PlusInterview

Scenarioschrijver Anne Barnhoorn: ‘Als je niet in jezelf gelooft, betekent een Kalf geen fuck’

Anne Barnhoorn: ‘Als tiener was ik de verlegen diepe denker.’ Beeld Jouk Oosterhof
Anne Barnhoorn: ‘Als tiener was ik de verlegen diepe denker.’Beeld Jouk Oosterhof

Wat scenarioschrijver Anne Barnhoorn (38) ook bedenkt, ze blijft altijd persoonlijk. Haar eigen ‘dramedy’ zit in hitseries als Papadag en de film Aanmodderfakker. ‘Een Kalf winnen betekent geen fuck als je niet in jezelf gelooft.’

De deur van de bijkeuken staat wagenwijd open. Anne Barnhoorn staat al te wachten. “Welkom in het pittoreske Hobrede,” zegt ze, terwijl de schoonmaakster fluks naar boven verdwijnt en eega Boudewijn Rosenmuller, producent bij NL Film en TV, zich telefonerend uit de voeten maakt.

“We moeten vandaag een regisseur ­kiezen voor onze nieuwe serie,” zegt ze, half verontschuldigend. “Het is heel spannend, ik heb nog nooit iets geschreven wat zo persoonlijk is. Ik zou gaan meeregisseren, maar de natuur besliste anders.”

Ze lacht, terwijl ze voorgaat naar de woonkamer. “Het was een verrassing dat ik weer zwanger was. Ja, dat klinkt vreemd: hoe kunnen twee mensen van ver in de dertig nu per ongeluk zwanger worden? Dat kan dus. Het is trouwens zeer gewenst, maar daardoor kan ik die nieuwe serie dus niet meeregisseren. Het is sowieso een spannende dag, want vanmiddag gaan we ook nog naar een huis kijken in Abcoude. Wil je thee?”

Anne Barnhoorn schreef in 2011 haar eerste speelfilmscenario, voor De ontmaagding van Eva van End, geregisseerd door Michiel ten Horn. Ze won er de Zilveren Krulstaart voor het beste scenario en de Prix Jeunesse voor het meest innovatieve Europese scenario mee. Drie jaar later kreeg ze een Gouden Kalf voor haar script van Aanmodderfakker, eveneens geregisseerd door Ten Horn. Vervolgens begon ze aan de scripts voor de NTR-­familieserie Kamp Koekieloekie, die vanaf 28 februari te zien is op NPO Zapp. In de tussentijd schreef ze een handvol scenario’s, onder meer voor de hitseries Vrolijke kerst, De regels van Floor en Papadag.

En ze regisseerde de korte film Happy Hannah (2017).

Barnhoorn woonde een halfjaar in­ ­Berlijn, verhuisde met haar vriend naar Hobrede, een dorpje op een halfuur rijden van Amsterdam, en heeft inmiddels dus alweer nieuwe verhuisplannen. Ze kreeg een kind en is zwanger van de tweede. Ook heeft ze al bijna alle tien scripts af voor een nieuwe serie. “Het was het idee dat ik een paar afleveringen zelf zou regisseren, maar de draaiperiode is in mei en dan ben ik zeven maanden zwanger. Dat lijkt me geen goed idee. Als er een tweede seizoen komt, houdt niemand me meer tegen, dan doe ik lekker mee.”

Eerst die andere serie. Wat is Kamp ­Koekieloekie?

Kamp Koekieloekie is een komische, muzikale familieserie over zeven kinderen die op natuurkamp gaan. Dat kamp wordt geleid door een licht spiritueel stel en is heel back to basic. Iedere aflevering gaat over een ander kind; ze hebben allemaal een probleem of iets waar ze zich voor schamen. Uiteindelijk blijkt dat jezelf zijn, met al je gebreken, veel fijner is dan leven met een masker op.”

Dit klinkt alsof er wel het een en ander van uzelf in zit.

“Alles wat ik schrijf gaat ook over mezelf, want ik kan nu eenmaal het beste schrijven over wat ik van mezelf ken. Eva van End is honderd procent hoe ik zelf was als tiener: de verlegen, net iets te mollige, teruggetrokken, diepe denker. Aanmodderfakker gaat over een man van 32 die niet echt vooruitkomt in het leven. Al mijn mannelijke vrienden denken dat het op hen is gebaseerd, maar dat is niet zo. Ik had zelf ook veel moeite met opgroeien en volwassen worden. En dat onderliggende niet vooruit willen had ik ook. Faalangst, het leven niet durven aangaan, omdat je bang bent de verkeerde keuze te maken en dat je dan niet meer terug kunt.”

“Die zeven kinderen in Kamp Koekieloekie hebben ook allemaal iets van mij. Er is een meisje dat zich voor haar lichaam schaamt, omdat ze zichzelf een beetje te dik vindt. Dat komt uit mijn eigen leven, want ik was vroeger dus ook iets… forsig. Er zit een scène in de serie die mij zo is overkomen, namelijk dat dat meisje zich aan het omkleden is en twee anderen over haar smoezen: ‘Suus is wel een beetje dik hè’. En dat die ander zegt: ‘Ja, maar ze is wel heel grappig’.”

Wat deed dat met u?

“Ik vond het sowieso erg ingewikkeld om in sociale constructies te zijn, zoals de klas, en dat is eigenlijk nooit weggegaan. Ik vind het nog steeds ingewikkeld. Ik was best wel op de achtergrond. En ik was altijd op één iemand gefocust met wie ik mijn eigen wereld kon creëren, waarin ik helemaal mezelf kon zijn.”

Uw jeugd speelde zich af in Amsterdam-West.

“Mijn vader woont in Katwijk, mijn ouders zijn gescheiden toen ik 2 was. Ik ben toen met mijn moeder in Amsterdam gaan wonen. Eerst op de Staalmeesterslaan, daarna op de Postjesweg, naast Cinema West, een bioscoop die inmiddels is afgebroken. We gingen er bijna ieder weekend naar de film, en op woensdagmiddag gingen we naar het jeugdtheater in de Meervaart.”

‘Faalangst gecombineerd met perfectionisme. Daar kon ik helemaal niet mee omgaan; ik kon nachten wakker liggen van één dialoogzin.’ Beeld Jouk Oosterhof
‘Faalangst gecombineerd met perfectionisme. Daar kon ik helemaal niet mee omgaan; ik kon nachten wakker liggen van één dialoogzin.’Beeld Jouk Oosterhof

“Met mijn moeder zag ik films als Space Jam, Legends of the Fall, The Lion King, The Addams Family. Superleuk! De allereerste film die ik met haar zag, was Bambi – ik moet een jaar of 4, 5 geweest zijn, best wel jong. Het moment dat Bambi’s moeder stierf is het enige wat ik me herinner van dat uitje, al is het niet zo dat ik er getraumatiseerd uit ben gekomen. Wat me vooral bijstaat, is dat ik het zo’n waanzinnig magische ervaring vond.”

Ligt hier de basis van uw carrière als scenarioschrijver?

“Dat schrijven heeft er altijd wel in gezeten, ja. Ik schreef al verhalen op de lagere school. Boven staat een scheepskist vol schrijfsels: dagboeken, verhalen met tekeningen, heel diepe, gevoelige gedichten – ik nam het erg serieus. Op een gegeven moment raakte ik gefascineerd door film, en toen ik naar de middelbare school ging was ik ervan overtuigd dat ik regisseur wilde worden.”

Hoe ging dat?

“Toen ik in de tweede voor een beroepenproject een wandbord moest maken, heb ik via mijn beste vriendinnetje van toen kunnen regelen dat we samen konden meekijken bij Jean van de Velde, die bezig was met de montage van All Stars. We mochten ook rondkijken op de Filmacademie en ik was helemaal mesmerized. Na school ben ik een basiscursus aan de Open Studio gaan doen. Daar ontdekte ik dat ik me niet superzelfverzekerd voelde in de rol van regisseur en toen ben ik naar de Hogeschool voor de Kunsten gegaan, audiovisuele media.”

“Het leuke van de HKU is dat je van alles wat mag proeven: montage, camera, van alles leer je iets. Aan het begin van het tweede jaar kregen we ook een blok scenarioschrijven en toen viel alles op zijn plek. Holy shit, dacht ik, dit is wat ik wil. En dit is ook wat ik kan. Dat was eigenlijk voor het eerst.”

U werd in één keer aangenomen op de Filmacademie. Toch ontwikkelde u daar een enorme faalangst.

“Toen ik met schrijven begon, was ik heel open en onbevangen, maar hoe meer ik er op school over leerde, hoe moeilijker ik het vond en hoe meer druk ik begon te voelen. Je zit elkaar toch een beetje op te naaien: je bent toch een soort van uit­verkoren, want je zit op de Filmacademie en dan moet je dat wel waarmaken. Ik ­ontwikkelde inderdaad een enorme ­faalangst. Faalangst gecombineerd met perfectionisme. Daar kon ik helemaal niet mee omgaan; ik kon nachten wakker liggen van één dialoogzin.”

“Tijdens het derde jaar sliep ik steeds slechter; ik kreeg last van mijn huid en werd mega-onzeker. Op een dag zat ik op een oxazepammetje op de bank te huilen en kwam mijn moeder binnen. Zij heeft me naar de eerste hulp gestuurd. Daar zei een verpleegster: ‘Er is niks mis met jou, jij bent gewoon op.’ Dat heb ik heel serieus genomen. Ik heb een psycholoog uitgezocht en heb met haar hulp het laatste jaar afgemaakt. Want ik wilde de Filmacademie wel afmaken.”

Wat betreft die druk: u zei zelf dat u voor uw 30ste een Gouden Kalf wilde winnen.

“Dat was mijn eigen prestatiedrang. Dat had ik heel erg tijdens het schrijven van De ontmaagding van Eva van End en Aanmodderfakker. Een leeg papier was enorm bedreigend, ik raakte ontzettend verstrikt in de structuur, en alles moest perfect zijn. Uiteindelijk lukte het me wel, en ook goed, al was de tol hoog. Ik lag uren te huilen in foetushouding. Ik kan het niet, ik kan het niet, dacht ik. Nu gaat iedereen ontdekken dat ik niks kan. Dat leverde zoveel stress op, dat is niet houdbaar.”

“Toen ik dat Kalf eenmaal had gewonnen – ik was al 32, maar goed, toch nog redelijk jong – kreeg ik een enorme dreun in mijn gezicht. Want ik had het behaald, maar er was niks veranderd. Ik had nog steeds het gevoel dat ik niks kon. De jaren die volgden waren zwaar. Heel zwaar. Ik begon met Kamp Koekieloekie en die film over Berlijn, en dat ging allebei voor geen meter. Afwijzing na afwijzing bij de fondsen, terwijl ik dacht: hè, ik heb toch net een Kalf gewonnen? Het was een belangrijke leerschool, die toen heel heftig was. Waar ik nu heel dankbaar voor ben, omdat het mijn blik op prijzen, erkenning en dat soort dingen heeft veranderd. Ik realiseerde me: je kunt wel een Kalf winnen, maar wat heb je daaraan? Als je niet in jezelf gelooft, betekent het geen fuck.”

Jeugdfoto van Anne Barnhoorn. Beeld Isabella Rozendaal
Jeugdfoto van Anne Barnhoorn.Beeld Isabella Rozendaal

Ze zucht. “Ik heb periodes gehad dat ik helemaal met schrijven wilde stoppen en niks meer met de filmwereld te maken wilde hebben. Het gaat daar vaak om ego’s, wie staat waar leuk te kletsen en wie kent wie. Schrijven zit gewoon in me. Ik kan het goed en ik heb veel mooie ideeën. Ik kan het gewoon niet laten. Ik doe het nu vanuit een veel gezondere geestessituatie, omdat ik me ben gaan focussen op het schrijven zelf. Dus niet op het eindproduct, wat andere mensen ervan vinden en of het een prijs gaat winnen of naar een festival gaat, maar op het schrijven zelf. Want dat vind ik leuk om te doen, daar haal ik plezier uit. Ik heb daar geen ­psychiater voor nodig gehad, ik heb het in mijn eentje uitgevogeld en daar ben ik ook best trots op.”

Na het examen bent u naar Berlijn vertrokken.

“Ik heb zes maanden in Prenzlauer Berg gewoond. Dat was superleuk. Het was ook heel moeilijk, want ik was geestelijk, eh… ik was niet labiel, maar de issues waar ik mee zat waren nog niet opgelost. Ik voelde me heel vrij in Berlijn, in mijn eentje, maar het was ook best heftig, want ik was tot dan toe helemaal niet goed in mijn eentje. Ik durfde niet eens alleen een café in. Als ik met iemand afsprak, wachtte ik buiten, omdat ik niet alleen naar binnen durfde. Ik kon ook niet alleen zijn. Toen ik in mijn eentje in Berlijn woonde, heb ik goed geleerd om op mezelf te zijn. En om alleen dingen te ondernemen, op jezelf te vertrouwen en om contact te maken met andere mensen. Zo raakte ik steeds meer verzeild in het nachtleven. Op een gegeven moment leefde ik ’s nachts. Ik kreeg ook weer paniekaanvallen.”

Schreef u toen nog?

“Ik heb scenario’s geschreven voor de projecten Kort! en One Night Stand en ik heb geprobeerd een boek te schrijven over alles wat ik in Berlijn meemaakte. Dat boek is er niet gekomen. Het ligt nog wel ergens boven, maar is intussen getrans­formeerd in een filmscript, waar ik ook alweer jaren mee bezig ben.”

Hoe kwam er een einde aan uw verblijf in Berlijn?

“Ik had alle clubs gezien en was er wel klaar mee. Ik ben helemaal niet van drugs en zo – ik lust best wel een biertje of een gin-tonic, en verder dan dat gaat het niet, maar ik was in een wereld beland waarin drugs een heel prominente plek innamen. Het begon een beetje vies te worden.”

Op een website over omgaan met stress staat dat u in die periode bent gaan paaldansen.

“Ja, dat was heerlijk! Ik droomde een keer dat ik aan het paaldansen was, niet in een string in een club maar gewoon als sport, en ik vond dat zó leuk. Ik heb natuurlijk nog wel wat gedraald, want ik vond het heel spannend om in weinig ­kleren te gaan sporten. Ik ben toch naar een paaldansstudio gegaan, in een driekwartlegging en een T-shirt. Dat kan niet, want je moet aan die paal blijven plakken.”

“Ik ben het heel fanatiek gaan doen: vier, vijf keer per week. Thuis had ik op een gegeven moment ook een paal – de overbuurjongen vond dat ook heel leuk. Ik werd zo sterk, ik kreeg voor het eerst in mijn leven echt zo’n sportlichaam. Toen verhuisden Boudewijn en ik naar Hobrede. Ik heb de paal wel mee verhuisd, maar het plafond is hier te laag. Bovendien ben ik moeder geworden. Sindsdien lukt het me niet meer; het is een afgesloten hoofdstuk. Het was misschien wel het beste hoofdstuk uit mijn leven.”

Hoe bent u eigenlijk in Hobrede beland?

“Amsterdam was toen al onbetaalbaar en ik had sinds mijn 20ste een soort droom om in de natuur te wonen. Ik wilde graag naar Abcoude, waar mijn moeder inmiddels woont, maar we zijn steeds ­verder buiten Amsterdam gaan kijken en uiteindelijk kwamen we hier terecht.”

Stadsmensen in een dorpje… Jullie ­konden samen nog geen basilicumplantje in leven houden, schreef u in een van uw Parool-columns.

“Nog steeds niet. Heb je ’m zien staan in de keuken? Het was best wel wennen. Het was ook wel goed te doen omdat we vrij waren; er was nog geen kind. Onze dochter Mette is nu anderhalf, daardoor ben ik veel meer aan huis gebonden. Er is hier echt helemaal niks: Hobrede is één straat, er wonen hier 175 mensen. Er zijn weinig andere kinderen, er is geen winkeltje, we doen boodschappen in de Albert Heijn XL in Purmerend.”

“We gaan met zeer gemengde gevoelens weg, want we wonen hier prachtig. Je moet zo echt even onze tuin bekijken; we hebben veertien knotwilgen en een vijver. En een sloot waar je ’s zomers kunt zwemmen. Hoe mensen hier met elkaar omgaan, dat is zo fijn. Ik ga elke dag met Mette naar de koeien en de schapen bij de boer hiernaast. Iedereen is zo begaan met elkaar en ze zijn zo lief voor ons. Je hebt altijd wel weer ergens een gek praatje. Daar haal ik veel inspiratie uit.”

Komt dat in uw nieuwe serie?

“Als ik iets schrijf, sta ik erg open voor alles wat er om me heen gebeurt. Dan vang ik ineens dialoogzinnen op die ik kan gebruiken, en op de gekste momenten ­vallen me dingen in. Het is ook heel leuk om dingen te verzinnen om mijn persoonlijke kern heen.”

‘Ik heb het idee dat mijn stijl en mijn stempel steeds dwingender worden.’ Beeld Jouk Oosterhof
‘Ik heb het idee dat mijn stijl en mijn stempel steeds dwingender worden.’Beeld Jouk Oosterhof

“Die nieuwe serie – de werktitel is Nico – is een ode aan mijn stiefvader. Hij is al in mijn leven sinds mijn 6de en ik wist hoe lief hij is: hij is heel erg van Amnesty en collecte lopen en wij hadden ook een Foster Parents-kind. In oktober 2016 kreeg hij een heel heftig hartinfarct, en daarna heb ik pas écht ontdekt hoe bijzonder hij is. Hij is zes weken kunstmatig in slaap gehouden en zijn vooruitzichten waren heel slecht. Maar hij is altijd positief gebleven en was tegelijkertijd nog steeds begaan met alles en iedereen om hem heen. Hij is helemaal opgeknapt en nu is hij gezonder dan ooit.”

“Mijn serie gaat over de allerliefste man die je ooit hebt ontmoet, die alleen goed wil doen voor de wereld en iedereen wil helpen. Maar de wereld van nu vreet je op als je zo bent. Het is gebaseerd op zijn persoonlijkheid, ik heb karaktertrekken en eigenaardigheden uit zijn leven gepakt, al is het geen biografie. Het is ­dramedy, meer drama dan komedie. Diederik Ebbinge gaat de hoofdrol spelen.”

Is dat uw stijl, een combinatie van drama en komedie?

“Dat vind ik een moeilijke vraag. Mijn stijl… Ik heb het idee dat mijn stijl en mijn stempel steeds dwingender worden. Misschien kan Boudewijn dat beter beantwoorden, dan hoor ik dat ook eens van een ander.”

Ze roept Boudewijn, die een paar tellen later zijn hoofd om de hoek van de kamer steekt. “Hallo, ik was heel asociaal aan het bellen. Hebben jullie het over mij? Moet ik even weggaan?” “Ja. Nee,” antwoordt Barnhoorn. “Wat mijn stijl is. Ik vind het moeilijk om…”

Rosenmuller vindt de vraag minder moeilijk te beantwoorden: “Anne durft van een kleine tekortkoming van een personage een verhaal te maken. Los van het feit dat haar verhalen altijd grappig zijn, héél grappig zelfs, zit er heel veel liefde voor de personages in. Die liefde voor de personages is cruciaal. Zodra je daaraan gaat tornen, stort zo’n verhaal meteen in. Dat vind ik dat haar typeert: kleine ­karaktergedreven, grappige, liefdevolle verhalen.”

Barnhoorn wappert met haar handen voor haar gezicht. “Ik vind het een heel mooie beschrijving, daar kan ik weer twee maanden op voort.”

Kamp Koekieloekie (regie: Joost van Hezik en Jamille van Wijngaarden) is vanaf 28 februari acht zondagen te zien om 18.05 uur op NPO3.

Anne Barnhoorn

4 juli 1982, Katwijk

1994-2000 Montessori Lyceum Amsterdam
2002-2004 Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, audiovisuele media
2004-2008 Nederlandse Filmacademie, richting scenario
2009 One Night Stand: Alex in Amsterdam
2013 De ontmaagding van Eva van End
2014 Aanmodderfakker, bekroond met Gouden Kalf voor beste scenario
2014 Jeugdserie Vrolijke kerst
2015 Jack bestelt een broertje
2016 Adios Amigos
2017 Kort!: Happy Hannah
2017-2020 Twee seizoenen Papadag
2018-2019 Column in Het Parool
2019-2020 Jeugdserie De regels van Floor
2020 Jeugdserie Kamp Koekieloekie

Barnhoorn woont samen met ­Boudewijn Rosenmuller. Ze ­hebben een dochter, een tweede kind is op komst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden