PlusInterview

Rouwen voor beginners: ‘Ik weet nu dat ik mijn ouders mag missen’

Journalist Gijs van der Sanden (34) was begin twintig toen hij zijn ouders verloor. Hij schreef een boek waarin hij onderzoekt wat het betekent om te rouwen en hoe we met verlies omgaan.

null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

Toen Gijs van der Sanden 23 jaar was stonden zijn twee oudere zussen en hij er alleen voor. Hun vader overleed in 2005 plotseling aan de gevolgen van een hartstilstand en bijna vier jaar later verloren ze ook hun moeder, vermoedelijk ook door een hartstilstand. Het rouwen verloopt niet volgens een vaststaand stappenplan, ontdekte Van der Sanden.

Welke vragen hoopte u te beantwoorden door dit boek te schrijven?

“Rouwen heb ik altijd vreselijk moeilijk gevonden. Het was bijna alsof er een gevoel van schaamte om mijn verdriet heen zat. Als ik nieuwe mensen ontmoette en zij naar mijn ouders vroegen, vond ik het heel moeilijk om te zeggen: ze leven niet meer. Waarom? Die vraag was het beginpunt van mijn boek. Ik denk dat dat deels met mijn persoonlijkheid te maken heeft. Mijn gay-zijn is ook iets waar ik me lange tijd voor schaamde en waarmee ik uiteindelijk naar buiten moest komen. Maar het komt ook, denk ik, doordat we in een maatschappij leven waarin we ongemakkelijk worden van andermans verdriet. Dat wilde ik proberen te begrijpen.”

Rouw wordt onterecht soms voorgesteld als een stappenplan, schrijft u. Wat is daar mis mee?

“Ik kan me best voorstellen dat mensen geholpen zijn bij het idee dat rouw verloopt volgens een vast schema, zoals de bekende stadia van rouwverwerking die psychiater Elisabeth Kübler-Ross onderscheidde, en dat er een eind aan komt. Maar er gaat iets normatiefs uit van het idee dat het op een gegeven moment klaar moet zijn. Dat zie je ook aan de taal die we gebruiken als het over rouw gaat. We hebben het over ‘verwerken’ van verdriet, alsof het afval is. En over ‘verdriet een plekje geven’, alsof je een doos op zolder zet waar je nooit meer naar kijkt. Ik geloof niet dat je rouw ooit afsluit, en ik denk dat dat niet erg is.”

Verandert de rol die verdriet in je leven speelt na verloop van tijd?

“Ja, dat denk ik wel. Op mijn 23ste mocht ik autorijden, drinken, stemmen, ik was bijna afgestudeerd. In principe was ik klaargestoomd voor het volwassen leven, maar zo voelde het helemaal niet. Mijn vanzelfsprekende vangnet was weggevallen. Mijn vader was er al niet meer, en ik had mijn moeder heel hard nodig. Ze ondersteunde me financieel en ik ging regelmatig een weekend terug naar mijn ouderlijk huis in Brabant, waar ze dan een biefstukje voor me bakte. Ik heb erg geworsteld met het gevoel geen kind meer te zijn. Ik dacht: ik moet volwassen zijn, ik moet dit kunnen. Maar ik tastte toch vaak in het duister bij het vormgeven van mijn leven.”

“Toen ik dertig werd, brak een nieuwe levensfase aan waarin het verdriet een andere rol kreeg. Het werd minder acuut, het overviel me minder vaak. Ik kon het beter wegduwen. Maar toen ik zag dat leeftijdsgenoten een andere, meer gelijkwaardige band met hun ouders kregen, miste ik mijn ouders weer enorm. Het verdriet slijt niet, maar verandert van vorm. Ik vergelijk het weleens met een dier: zolang het aandacht en verzorging krijgt, houdt het zich koest. Maar verwaarloos je het, dan valt het je aan.”

Wat heeft u geholpen te leren omgaan met het verlies van uw ouders?

“Door therapie heb ik leren erkennen dat het erg is dat mijn ouders er niet meer zijn. Het grijpt me weer aan als ik het zeg. Voor mij was dat niet vanzelfsprekend, hoe raar het misschien ook klinkt. Ik heb lang gedacht: huppakee, doorgaan. Dat hebben meer mensen die hun ouders op jonge leeftijd zijn verloren, heb ik gemerkt. Ze willen hun mannetje staan. Daarbij verliezen ze soms uit het oog dat het ook heel zwaar en moeilijk is. Dat deed ik ook. Ik ­vergoelijkte het verdriet: ach, het is al zo lang geleden, het is nou eenmaal zo. Nu weet ik: ik mag mijn ouders missen.”

Rouwen past niet in een wereld waarin we door geluk zijn geobsedeerd, schrijft u.

“Er wordt vaak gezegd: we kunnen niks doen aan de tegenslagen waarmee we te maken krijgen, maar wel aan de manier waarop we daarmee omgaan. Facebook­topvrouw Sheryl Sandberg, die haar man verloor, schrijft dat bijvoorbeeld in haar boek Option B: Facing Adversity, Building Resilience, and Finding Joy. Het is exemplarisch voor een neoliberaal adagium: we zijn verantwoordelijk voor ons eigen geluk. We zijn rouw gaan zien als een kans op zelfverbetering, een kans om te groeien. Zo praten we er ook over: wat heb je eraan gehad, wat heb je ervan geleerd? Alsof verlies en tegenslag ergens goed voor moeten zijn.”

“Voor sommige mensen is dat misschien troostrijk, maar voor mij niet. Ik heb helemaal niets aan de dood van mijn ouders gehad en zal altijd willen dat het nooit was gebeurd. Maar mensen horen liever dat je er sterker van bent geworden. Natuurlijk heb ik ook geleerd van wat er de afgelopen jaren is gebeurd; ik heb er een boek over geschreven. Maar dat had ik liever niet gedaan.”

Is de manier waarop we met rouw omgaan de afgelopen jaren veranderd?

“Absoluut. Toen mijn moeder in 2009 overleed was Facebook hét sociale medium. Mensen deelden er vooral hun vakantiefoto’s. Ik vond het bijzonder ongepast om iets te plaatsen over mijn moeders dood, alsof ik een feestje zou verstoren waar het net zo gezellig was. Inmiddels zie ik op sociale media veel meer posts van mensen die rouwen. Ook verschijnen er steeds meer boeken over rouw, opvallend genoeg vaak geschreven door mensen van mijn leeftijd. Ik denk dat de millennialgeneratie heeft geleerd opener te zijn over wat ze voelen en denken.”

Gaat de manier waarop we met rouw omgaan daarmee veranderen?

“Ik denk dat rouw altijd een beetje ongemakkelijk zal blijven. Als ik iemand tegenkom van wie ik weet dat hij net iemand heeft verloren, denk ik ook altijd: wat moet ik zeggen? Maar die openheid kan het wel minder lastig maken om met andermans verdriet om te gaan. Nu zeggen we al gauw: gelukkig heb je wel mooi afscheid kunnen nemen. Of, een rouwkaartcliché: de herinnering blijft. Goedbedoeld, maar door meteen op die lichtpuntjes te wijzen ontneem je de ander de ruimte om verdrietig te zijn.”

“De herinnering blijft bovendien níet. Wat mijn ouders aten bij het ontbijt, hoe mijn vader en ik elkaar begroetten als we elkaar een tijd niet hadden gezien – ik ben het vergeten, en dat vind ik heel erg. Bij tips en adviezen wilde ik in mijn boek vandaan blijven. Wat voor de een werkt, werkt voor de ander niet. Maar ik denk wel: als je de ander met oprechte nieuwsgierigheid en betrokkenheid tegemoet treedt, is het bijna altijd goed.”

En als je daar als rouwende niet op zit te wachten?

“Dan moet je dat aangeven, denk ik, hoe moeilijk ook. Drie maanden na de dood van mijn moeder stond ik in de rij voor De Trut, toen een bekende vroeg hoe het met me ging. Ik zei: ‘Heel lief dat je ernaar vraagt, maar dit is niet helemaal het juiste moment, ik wil gewoon een leuke avond hebben.’ Dat kan ook als je rouwt, ja. We denken in tegenstellingen: je bent verdrietig óf blij. Maar zo zwart-wit is het leven niet. Je kunt vreselijk rouwen om je ouders en een uur later de slappe lach hebben, je kunt gelukkig en ongelukkig tegelijk zijn. Zo complex is rouw.”

Gijs van der Sanden: De dingen die je vergeet: rouwen voor ­beginners, Ambo|Anthos, €20,99

null Beeld Merlijn Doomernik
Beeld Merlijn Doomernik
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden