PlusInterview

Sandra den Hamer, directeur van Eye, is een blijvertje: ‘Geef me iets wat ik niet ken’

Sandra den Hamer, directeur van Eye Filmmuseum: ‘Mijn rol is vooral de boel bij elkaar en in beweging houden.’ Beeld Martin Dijkstra
Sandra den Hamer, directeur van Eye Filmmuseum: ‘Mijn rol is vooral de boel bij elkaar en in beweging houden.’Beeld Martin Dijkstra

De coronacrisis is voor Sandra den Hamer (62), directeur van Eye Filmmuseum, een slechte, te lange film. Dicht? Open? Toch dicht? Ze hunkert naar een omgeving vol energie. En loopt af en toe graag voorop. ‘Ik voel me hier een voetbalcoach.’

Els Quaegebeur

Woensdagochtend elf uur, het restaurant van Eye Filmmuseum. Veel toeristen en arthousefilm-minnende 65-plussers aan de koffie. Eye-directeur Sandra den Hamer wil graag hier afspreken. Een eigen kantoor heeft ze niet. Zij en 130 medewerkers delen grote werkplekken zonder deuren. Er zijn een paar vergaderkamers, maar die bieden geen uitzicht op het IJ en de stad. Zonde om daar te gaan zitten, vindt ze. “En de koffie is hier lekkerder.”

Den Hamer is een betrekkelijk verse Amsterdamse. In 2007 werd ze gevraagd leiding te geven aan het filmmuseum, dat toen nog huisde in het Vondelpark, maar de verhuizing naar een spectaculair gebouw aan de noordelijke IJ-oever al op de kaart had. Zes jaar later, in 2013, verhuisden zij en haar man vanuit Utrecht naar een huis in Noord.

In haar carrière maakte ze weinig omwegen, zegt ze. “Tijdens mijn studie film- en theaterwetenschappen in Utrecht liep ik onder meer stage bij het Holland Festival en werkte ik een tijdje voor wat toen nog Holland Film Promotion heette, maar ik heb maar twee echte banen gehad: 23 jaar bij het International Film Festival in Rotterdam, en nu directeur van Eye, ook alweer ruim veertien jaar. Ouderwets hè? Voor millennials – met wie ik veel werk – is het niet te bevatten dat je zo lang ergens blijft.”

Bent u standvastig van aard?

“Dat ben ik wel, ja. Ik verbind me stevig aan iets waar ik achter sta, en ik zal vervolgens niet snel denken: nou, het is mooi geweest, ik ga eens ergens anders kijken. Binnen het Festival Rotterdam zat ik overigens op veel verschillende plekken. Ik zette Cinemart op, een markt die scenaristen, producenten en financiers samenbrengt rond nog te maken films, ik reisde veel om gestalte te geven aan een fonds voor filmmakers uit Latijns-Amerika, Azië en Afrika, daarna was ik adjunct-directeur, toen co-directeur en uiteindelijk stond ik aan het hoofd. Het was daardoor nooit saai.”

Waarom maakte u toch de overstap naar het filmmuseum?

“De toenmalige voorzitter van de raad van toezicht vroeg me op een slotavond in Rotterdam: wist jij dat wij een nieuwe directeur zoeken? Ik zei: jazeker, veel succes daarmee. Hij liet me toch het voorlopige ontwerp van dit gebouw zien. Of ik zin had daar leven in te brengen. Er moest niet alleen een nieuw museum komen, en een betere plek voor het archief, maar ook een nieuw instituut dat beheert, aan landelijke educatie en internationale promotie doet en een voedingsbodem biedt voor debat en reflectie. Toen begon het te kriebelen, want dat was natuurlijk een droomopdracht.”

“We hebben sindsdien grote sprongen gemaakt. De bouw startte in 2009 en in 2012 gingen we over. Inmiddels waren we een andere instelling geworden, door een fusie met het Nederlands Instituut voor Filmeducatie, Holland Film Promotion en de Stichting Filmbank. En van een bescheiden paviljoen met twee kleine filmzalen gingen we naar een prachtig modern gebouw met vier zalen en dertienhonderd vierkante meter tentoonstellingsruimte. Kortom, ook hier verveel ik me nooit.”

Buitenlandse vakgenoten vragen Den Hamer weleens gekscherend hoe het museum nu weer heet, zo vaak veranderde het van naam in de 75 jaar dat het bestaat, zegt ze dan. “Het begon in 1946 als Nederlands Filmhistorisch Archief, opgericht vanuit liefde voor film door verzamelaars met bijzondere collecties. Vervolgens werd het Nederlands Filmmuseum, Filmmuseum, EYE Filminstituut, EYE Filmmuseum, en uiteindelijk Eye, zonder al die hoofdletters.”

Een nachtmerrie voor pr-mensen.

“Toch valt voor elke naamswijziging iets te zeggen, samenhangend met veranderingen van de organisatie en haar functie, van verzamelen en bewaren naar wat we nu zijn: een museum voor een breed publiek. Toen ik studeerde, was het filmmuseum nog geen openbaar gebouw. Als je naar binnen wilde om iets op te zoeken of te bekijken, moest je een afspraak maken met de directeur. Die deed dan zelf de voordeur voor je open en wees je de weg naar de bibliotheek. Pas in de jaren tachtig kreeg het iets van een publieke functie met reguliere vertoningen in die twee kleine zaaltjes. Tentoonstellingen waren er lange tijd nauwelijks. In de Franse zaal werden soms affiches getoond, of de jurk van Romy Schneider in Sissi, spannender werd het niet.”

“Het woord instituut kwam erbij toen wij verantwoordelijk werden voor filmonderwijs op scholen. Museum was niet meer geschikt vonden we toen, na eindeloze vergadersessies. Maar instituut voelde bij nader inzien ook niet helemaal als iets waar je voor je plezier heenging.”

Ja, dat klinkt als: brood meenemen.

“Da’s overdreven, maar die titel was zeker te zwaar. Mensen wisten trouwens bij het woord filmmuseum nooit precies wat het betekende. Toen we nog in het Vondelpark zaten, maakten we een keer een filmpje waarvoor we mensen op straat vroegen of ze weleens in het Filmmuseum kwamen. Meestal was de reactie: ‘Filmmuseum? Hebben we dat? Oooo, naast Vertigo, jaja.’ Het terras kenden ze allemaal. Daar zijn we nu ver voorbij. Het doet me deugd dat we inmiddels in de volksmond gewoon Eye zijn. Een begrip. Een plek waar iedereen zich thuis kan voelen, en waar we de combinatie van verzamelen, restaureren en het presenteren van oude en nieuwe films in de volle breedte voor het voetlicht brengen.”

In hoeverre hebben we dit aan uw standvastige temperament te danken?

“Ik ben natuurlijk maar één radertje in het geheel, maar het voordeel van lang ergens zitten is wel dat je inzicht krijgt in hoe een organisatie meebeweegt met de tijd. Dat is een van de redenen waarom ik dit werk zo graag doe. Onze programmering is veel meer dan vroeger ingegeven door maatschappelijke betrokkenheid en engagement. Zo zijn we dit seizoen gestart met Cinema Ecologica, over mens en natuur. Twee jaar geleden hadden we het Black Light-programma, over de verbeelding van zwarte identiteit in de film. Twee voorbeelden die laten zien hoe wij proberen dicht op de huid van de tijd te zitten. Met films is dat best moeilijk soms, want een film maken kost een aantal jaren.”

Gelukkig hebben jullie een archief met vijftigduizend films.

“Ja, het archief is een reusachtige snoepwinkel om uit te kunnen kiezen. Oude films kunnen een nieuwe betekenis krijgen, bijvoorbeeld omdat ze hun tijd ver vooruit waren toen ze werden gemaakt, of door ze in een nieuw daglicht te plaatsen.”

“Ik ben trots op alle onze tentoonstellingen, maar een van de mooiste dingen die we hier hebben gedaan met de collectie is Sluimerend vuur, waarbij we home movies uit Nederlands-Indië, waarvan we er veel hebben, in een andere context plaatsten. Het zijn over het algemeen vrolijke filmpjes van blonde kindertjes in witte zomerjurken, die taartjes eten en blij rondspringen op de plantage. De Hongaarse kunstenaar Péter Forgács selecteerde een aantal van die filmpjes en projecteerde ze op bewegende gordijnen terwijl het publiek door een koptelefoon verhalen hoorde over de afschuwelijke dingen die gebeurden in de koloniale oorlog. Recht doen aan de geschiedenis door die ogenschijnlijk onschuldige beelden te voorzien van de rauwe werkelijkheid, dát zijn de momenten waarop ik denk: hierom heb ik ja gezegd tegen deze baan.”

Bemoeit u zich altijd inhoudelijk met de tentoonstellingen?

“Dat is voor mij de lol van het werk.”

U gaat niet vooral over het…

“Geld?”

Ja.

“Nee zeg.”

Maar u snapt het wel, geld?

“Ja, maar alleen in combinatie met de inhoud. Ik stel me altijd de vraag: waarvoor precies zoeken we geld, wat willen we doen met het geld? Als ik dat helder voor me zie, ga ik ervoor.”

Kunt u het goed binnenharken?

“Als ik ergens in geloof, beschik ik over een zekere overtuigingskracht, ja. Maar ik kan niet zonder de adjunct-directeur van Eye, die zich bezighoudt met de financiën. Het is niet mijn sterkste kant. Ik zie mezelf hier eigenlijk als een voetbalcoach die er zorg voor draagt dat zij de beste spelers in het veld heeft, of het nu gaat om het op touw zetten van tentoonstellingen, het doen van wetenschappelijk onderzoek of het assortiment in de winkel. Mijn rol is vooral de boel bij elkaar en in beweging houden, soms door voorop te lopen, een onbekende richting op. Daar ben ik goed in. Professioneel gezien is dit de liefde van mijn leven. We hebben zo hard gewerkt om te bereiken waar we nu zijn. Of waar we anderhalf jaar geleden waren, bijna twee.”

Want corona hakte er stevig in?

“Dat kun je wel zeggen. Het was echt even alsof de ziel eruit was. In de eerste lockdown begonnen we met veel energie aan allerlei activiteiten: we lanceerden ons streamingplatform, boden online lespakketten aan, organiseerden een digitaal filmkwartiertje en gaven workshops voor kinderen thuis. Ondertussen schakelden we om naar thuiswerken. Maar het gebouw was leeg. In het begin hebben we alle muren van het museum geverfd. In de bioscoopzalen werden de muren zelfs gestofzuigd.”

Dan heb je echt tijd over.

“Haha, ja, onze versie van het zuurdesembrood thuis. Na verloop van tijd sijpelde die energie weg. De leegte in het gebouw begon steeds unheimischer te voelen, omdat het zo lang duurde en we ook niet wisten wanneer de mensen weer zouden komen. Er was niets verwachtingsvols aan de stilte. Je zag het ook aan het verloop van de klusjes. De verfpotten bleven gewoon staan op de vloer. De ladders werd aan het einde van een werkdag niet opgeborgen, want waarom zouden we, er was toch niemand die het zag.”

Net zoals we thuis allemaal dag in dag uit in onze joggingbroek liepen?

“Het maakte allemaal weinig uit. Dat vond ik een heftige tijd, en ik denk dat het ook nog even zal duren voor we er goed en wel overheen zijn.”

In de Amerikaanse podcast On the Media ging het laatst over de coronacrisis als scenario, aan de hand van de beroemde voordracht The Shape of Stories van auteur Kurt Vonnegut. Mensen kunnen maar een beperkt aantal ups-and-downs verdragen, dus als je corona ziet als een film...

“Duurt ie veel te lang, ontbreekt zicht op het einde en zitten er veel te veel plotwendingen in. Duidelijke recensie, één ster. Dat voelden we hier sterk, in het centrum van de film. We hadden natuurlijk ons 75-jarig bestaan te vieren. In januari zouden we koninklijk bezoek krijgen, onze eigen streamingdienst lanceren en beginnen met Eye on screen: films uit de collectie projecteren op buitenplekken door het hele land, van de Rotterdamse koopgoot tot het Centraal Station in Groningen. Een week later zouden we de tentoonstelling Vive le cinema feestelijk openen. Het kon niet op. Maar ja, 13 januari werd 6 februari werd 20 maart werd begin april. Het hele circus eromheen moest meebewegen maar het ging niet meer, je zag de energie wegstromen. Het was echt een spanningsboog of twee te veel. Toen zeiden we: weet je wat, wij plannen niets meer, we horen het wel. Op 5 juni zijn we opengegaan voor dertig mensen, en Máxima is langs geweest. Dat was even goed feestelijk, want er was een enorme hunkering om open te gaan, ook bij het publiek.”

Hoe is het nu?

“De verfpotten zijn opgeborgen gelukkig. We hebben inmiddels weer een aantal openingsavonden en andere feestelijkheden achter de rug. Met de opening van All about theatre about film, de tentoonstelling van Ivo van Hove en Jan van Versweyveld die nu te zien is, zat het restaurant vol en keken honderden mensen vanaf de trappen naar een performance van Harry de Wit hier op de arenavloer. Toen was ik zo blij. Eindelijk, dacht ik, we zijn weer een beetje Eye zoals het moet zijn.”

Bent u zenuwachtig voor mogelijke nieuwe maatregelen die Eye zullen raken?

“Niet zenuwachtig. Ik heb eelt op mijn ziel gekregen, een soort daar-gaan-we-weer-gevoel. We gaan natuurlijk allemaal wel verschrikkelijk balen als we weer dicht zouden moeten. Alle musea waren van begin af aan zo braaf met de uitvoering van de maatregelen, met overal looproutes enzovoort, en wij moesten uiteindelijk het langst dicht blijven.”

Werd u daar niet recalcitrant van?

“Ik heb een keer burgerlijke ongehoorzaamheid overwogen – gooi onze deur ook maar open, nu bijna alles open is – maar dat past ons toch niet. We lobbyden wel onophoudelijk bij het ministerie, maar we bleven afhankelijk van de besluitvorming, hoe goed we ons best ook deden, en hoe veilig het museum ook was. Al die verschillende en steeds veranderende regels, dat was voor ons best complex. We hadden zelfs een coronaprotocolteam.”

Ze glimlacht fijntjes. “Ik zat daar gelukkig niet in.”

De eerste film die Den Hamer als kind in de bioscoop zag, was The Sound of Music (zij en haar gezin kijken hem nog steeds elk jaar met kerst). Thuis in Steenwijk werd ze niet opgevoed met films. Haar ouders waren geen cultuurveelvraten, zegt ze. De buurman wel, als directeur van het plaatselijke theater. In haar tienerjaren scheurde zij daar de toegangskaartjes.

‘We laten graag zien dat film zo veel meer is dan vermaak op een doek.’ Beeld Martin Dijkstra
‘We laten graag zien dat film zo veel meer is dan vermaak op een doek.’Beeld Martin Dijkstra

Op de dag dat het Amsterdamse gezelschap Hauser Orkater hun voorstelling Zie de mannen vallen kwam spelen in Steenwijk, ging er een luik naar een andere wereld open in haar hoofd. “Het was de eerste voorstelling waarvan ik dacht: zo kan het ook. Ik wilde als kind geneeskunde of bouwkunde studeren, maar door die voorstelling van Orkater wilde ik meer te weten komen over theater. Binnen de studie theater- en filmwetenschappen koos ik uiteindelijk het liefst de filmvakken. Kennelijk lag mijn hart daar nog meer.”

En altijd geweten: ik ben zelf geen maker?

“Helemaal in het begin, toen ik echt nog bloedjong was, dacht ik erover cameravrouw te worden, maar eigenlijk heb ik altijd gevoeld dat ik niet zelf wilde maken. Ik ben wel het liefst dichtbij makers, door met ze te praten en hun werk te presenteren en te behouden. Als dit een zakelijke baan zou zijn, was ik allang iets anders gaan doen.”

Wanneer hebt u voor het laatst van ontroering gehuild om het werk van een maker?

“Laatst nog, toen ik stond te kijken naar de sterfscène met Chris Nietvelt in de voorstelling Kreten en gefluister, te zien in All about theatre about film. Beelden die je raken vergeet je nooit meer. Dat kan ook gebeuren door wat je niet ziet, door wat het oproept in je verbeelding. Ook dat is de kracht van film. Ik weet nog dat ik Funny Games voor het eerst zag, van Michael Haneke. Na afloop kon ik de eerste uren niet praten, zo diep onder de indruk was ik. Ook van het intelligente spel dat de regisseur speelt met de kijkers, door ze na het einde toe te spreken: is dit wat je wilde zien? We kunnen ook een ander einde maken, hoor, waarin het goed afloopt met het gezin.”

Heeft u iets verdrietigs meegemaakt waar bij wijze van spreken een film over gemaakt kan worden?

“Niet iets anders dan het verlies van dierbaren, zoals mijn vader en moeder, al zijn daar prachtige films over gemaakt. Wij mogen natuurlijk van geluk spreken hier in Nederland. Ik helemaal. Altijd een geweldige baan gehad in een fantasierijke wereld vol leuke mensen, een fijn gezin, mooi gewoond, vrienden, gezond. Supersaai vanuit filmisch perspectief. Maar goed, ik hou zelf ook niet van vreselijke dramafilms bedoeld om tranen uit te lokken volgens een format. Geef mij maar iets wat ik niet ken, dan blijf ik leergierig.”

“Toen ik begon bij het filmfestival in Rotterdam, zag ik voor het eerst films uit Senegal en Burkina Faso. Van die landen kregen wij hier überhaupt nooit beelden onder ogen, zo gedomineerd door de Verenigde Staten en de rest van de westerse wereld als het media-aanbod hier was. En is. Die films zetten bij mij een interesse in het onbekende aan, die ik nooit meer heb verloren. Daarom vind ik deze baan zo leuk, denk ik. De magie van een bioscoop waarin het licht langzaam uitgaat en je met alle mensen in de zaal één bent als publiek van een verhaal, op reis naar andere tijden, landen en culturen.”

“Daarnaast laten we graag zien dat film zo veel meer is dan vermaak op een doek. We hebben nu dus onze eigen streamingdienst, de Eye Film Player. De meest bekeken film tot nu toe is Haarlem op film, gemaakt met oude filmbeelden van Haarlem uit ons archief. Ook in de top-drie staat De Veluwe, een aardrijkskundige film uit 1923 over de natuur en het culturele leven op de Veluwe. Mensen willen kennelijk graag de filmgeschiedenis als ons collectieve geheugen in duiken.”

Krijgt u niet een soort fomo van dat archief?

“Dat ik alles moet zien? Nee, dat is onmogelijk met meer dan vijftigduizend films. Ik heb wel veel bewondering voor collega’s die hier nog veel langer werken dan ik en de collectie écht op hun duimpje kennen. Als je tegen hen zegt: ik zoek iets, het moet te maken hebben met ballet maar dan in 1930 en in Parijs, zeggen zij: wacht even. En komen dan terug met een aantal voorbeelden. Ook bijzonder vrolijk word ik van het wekelijks overzicht van de opgevraagde filmfragmenten. De aanvragen komen echt overal vandaan, van een filmgenootschap uit Sittard tot het NOS Journaal tot het MoMA in New York. Elke week staan er dingen tussen die me versteld doen staan, alleen al omdat we het hebben. Dat vervult me met trots en nieuwsgierigheid, niet met fomo.”

Sandra den Hamer

10 juni 1959, Bergen op Zoom

1971-1977
Gymnasium B in Steenwijk

1978-1981
Nederlandse taal- en letterkunde, Rijksuniversiteit Groningen

1981-1984
Theater- en Filmwetenschappen, Universiteit Utrecht

1983-1984
Holland Festival

1983-1986
Nederlands Film Festival (coördinator Filmmarkt, festivalproducent)

1985-1986
Holland Film Promotion (coördinator Nederlandse stands in Cannes en Berlijn)

1985-1988
International Film Festival Rotterdam (coördinator CineMart)

1986-1990
International Film Festival Rotterdam (coördinator Hubert Bals Fonds)

1992-1996
International Film Festival Rotterdam (adjunct-directeur)

1996-2007
International Film Festival Rotterdam (directeur, van 1997-2003 samen met Simon Field)

2007
Aangesteld als directeur van het Filmmuseum

2012
Verhuizing naar huidige gebouw aan het IJ, naamswijziging naar EYE Filminstituut

2015
Gouden Kalf voor de filmcultuur

Sandra den Hamer woont samen met haar man in Amsterdam-Noord. Ze hebben samen een dochter en een zoon.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden