PlusReportage

Stoffenkoning Tinus Kelch (81) weet nog niet van ophouden

Tinus Kelch (81) is al meer dan zestig jaar stoffenkoopman, normaliter op de Ten Katemarkt, en heeft er nog geen genoeg van. ‘Gelukkig is kleren naaien weer helemaal in.’

Stoffenkoopman Tinus Kelch gaat zodra het mag direct weer door met zijn vak. Beeld Nina Schollaardt
Stoffenkoopman Tinus Kelch gaat zodra het mag direct weer door met zijn vak.Beeld Nina Schollaardt

‘Maximaal drie klanten, maar met één ben ik ook al blij,’ vertelt een geel, handgeschreven briefje op het raam van Ten Katestraat 39. Het dateert van vóór de lockdown, toen klanten nog een kijkje konden nemen in de kleine opslagloods, die hoort bij de marktkraam van stoffenkoopman Tinus Kelch. Een stalen loopplank leidt naar het souterrain, waar het rumoer van de markt wegsterft. Aan weerszijden van de ruimte opgestapelde rollen patroonstof.

Kelch scharrelt rond tussen zijn dommelende handel. Schuine banen zonlicht op het roerloze linnen. Een katoenen doek hangt slap over een plank. Een uitbundig zebrapatroon stijfjes tegen het plafond gedrukt. Onder zijn handen komen ze pas tot leven – “Echt katoen, mevrouw. En kreukvrij. Voel hoe zacht, dat fluweel!”– en verdwijnen ze soepel in een tas, op weg naar een nieuw bestaan als jurk, bloes, mantel, gordijn of tafelkleed.

De afgelopen zes weken verkocht Kelch er nog geen ­meter van. Al zo lang van de straat; wie had dat kunnen denken na meer dan zestig jaar? Niet dat hij binnen blijft; thuis wordt hij gek. Ze is een schat hoor, zijn vrouw, en ze kookt de lekkerste kippensoep van de wereld, maar hij moet naar buiten. “Anders begint ze te zeuren dat ik moet stofzuigen.”

Rommelen

Normaal gesproken is Kelch om negen uur ’s morgens bij zijn kraam in de Ten Katestraat. Nu, in coronatijd, gaat hij rond het middaguur naar zijn opslagloods. Rommelen tussen het stilleven van patroonstoffen, even buurten bij zijn zoon Martin (57), dochter Marjan (53) en kleinzoon Danny (19), die met fruit op de markt staan. “Ze zijn ermee opgegroeid. Danny’s wieg stond letterlijk tussen de kramen. Mijn zoon hielp op zijn dertiende al mee. Toen hij ­zeventien was is hij voor zichzelf begonnen met fruit. Bij mij moet je soms een uur wachten totdat er weer een klant komt. Daar heeft hij het geduld niet voor. Fruit gaat de hele dag door,” zegt Kelch.

Nu en dan steekt hij een hand op naar passerende vrouwen die zijn stoffen vaak al decennia kopen. Zoals die ene, die al vijfentwintig jaar bij hem komt en kan zaniken zoals alleen geboren Amsterdammers dat kunnen. “Dan zegt ze: ‘Tinus, kan ik je even spreken. Moet je ’s luisteren, ik heb vorige week een lappie bij jou gekocht en dat kreukt als de pest’. En meteen daarna: ‘Geef mij nu maar een meter van die stof.’ Het is nooit goed, maar ze blijft bij me kopen. Heerlijk.”

Veertien jaar was Jordanees Kelch toen hij van school ging om zijn vader te helpen op de Noordermarkt. “Op school was ik niet zo goed. Toen ik met aardrijkskunde plaatsen moest leren als Zaandam, Wormerveer en Krommenie, zei mijn vader: ‘Da’s mooi jongen, als jij in elk van die plaatsen vijftig gulden kunt verdienen, hoef jij nooit meer naar school.’ Hij zat ook in de stoffen en bracht mij het vak bij.”

Als jochie raakte Kelch wegwijs tussen japonstof, kamgaren en koordfluweel, maar veel meer nog leerde hij wat handelen was – hoe je met een beetje bluf en vindingrijke humor je concurrenten te slim af kon zijn. Bij Stoffenhuis Majo in de Damstraat, destijds een begrip in Amsterdam, hadden ze, ervaarde hij, die tactiek feilloos onder de knie.

“Ik herinner me een stoffenzaak die een paar huizen verder zat en met een groot stuk in De Telegraaf stond. De volgende dag hingen wij een groot bord ‘Hoofdingang’ op. ­Alle klanten liepen regelrecht naar ons toe, want ze dachten dat het die winkel uit de krant was.”

Ook een voltreffer: een papier met ‘Wij gaan emigreren’ dat Stoffenhuis Majo voor het raam hing. “Mensen kwamen erop afgevlogen om nog wat in te slaan, voordat we weggingen. Na drie maanden haalden we het eraf en plaatsten we een nieuwe tekst: ‘De arme en de rijke mensen en ieder profiteert ervan, wees blij en niet geschrokken, wij zijn nog niet vertrokken!’” Kelch lacht breeduit – zijn ogen jong en brutaal.

Ook bij de firma E. Mok aan de Nieuwe Herengracht, grossier in wollen en zijden stoffen, deed hij ervaring op. “Nou ja, ervaring…Ik stond de hele dag voor het raam stoffen in te pakken. Voorbijgangers zagen dat. Als het zes uur was, gingen de rolluiken dicht en moest ik alles weer uitpakken. Zo leek het of het druk bij ons was, begrijp je.”

In 1975 begon Kelch zelf een stoffenkraam. Op maandag de lapjesmarkt en de rest van de week in de Ten Kate­straat. “Couturiers als Dick Holthaus, Frank Govers en Max Heymans kochten stof bij mij. En mensen van het toneel. Die brachten tekeningen mee van hoe de kostuums eruit moesten zien, van bijvoorbeeld brokaat of fluweel. Op maandag kwamen er bussen vol vrouwen uit Urk of Zaandam. Die wilden zwarte stoffen die niet kreukten.”

Er is genoeg om weemoedig van te worden, maar eerder kijkt Kelch met verwondering naar de nieuwe tijd. “Die kramen van tegenwoordig zijn net rijdende winkels. Vroeger had iedereen één product: aardappelen of bloemkolen. Tante Annie aan de overkant stond met haring en als ze het bont maakte, had ze er twee potten zuur bij. Moet je nou ’s kijken bij die visjongens. Daar liggen vissen tussen die ik van mijn leven nog niet gezien heb. Je had destijds ook een moeder en dochter die babysokjes zaten te breien achter de stal. Nu staat er een jongen met prachtige kinderwagens uit Amerika. Ongelofelijk!”

‘Mooi stukkie nepbont’

Van de gekkigheid van weleer heeft Kelch nooit helemaal afscheid genomen. Hij haalt een geplastificeerd bord ­tevoorschijn met daarop een foto van plattelandsdokter Tinus uit de gelijknamige televisieserie. Een keurige man met een lederen dokterstas. Kelch heeft er zijn eigen hoofd opgeplakt. Onder de titel ‘Dokter Tinus’ staat: ‘Voor al uw adviezen in stoffen.’

Aan de muur hangen krantenknipsels en fotoprints met creaties die een ontwerper van zijn stof maakte. Kelch wijst op een artikel: “Dit meissie zegt: ‘Ik koop alleen stof bij Tinus’.”

Meisjes komen de laatste jaren weer vaker. “Ik heb er één die aan tien andere lesgeeft in kleding maken. De stoffen halen ze bij mij. Eerst waren het vooral Turkse en Marokkaanse meisjes, maar nu ook Nederlandse. Toen de huishoudschool verdween, stopten veel vrouwen met zelf kleren naaien, nu is het weer helemaal in.”

“Ach, het blijft een leuk vak,” verzucht hij. Maar wat hij mist is het handelen. Even binnenlopen bij Dames- en Kindermantelfabriek Berghaus om te kijken of ze nog iets hebben. “Dan nam ik van die prachtige, zwarte stof voor een goed prijsje mee. Of een mooi stukkie nepbont, weet je wel. Je had wel dertig stoffenateliertjes in Amsterdam. Daar kon je vaak wat leuks op de kop tikken.”

Tegenwoordig gaat zeventig procent via de groothandel. “Dan loop ik net als in de supermarkt met een karretje naar de kassa. De prijzen staan vast. Je kunt nog wel naar Turkije of Frankrijk voor interessante handel. Daar ben ik te oud voor. Ik heb er de kracht niet meer voor. Maar met de stoffenkraam ga ik door. Zodra het weer kan, sta ik er.” 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden