvoorbeeld de politiek.”

Wat is de status van theater in Noorwegen? In Nederland lijkt het steeds moeilijker de zalen te vullen.

“In Noorwegen is theater iets vanzelfsprekender. Henrik Ibsen (toneelschrijver, 1828-1906, red.) heeft veel voor het Noorse theater gedaan en is een belangrijk exportproduct. Hij is eigenlijk wat Rembrandt is voor Nederland. De gewoonte van naar toneel gaan is groot in Noorwegen. Soms mis ik dat. Als theatermakers vinden we theater natuurlijk heel belangrijk. En je hoopt dat er veel mensen komen. Maar het gaat ook weer niet zo slecht in Nederland: de hele tournee van De jaren is uitverkocht! Dat is echt fantastisch.”

De Jaren en De Uren gaan over vrouwen. Over gewone vrouwen, met gewone sores. Zo gewoon als dat lijkt, zo revolutionair is het om die verhalen in de literatuur en op het toneel te zien.

“Shocking eigenlijk, toch? Ik noem mezelf ook zeker feminist. Als je bezig bent met het klassieke toneelrepertoire, kom je er al snel achter dat het meeste werk door mannen is geschreven en dat mannen alle grote, existentiële rollen mogen spelen. Terwijl de vrouw altijd in een soort emancipatieproject zit.”

Een emancipatieproject?

“Ja, de rollen die er zijn, gaan altijd over vrouwen die de positie van de man proberen te claimen. Het gaat niet vaak over de gewone vrouw, over de mens die worstelt met universele, existentiële kwesties. Het is nog steeds de witte man die het monopolie heeft op existentiële vragen. Aan de andere kant wil ik dat we het óók hebben over dat emancipatieproject en die strijd. Het wordt dan een afweging: ga je het wel of niet benoemen. Daar heb ik gesprekken over met de communicatieafdelingen van de theaters: zij willen namelijk heel graag GROTE FEMINISTISCHE VOORSTELLING boven mijn werk zetten.”

Zou je dat erboven willen?

“Ik wil dat het een grote existentiële voorstelling is, over het leven, maar dan met vrouwen. En tegelijkertijd gaat De jaren ook erg over vrouwen – biologisch geboren vrouwen – en waarmee ze te maken krijgen: menstruatie, kinderen ­krijgen, menopauze. Annie Ernaux is lang ‘weggezet’ als vrouwenauteur. Tot ze de Nobelprijs won.”

Kostuum Rosa Kampinga. Beeld Imke Panhuijzen
Kostuum Rosa Kampinga.Beeld Imke Panhuijzen

“Ik heb nu de wind mee en voel veel steun vanuit theaters. Maar ik maak ook niet alleen voorstellingen over vrouwen. Het is gewoon wat me nu interesseert. Ik geloof hierin, ik geloof dat het verhalen zijn die we nu moeten vertellen. En dat krijg ik ook terug van het publiek. En dan denk ik: fuck it, ik doe het gewoon. Maar het is complex. Ik wil dat we leven in een wereld waarin we er niet over hoeven praten, maar tegelijkertijd moet je het blijven benoemen. En door het te blijven benoemen, hou je het in stand.”

Je bent een van de weinige vrouwen die in Nederland voor de grote zaal regisseren. Hoe is dat in Scandinavië?

“Laatst vroeg een vrouwelijke artistiek leider in Kopenhagen me: ‘Weet jij nog een leuke mannelijke regisseur? Ik ken er namelijk geen.’ Ik vond het zo grappig, want vergeleken met Nederland is dat totaal de omgekeerde wereld. Scandinavische landen hebben natuurlijk een ander systeem: je hebt er gratis kinderopvang, je krijgt een jaar verlof en daarna gaan ­kinderen vijf dagen in de week naar de opvang. Het is een systeem dat zorgt dat er veel meer mensen op de arbeidsmarkt zijn en dat meer mensen belasting betalen. Je krijgt vrouwen sneller terug naar werk en daardoor kunnen vrouwen sneller leiders worden. Omdat ze niet, nadat ze moeder zijn geworden, ineens nog maar drie dagen werken.”

“Tegelijkertijd vraag ik me af of het Scandinavisch model de droomsamen­leving is. Want moeten we niet met zijn allen juist wat minder gaan werken?”

Zegt de vrouw die niet eens luncht.

Lachend: “Het gaat niet over mij! Ik bedoel het in het algemeen. Het is een model dat is gebouwd op het feit dat we allemaal fulltime werken. Maar is dat nodig op de langere termijn? Nederland wil ook gratis opvang, maar is het wel slim om naar dat Scandinavische model te blijven kijken? Er zijn daar veel meer vrouwelijke regisseurs, er zijn meerdere vrouwelijke premiers geweest, ministers van Buitenlandse Zaken. Maar je kunt je met het oog op klimaatverandering ook afvragen: is zo veel mogelijk werken wat je wil?”

Interessant dat wij eindelijk richting het Scandinavisch droombeeld bewegen en dat iemand die daarin is op­gegroeid alweer zegt: dit moet je niet willen. Alsof we hebben ontdekt dat we zwart moeten dragen, maar dat roze eigenlijk alweer in is.

“Ik denk dat gratis kinderopvang een stap in de goede richting is. Want toen ik hier tien jaar geleden kwam, voelde het echt als een shock. Alsof ik terug in de tijd ging. Met alle respect.”

Had je een ander beeld van Nederland?

“Nederland heeft een ander imago dan hoe het echt in de samenleving is. In het buitenland heeft het een links liberale reputatie, ook dankzij het beleid rondom sekswerkers en softdrugs. Maar de samenleving is vooral heel neoliberaal vind ik. In Noorwegen is gratis onderwijs, gratis zorg, krijgen mannen en vrouwen verlof. Er wordt daar iets beter voor de mensen gezorgd.”

Waarom wilde je dan naar Amsterdam komen?

“Dat ging over de kunst! Want de keerzijde van een veilige, goed georganiseerde samenleving is dat het ook een heel homogene samenleving is. De kunstontwikkelingen, zeker op theatergebied, zijn hier heel interessant. Het lijkt soms wat weinig bekend hoe bijzonder Nederlands theater is. Maar met de Nederlandse traditie van collectieven, de mime-opleiding, de veelzijdigheid van het landschap, is hier echt iets uitzonderlijks ontstaan. Theater is hier veel traditioneler in Scandinavië.”

En je bleef.

“Ja. Hier kan zo veel. En ik heb een Nederlandse vriend, Thijs van Vuure, met wie ik altijd samenwerk. Hij is de ­vaste componist. Het is heel fijn werken. Ik werk ook vaak met dezelfde scenograaf, en dezelfde lichtontwerper.”

null Beeld Imke Panhuijzen
Beeld Imke Panhuijzen

Arbo pakt een rond doosje uit haar tas. Ze stopt er iets in. “Het is snus, ken je dat?” De kleine zakjes gestoomde tabak die je onder je lip of in je wang stopt, zijn de Zweedse en Noorse versie van de sigaret. Lachend: “Daarin blijf ik ook heel Noors.”

Om het toch over clichés te hebben. Ook haar kleding heeft die heerlijke zweem ‘Scandinavian chic’. Veel zwart, strakke ­lijnen, uitgekiend design. “Je kunt me op elk moment op een begrafenis zetten, ik zal niet opvallen.”

Je wordt wel ‘de beste ensembleregisseur van Nederland’ genoemd. Wat doe jij met de acteurs dat je ze zo kan laten schitteren?

“We praten veel over het stuk dat we gaan doen. En ik luister en ik bevraag. Ik sta open voor andere meningen, iets wat niet elke regisseur fijn vindt.”

“Natuurlijk heb ik een concept en een visie, maar de voorstelling is ook iets dat ontstaat met alle mensen samen. Ik werk met humor en vind het belangrijk dat iedereen zich goed voelt. Als ik me onzeker voel, ga ik ook slechter presteren. Daarom besteed ik veel tijd aan dat iedereen zich goed voelt.”

Is dat vrouwelijk leiderschap?

“Ik ken vrouwelijke demonische leiders en fantastische mannelijke leiders. Dus nee, dat denk ik niet. Maar ik heb wel veel mannelijke leiders meegemaakt die niet zo communicatief waren in hun gedachten. Het waren niet per se bully’s, maar het is gewoon niet zo handig als je niet communiceert. Ik probeer mensen mee te nemen in mijn gedachtegang. Natuurlijk kun je een hiërarchische cultuur hebben, dat is altijd zo, want grote instituten kunnen niet werken zonder duidelijke leiding. Maar je kunt het wel zien als gezamenlijk project.”

Hoe open ben je dan? Deel je al je twijfels en onzekerheden?

“Ik vind het belangrijk om te kunnen zeggen: ik weet het even niet. Of om te kunnen zeggen: nu twijfel ik. Of: dat was een dom besluit. Dat vindt ieder mens moeilijk. Ik heb dat ook moeten leren. Maar ik probeer het wel.”

Je staat daar als jonge regisseur zelfverzekerd voor een ervaren groep acteurs.

“Ik geloof dat onzekerheid voer is voor oorlogen. Als we gewoon proberen open en eerlijk te zijn over wat je wel of niet weet en gewoon zegt wat je fout hebt gedaan, is het makkelijker om samen te werken en hoef je hopelijk niet onzeker te worden. En natuurlijk denk ik na een negatieve recensie ook: o néé, het gaat niet goed.”

Wat is de ergste kritiek die je zou kunnen krijgen?

Ze is even stil. “Misschien als mensen zouden vinden dat het ‘te simpel’ of ‘te zwart wit’ is. Ik heb wel een mening in mijn werk, maar als het te zwart-wit voelt, is het niet goed.”

Er wordt al gefluisterd dat je de nieuwe Ivo van Hove wordt.

Weer die gulle lach. “Dat is al zo vaak gezegd, over anderen voor mij, en het zal over velen na mij worden geroepen. Ik vind het uiteraard een compliment. Ivo heeft ontzettend de grenzen opgezocht van wat je in de grote zaal van het theater kan doen. En hij is zo groot in het buitenland, met een stijl die heel eigen is aan hem. Ik vind dat inspirerend.”

Maar zie je jezelf ITA leiden?

“Je bent niet de eerste die het vraagt. Ik zie mezelf een gezelschap leiden, en of dat hier zal zijn of ergens anders, dat weet niemand. Het interesseert me wel, en ik heb een grote liefde voor het ensemble.”

Tegelijk met je nieuwe rol bij ITA word je ook Ibsen artist in residence, een beurs om je juist internationaal te ontwikkelen.

“Ik vind het fantastisch om de mogelijkheid te hebben me artistiek te ontwikkelen dankzij die beurs, ook in het buitenland. Ik ga de komende jaren in meerdere landen regisseren en ik vind het inspirerend om op zo veel verschillende plekken te komen omdat je ook het cadeau krijgt van een nieuwe, kritische blik op waar je vandaan komt. Toch vraag ik me af of het een goed systeem is om als een soort nomade te leven, als een rondreizend circus, elke twee maanden ergens anders. Er heerst een idee dat grote regisseurs altijd in het buitenland moeten werken. Maar waar is dan je gevoel van thuis?”

Wat is nu je thuis?

“Ik woon nu tien jaar in Amsterdam en ik begreep dat het zo’n beetje de regel is van grote steden: als je ergens tien jaar woont, bén je ook een New Yorker of een Amsterdammer. Ik mis de Noorse natuur, de fjorden, de bergen. Maar ik hou erg van Amsterdam. Ik kan wel zeggen: dit is nu mijn thuis.”

In 2023 is Melancholia te zien bij Het Nationale Theater, bij ITA gaat Penthesilea in première en De uren in reprise.

null Beeld

Eline Arbo

13 januari 1986, Tromsø (Noorwegen)

2008-2012 Studie theaterwetenschap aan de Universiteit van Oslo
2012- 2016 Regieopleiding aan de Academie voor Theater en Dans, Amsterdam
2020 Weg met Eddy Bellegueule, bij de Toneelschuur producties, wint regieprijs en Toneelkijkersprijs
2021 Yerma bij het Nationale Theater en De uren bij ITA
2021 Wint Mary Dresselhuysprijs
2022 Maakt Jane Eyre en Jeanne d’Arc in Noorwegen, Witch Hunt bij het NNT en De jaren bij Het Nationale Theater
2023 Associate artistic director bij ITA en Ibsen artist in residence

Eline Arbo woont met Thijs van Vuure in Amsterdam Noord.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden