PlusInterview

Schrijver Pieter van den Blink: ‘Ik heb echt de man met de zeis gezien’

De oersoep in zijn hoofd is papier met woorden geworden. Pieter van den Blink (53) debuteert met de autobiografische roman Het allerbeste. Over zijn verstikkende jeugd en zijn omgang met kanker.

‘Het is geen ‘coronaroman’, maar wel een verhaal over constante angst om ziek te zijn.’Beeld Nosh Neneh

Hij zit onder een stralende zon op een bankje in het Wertheimpark. Hij is schoon. En hij is blij met de complimenten die hij net kreeg over zijn debuutroman Het allerbeste. Maar de tranen staan hem in de ogen.

“Ik heb de laatste tijd veel gedacht aan lotgenoten. De mensen met kanker die met mij in de wachtkamer zaten. Er zijn veel mensen die niet schoon zijn, of die niet meer leven.” Zijn hand zoekt de kop van zijn hond Binti, die hij heeft meegenomen naar het park. “En ik zit hier lekker in het zonnetje. Dan kan ik in een keer volschieten.”

De bezwerende, humoristische, en prachtig verwoorde innerlijke monoloog die Het allerbeste is, is doordesemd van kanker. De schildklierkanker die in de hals van de naamloze hoofdpersoon wordt aangetroffen. Dezelfde schildklierkanker die in de hals van Pieter van den Blink werd aangetroffen.

En het is géén zielig boek. “Ik heb ze bij de uitgeverij op het hart gedrukt: zodra het larmoyant begint te worden, moet je me onmiddellijk waarschuwen. Dan had ik het manuscript zo in de gracht gesmeten.”

Op de vraag die toch gesteld wordt: “Ja, deze roman is honderd procent autobiografisch.” En toch een roman. Van den Blink legt uit. “Ik was moed aan het verzamelen om zo diep als ik zou kunnen in mijzelf af te dalen, om mijn verhaal te kunnen opschrijven. Dat vooruitzicht was best eng. Om die angst te bedwingen, koos ik ervoor om tegen mezelf te zeggen dat het niet een verslag maar een verhaal zou worden, niet wat mij is overkomen, maar gebaseerd op wat mij is overkomen. Het label ‘fictie’ als een ovenhandschoen om de gloeiend hete schaal verleden mee aan te pakken.”

Slaappil

Die vrije manier van schrijven schonk hem steeds meer zelfvertrouwen. “Ken je het type mensen dat niet kan slapen als er geen slaappil op hun nachtkastje ligt? Ze nemen hem nooit in, maar als hij er niet ligt, doen ze geen oog dicht. Daar moet je het mee vergelijken. Begin gewoon bij de feiten, zei ik steeds tegen mezelf, dan kun je er altijd nog van afwijken als de grond te heet wordt onder je voeten. De wetenschap dat ik die mogelijkheid had, was mijn pil op het nachtkastje. Ik heb hem niet hoeven nemen.”

En het is ook géén therapeutisch schrijven wat Van den Blink deed, kom op zeg. “Dan zou er een overeenkomst moeten zijn met wat er gebeurt in een therapeutische setting, en dat heb ik helemaal niet ervaren. Dit was totaal ­anders, dit was een avontuur om te schrijven, daarom is het ook een roman. Mijn eerste. Heel pittig was het, maar ik ben zo ontzettend blij dat die oersoep die het in mijn hoofd was, nu woorden op papier is geworden.”

Binti is met een andere hond gaan spelen, en Van den Blink zegt: “Dit is misschien wel de perfecte tijd voor dit boek. Zoals we nu allemaal alert zijn op elk kuchje of koude rilling, terwijl allerlei voorschriften ons leven beheersen, dat ken ik al heel lang, maar dan vanwege kanker. Het is geen ‘coronaroman’, maar wel een verhaal over constante angst om ziek te zijn.”

Beeld Nosh Neneh

Die oersoep. Hij liep er al een tijd in te roeren. Zijn jeugd, waarin hij geen spoor kan ontdekken ‘van de interactie met de twee mensen die mij op de wereld hebben gezet’. Op zijn zestiende gaat hij op zichzelf wonen. Hij leert de gekmakende liefde kennen, verwaarloost de ‘bonbon’ in zijn nek en gaat uiteindelijk ‘de molen’ in (hilarisch en schrijnend beschreven).

Hij weet nog het moment waarop hij besloot het op te schrijven. “Dat was te danken aan een gesprek met uitgever Mai Spijkers van Prometheus. Hij vraagt eens in de zo veel tijd aan me: ‘Hé, waar ben je mee bezig?’ Dan wil je een antwoord geven waaruit op z’n minst blijkt dat je dynamisch, voortvarend en met uitzicht op een groot succes met iets bezig bent. Op een gegeven moment vroeg hij dat weer, en toen zat ik er helemaal doorheen, al die gedachten die maar bleven malen; over ziek zijn, over mijn rare jeugd, ouders die alleen het allerbeste voor mij wilden, en hoe het toch allemaal zo is gelopen. Ik had gewoon geen zin om een ronkend antwoord te geven. Dus ik zei: nou, Mai, het is helemaal kut, ik zie er geen gat meer in. Toen zei hij: ‘Dan moet je dat opschrijven, dat wil ik heel graag uitgeven.’”

Liefdevolle afrekening

Van den Blink kijkt in het rond, maar Binti is nergens te zien. “Die komt wel weer terug. Waar was ik, o ja, Mai Spijkers. Toen ben ik dus gaan schrijven. Ik ben flink in mezelf afgedaald, en shit, wat heb ik allemaal niet meegemaakt? Ik heb in mijn dagboeken teruggelezen hoe het was als ik in zo’n bestralingstoestel lag. Heel naar. Er zit een nachtmerrie in het boek, echt afgrijselijk. Toen ik die beschreef, en het allemaal terugkwam, dacht ik echt dat ik rijp was voor het gesticht. Maar ik ben het gaan opschrijven, en ik heb die scène aan mijn beste vriend voorgelezen en die kroop achter de bank van ellende. Ik was daar blij mee, want ik dacht: nu is het een verhaal. Dat is de verbazing waar ik nog steeds van aan het bijkomen ben; dat het ­gelukt is een verhaal van die oersoep te maken.”

Wat heeft het hem opgeleverd, dat schrijven over zijn verleden? “Toen ik begon te schrijven, was ik wel ­benieuwd of het een afrekening zou worden. Maar als het een afrekening is, geloof ik dat het een liefdevolle afrekening is.”

“Mijn ouders hadden weinig vermogen om affectie te ­uiten. Vooral lijfelijk. Mijn vader schreef af en toe sonnetten. Als hij op reis was, stuurde hij me weleens een sonnet. Dat was superemotioneel, recht in mijn hart. Die man had wel degelijk een grote, warme binnenwereld, maar het kwam er niet uit, en wat er wel uitkwam, was vaak heel contrair, misprijzend, moeilijkheden zoekend waar ze niet waren.”

In de roman vertelt de verteller zijn vader over zijn ziekte. “Maar je gaat niet dóód?” vraagt hij steeds, om daarna het onderwerp te laten. “Ik wilde gewoon met hem praten over wat mij bezighield, en dat was op dat moment helaas wel dat ik ziek was, ja. Iedereen flapt weleens er wat uit, en het lijkt me extreem heftig als je kind ziek is, en al ben ik een volwassen vent, ik ben wel zijn kind. Allemaal begrijpelijk. Maar twee keer zoiets zeggen wordt al wat minder begrijpelijk. Ik heb het drie keer opgeschreven, maar hij heeft het vaker gezegd, dus ik heb hem nog gematst, eigenlijk. Hij kon er gewoon niet mee omgaan, met zoiets persoonlijks.”

Zuurstof

Intussen is Binti weer terug. “Wat een fijn dier, heeft ook meegeholpen aan het schrijven. Als hand en hoofd moe waren, ging ik met hem wandelen. Dan kwam ik met een leeg hoofd weer terug, en kon ik verder. Wat? Ja, de stad speelt een grote rol in de roman. Daar ben ik gaan leven. Ik ben hier geboren, deze stad is bijna mijn lichaam, zo voel ik dat. Je hebt Oud-Zuid, waar mijn verstikkende jeugd zich afspeelde. Dan heb je de onderdoorgang van het Rijksmuseum, waar ik aan de andere kant voor het eerst zuurstof in mijn longen kreeg.”

De longen waar hij nu extra voorzichtig mee is. “Kijk, ­iedereen weet dat hij sterfelijk is, dat weet jij ook. Alleen, als je zo ziek bent geweest als ik, heb je echt de man met de zeis gezien. En die zegt: ‘Daar zit je, Pieter van den Blink, blijf nog even lekker zitten, maar jij bent van mij.’ Ik ­behoor ook niet tot de mensen die zeggen: deze ziekte heeft mijn leven verrijkt. Het is mijn leven, ik ruil het tegen geen enkel ander leven. Maar mijn leven zonder kanker, dat had ik toch veel liever gehad.”

Pieter van den Blink: Het allerbeste Prometheus, €20,99

Journalist

Pieter van den Blink (Amsterdam, 1966) is journalist en schrijver. Hij was onder meer correspondent in Parijs voor Trouw en adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland. Naast zijn werk voor dag- en weekbladen maakte hij radioreportages en een tv-documentaire. Hij schreef drie journalistieke boeken (121 Rue de Lille, Nederland aan de Seine over het Institut Néerlandais, Voor het oog van Job over ­Volendam (met Koos Breukel) en The Medium Kills the Message, over digitalisering in de journalistiek). Toen brak het moment aan om zijn blik naar binnen te richten. Het allerbeste is zijn romandebuut.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden