PlusExclusief

Rector Wrister Grommers neemt afscheid van het Montessori Lyceum: ‘Nóg een schoolsluiting door corona accepteert het onderwijs niet’

Wrister Grommers. Beeld Valentina Vos
Wrister Grommers.Beeld Valentina Vos

Het waren met corona en een gigantische verbouwing geen makkelijke jaren voor het Montessori Lyceum Amsterdam. Na vijf jaar neemt rector Wrister Grommers (57) afscheid van de grootste school van de stad. ‘Op middelbare scholen word ik altijd heel vrolijk. Nog steeds.’

Vera Spaans

In het Montessori Lyceum Amsterdam ruikt het naar gesmolten chocolade. De vrouw die de kantine runt, bakt haar fameuze chocolate chip cookies. Soms ruikt het ook naar croissants, zegt de conciërge die in snelle passen voorgaat door het immense gebouw. Trap op, hoek om, gang door – daar, in een kleine kamer, huist rector Wrister Grommers.

Het is eigenlijk niet zijn vaste plek, zijn eigen kamer doet op dit moment dienst als opslag, zoals meer ruimtes in het pand. Het hele MLA is in verbouwing: buiten, naast de binnenplaats, liggen twee gapende gaten van wat ooit schoolgebouwen waren en ook weer moeten worden. De grootste school van Amsterdam – tweeduizend leerlingen, tweehonderd medewerkers – was uit zijn jasje gegroeid en de verbouwing had nu ongeveer afgerond moeten zijn. Maar ja, toen kwam corona, en nu die storm is gaan liggen lijkt de oorlog in Oekraïne voor verdere vertraging te zorgen. Bouwmateriaal is steeds lastiger te krijgen.

En nu gaat Wrister Grommers, het gezicht van die verandering, zijn laatste weken in op de school. Hij wordt rector-bestuurder bij het Amstelveen College. “Ik ben er met veel energie aan begonnen, en ben het gezicht van de verandering hier. Alleen begon alles me steeds meer energie te kosten, terwijl het effect ervan afnam. Dat heb je gewoon op een gegeven moment. Toen ben ik gaan praten bij het Amstelveen College, en ik merkte dat ik daar heel vrolijk van werd. Iets meer inhoud, iets minder procedures.”

Wat is het MLA voor school?

“Een oude dame, zoals dat heet. Een school die bijna honderd jaar bestaat, de oudste school voor middelbaar montessorionderwijs ter wereld, en een school die heel goed in Amsterdam-Zuid past: een school met een rijke traditie, die kunst­zinnige, creatieve leerlingen trekt uit heel de stad.”

Verschilt montessorionderwijs nog wel zo van het andere onderwijs?

“We zijn naar elkaar toe gegroeid. Het reguliere onderwijs is moderner geworden, de eisen van de onderwijsinspectie zijn strenger geworden, dus wij zijn ook opgeschoven. Maar het montessori­onderwijs, dat zit in onze genen. Dat merk je aan de verantwoordelijkheid die leer­lingen krijgen, in het vertrouwen dat elk kind wil leren. En we hebben geen cijfers, we maken over elke leerling een verslag. Over hun houding in de klas, over hoe ver ze zijn met de lesstof, over de kwaliteit van hun werk. We hebben dus ook geen overgangsnormen, zoals op andere scholen, waar je bijvoorbeeld met drie vijven blijft zitten. Bij ons bespreken de docenten in de verslagvergadering of een leerling over kan of niet. Dat vergt wel veel van docenten. En ouders vinden het een fantastisch systeem – en soms ook niet. Als hun kind blijft zitten, zeggen ze: dat is wel heel willekeurig.”

Ze kunnen opeens in discussie. Bij drie vijven is het gewoon: pech.

“Dat is makkelijker, ja. Maar wij kiezen niet altijd voor de gemakkelijke weg.”

Het is wel lef hebben, zo midden tussen al die mondige ouders in Amsterdam­-Zuid.

“We zijn ervan overtuigd dat als twaalf of veertien docenten een kind het hele jaar meemaken en we alle resultaten bekijken, dat we dan een heel goede indicatie kunnen geven of een kind wel of niet over kan. Maar soms krijgen wij nog voor de rapporten worden uitgedeeld telefoontjes van ouders die zeggen dat het niet eerlijk is en dat hun kind een tweede kans verdient. Dan denk ik: als dat kind dat al vindt, laat dat hem dan zelf vertellen.”

“Deze generatie ouders wil haar kind tegen alles beschermen, dus ook tegen zittenblijven. Terwijl kinderen in deze levensfase juist moeten loskomen van hun familie en toetreden tot de samenleving.”

Een collega met kinderen op het MLA zei: ik weet niet wat ze doen, maar er is iets bijzonders daar, iedereen is gelijk.

“Wij zeggen hier: iedereen is gelijkwaardig. We gaan ontspannen met elkaar om, leerlingen spreken iedereen met de voornaam aan, mij ook, ook al zegt iemand soms per ongeluk ‘meneer’. Ik denk dat dit onze traditie is. We horen het ook altijd terug op open dagen. Er zijn veel leerlingen die ervoor vallen, en ook kinderen die het juist niks vinden. En als docent moet je het ook prettig vinden.”

Je hebt altijd het risico op anarchie.

“In de jaren zeventig ging het wel die kant op, heb ik begrepen. Maar montessori betekent ook ‘vrijheid in gebondenheid’. De lijn is dun.”

De online open dag van het MLA was helemaal vanuit de kinderen georganiseerd. Geen panel zoals ik vaker zag, met een schoolleider en drie blonde vwo-meisjes die mochten aanschuiven.

“Dat hebben we expres gedaan. Zo’n online open dag wordt snel praatje-plaatje. En wij hebben zelfstandige, creatieve leerlingen. Dan ligt het voor de hand hun te vragen een rol te spelen. Dus het waren de leerlingen die mij interviewden, niet andersom. Ik geloof dat we ook de enige school waren waar de conciërges aan het woord kwamen. En we gaan onze leerlingen ook niet zeggen wat ze wel en niet mogen vertellen. Dus begon op een gegeven moment een jongen uitgebreid te vertellen wat er hier allemaal niet goed ging. Na afloop kwam een bezorgde medewerker langs: ‘Wrister, ik zal hem wel zeggen dat hij dat de volgende ronde niet meer mag vertellen!’ Maar dat was helemaal niet nodig. We willen gewoon een eerlijk beeld geven van de school. Dit hoorde erbij.”

Je was nog geen maand rector en toen overleed een eersteklasser.

“Het was in mijn derde week. Een leerling van de mavo had, toen het lachgas op was, aanstekergas gesnoven en was daaraan overleden. Zijn moeder belde de volgende ochtend naar het ziekmeldnummer: mijn zoontje komt niet, want hij is dood.”

Wat denk je op zo’n moment?

“Je moet alles uit je handen laten vallen. Allereerst zorgen voor de mensen voor wie gezorgd moet worden: zijn klasgenoten, de docenten. Ik was hier net, ik kende de jongen niet, ik kende de school nauwelijks. Maar ik snap wel wat de impact is van zo’n overlijden. We zijn langs gegaan bij het gezin, we zijn in gesprek gegaan met leerlingen en docenten, ouders hebben een brief gekregen, er is snel een herdenkingsplek gemaakt waar leerlingen terechtkonden. Als ik erop terugkijk, denk ik dat we dat goed hebben gedaan.”

Dit was in 2017. Er werd in de stad toen behoorlijk veel lachgas gebruikt.

“Ik ben naar een bijeenkomst geweest met staatssecretaris Paul Blokhuis en heb hem gevraagd lachgas te verbieden. De langetermijneffecten waren toen onduidelijk, inmiddels weten we hoe schadelijk het kan zijn. En het is zo makkelijk om te krijgen, net als veel andere drugs. Je appt een nummer, loopt naar de hoek van de straat, een scootertje komt aanrijden, je rekent af, en weg is ie weer. Die laagdrempeligheid is funest. En daarbij komt dat we nu kinderen hebben met een generatie ouders die zelf ook geblowd hebben op school, en denken: ach, dat kan wel.”

Maar het spul is tien keer zo sterk geworden.

“Precies. Sowieso vind ik het gemak waarmee drugs gebruikt worden in de stad zorgwekkend. Dat zie je ook bij leerlingen. Het punt is: als je puber bent, wil je experimenteren. Maar als het de nórm is dat je blowt en pilletjes slikt, wat is dan nog experimenteren? Dan ga je steeds een stap verder.”

Zie je het meteen aan kinderen als ze gebruikt hebben?

“Niet altijd. Ik ben niet naïef, ik weet dat het gebeurt, ook door leerlingen van onze school. Er wordt hier wel goed op gelet. Je merkt het vooral aan het onvermogen van leerlingen om zich te concentreren. Ik vind sowieso dat er te veel druk ligt op de leerlingen. Deze samenleving heeft te veel haast. Ik ben zelf blijven zitten in 5 vwo, en dat was no big deal. Nu wordt zittenblijven als falen beschouwd. Terwijl ik denk: kinderen hebben door corona zo veel onderwijs gemist. Maar toch moeten ze allemaal zo snel mogelijk door het systeem worden gedouwd. Dat vind ik heel kwalijk. Ik denk dat de druk die die leerlingen ervaren ergens eruit moet, en dan zijn er manieren om dat te doen.”

null Beeld Valentina Vos
Beeld Valentina Vos

Wrister Grommers – hij moet zijn naam bij elke nieuwe ontmoeting spellen, Wrister is een familienaam, een oude Germaanse naam die iets betekent als ‘sterke beschermer’ – groeide op in Elst en ging naar school in Veenendaal. Een jongen die vooral aan het sporten was: waterpolo, handbal, basketbal, tennis. Hij ging ‘nogal mellow’ door zijn middelbareschooltijd heen; dat hij bleef zitten kwam vooral doordat zijn beste vrienden dat ook deden. Hij had domweg geen zin om in zijn eentje naar de zesde klas te gaan, en zijn ouders dachten: kennelijk is hij eraan toe om een jaar over te doen. Zijn moeder was onderwijzeres, zijn vader werkte in het bedrijfsleven en werd uiteindelijk bridgedocent. Hij had zelf altijd wel een lijntje met het onderwijs, toch werkte hij jarenlang vooral in de communicatie.

Hoe ben je op het MLA terechtgekomen?

“Ik was de vijftig net gepasseerd, en dacht: ik kan nu nog een stap maken. Waar kan ik een bijdrage leveren? En op middelbare scholen word ik altijd heel vrolijk. Nog steeds. Die enorme energie, dat optimisme, het bijna naïeve vertrouwen van leerlingen over wat er allemaal mogelijk is in de wereld. Ze zitten op een leeftijd waarop dingen heel makkelijk goed, maar ook heel makkelijk mis kunnen gaan. En een school kan daar een enorme bijdrage aan leveren.”

Zeiden ze niet: wat kom je doen? Je weet niks van onderwijs.

“Ik had de advertentie gelezen en vastgesteld: deze functie is tachtig procent communicatie, en dat is mijn vak. Maar ik heb ook gezegd: willen jullie dat ik een bevoegdheid haal, dat ik les ga geven? Toen zeiden ze: dat is leuk, maar daar heb je helemaal geen tijd voor. Niet voor de opleiding en niet voor het lesgeven. Dus ben ik gewoon begonnen. Maar op een gegeven moment komt het punt dat je een onwelgevallig besluit neemt en je het verwijt krijgt: je hebt geen krijt aan je vingers.”

Tijdens de coronapandemie heb je met 35 andere schoolleiders een brief gestuurd naar Arie Slob met de dringende oproep de scholen te heropenen.

“Dat hebben we twee keer gedaan. In februari 2021 en in december, bij de derde lockdown, nog een keer. We zagen dat de sociale ontwikkeling van kinderen stilstond doordat ze thuiszaten. Steeds meer kinderen verdwenen van de radar. Leerlingen waren niet meer te motiveren om achter een scherm te gaan zitten en er werden steeds meer kinderen bij zorginstanties aangemeld. Kinderen kwamen psychisch in de problemen. Wij vonden echt dat de scholen weer open moesten.”

Wat voor reactie kregen jullie?

“Best veel steunbetuigingen, maar ook mensen die zeiden: je moet niet zo piepen. De polarisatie zag je duidelijk terugkomen. Maar er waren veel jeugdorganisaties die met hetzelfde verhaal kwamen als wij. Dat het onderschat wordt wat het doet met kinderen om niet naar school te kunnen. Dat de afweging tussen wat het de kinderen kost en wat het de maatschappij oplevert uit balans was.”

Hoe gaat het nu met je leerlingen?

“Met de meesten gaat het goed, met een groep ook niet. Er zit een hapering in hun sociale ontwikkeling, de motivatie en de discipline zijn verdwenen en daardoor is het heel ingewikkeld het leren weer op te pakken.”

Hoe werkt dat?

“Als je in de klas alleen maar bezig bent met je medeleerlingen en hoe je je tot hen verhoudt, ligt je focus niet bij leren. Als je depressief bent omdat je je contacten bent kwijtgeraakt of omdat het je niet lukt met hernieuwde energie aan de slag te gaan, dan leer je niks. Als je zo in de knel bent gekomen dat je een eetstoornis hebt gekregen of paniekaanvallen hebt, leer je óók niks. Dan ben je bezig met zelf weer heel ­w­orden.”

Half juni had 43 procent van de zestigplussers de tweede boosterprik pas gehaald. Wat vind je daarvan?

“Als rector of als mens?”

Ik hoop dat dat één is.

“In zijn algemeenheid vind ik dat corona verschillen enorm heeft aangezet en polarisatie meer aan het licht heeft gebracht. Ik snap geloof ik niet waarom die mensen geen prik halen.”

Wat zou je doen als, ondanks alle beloftes, bij een volgende coronagolf de scholen weer dichtmoeten?

“Er is gezegd dat de scholen niet meer dichtgaan. Daar ga ik ook vanuit.”

Dat is eerder gezegd, en toen moesten ze toch.

“Die tweede keer was ik ook veel bozer, inderdaad. Ik denk dat het onderwijs het niet zal accepteren.”

Jij zou het niet accepteren?

“Ik zou daar heel veel moeite mee hebben. Maar ik ben rector van een school, die wordt gefinancierd door de overheid. Ik heb altijd geprobeerd niet heel duidelijk een kant te kiezen. Op een gegeven moment kreeg ik op één dag een mail van ouders die vonden dat we hun kind blootstelden aan levensgevaar doordat we niet genoeg controleerden op het dragen van mondkapjes, én een mail van ouders die dreigden met advocaten omdat we hun kind ‘aan het muilkorven’ waren en zijn mensenrechten schonden.”

Met datzelfde mondkapje.

“Dan zit je dus aan twee kanten van het spectrum. Ik heb altijd gezegd: wij zijn een school, wij zijn er voor de kinderen en niet om partij te kiezen.”

Hoe houd je dat vol, al die boze ouders?

“Door te denken: waarom zijn die mensen zo woedend? Het was pure onmacht, het gevoel zelf geen grip meer te hebben op wat om hen heen gebeurt. Ik heb ook altijd geantwoord. Ik reageer op de inhoud, maar spreek mensen wel aan op de toon. Dan zeg ik: ik wil graag met u in gesprek, maar ik weet niet wat ik u heb aangedaan dat u dit op deze manier schrijft. Dan reageren mensen vaak met: sorry, ik was gewoon heel boos.”

Is het nog leuk om rector te zijn?

“Soms niet. Meestal wel. Veel collega’s zeiden tijdens de pandemie: het is niet meer zo leuk op dit moment. Maar ik heb ook collega’s gehad die zeiden: jij staat nog wat hoger op de leedladder.”

Vanwege de verbouwingsperikelen?

“We hebben twee gebouwen gesloopt, daar had inmiddels nieuwbouw moeten staan. We wachten op nieuwbouw in de Sluisbuurt, voor het MLA 2. En dan hebben we ook nog tijdelijk leerlingen op de Van Eesterenlaan, in het Oostelijk Havengebied. Die zitten in een oude basisschool, die had van die kleine wc’tjes enzo, dus die moest óók verbouwd worden.”

“Allemaal ontzettend veel werk. Maar wat nog ingrijpender was: docenten ­moesten heen en weer tussen locaties die kilometers uiteen liggen; dat trok een grote wissel op ze.”

Heb je weleens je neus gestoten?

“Ik heb op een gegeven moment, na 25 jaar in de communicatie te hebben gezeten, gehoord dat mijn communicatie slecht was.”

Was dat ook zo?

“Dat was zo, want perceptie is realiteit. Dat is regel één. En als rector moet je zorgen voor verbinding. Ik was bezig met corona, met de verbouwing, we zaten versplinterd over verschillende locaties. Toen kreeg ik het verwijt dat ik te weinig hoorbaar en zichtbaar was. Ik zat te veel in mijn kamer. Ik liet wel van me horen via een livestream, schreef met grote regelmaat brieven, intern en ook aan ouders, maar een rector moet ook gewoon door de gangen lopen.”

Sta je ’s ochtends bij de deur om de kinderen te begroeten?

“Nee.”

Je zegt het op een toon alsof je dat een cliché vindt.

“Dat is ook zo, maar vooral: welke deur?”

Heb je genoeg leerkrachten?

“Het lukt ons tot nu toe om vacatures te vervullen, maar invallers zijn moeilijk te krijgen. Gelukkig zijn we populair bij docenten. Maar de spoeling wordt steeds dunner. Dat is een enorm probleem, dat je van verre had kunnen zien aankomen. Dat wordt op dit moment te veel op zijn beloop gelaten.”

Wat moet er gebeuren?

“Wat je zag in de coronaperiode, was dat het vak van docent opeens weer gewaardeerd werd. Ouders zaten thuis met twee of drie kinderen en dachten: die leraren doen dat dus de hele dag, met wel dertig kinderen.”

“Die waardering voor het vak, voor wat een docent en een school kunnen, die moet terugkomen. In plaats van de focus op kinderen zo snel mogelijk door het systeem jagen zodat ze een bijdrage kunnen gaan leveren aan de economie. We moeten kinderen op een goede manier voorbereiden op hun rol in de samenleving, straks, op hun rol als burger. Dat is superbelangrijk, ook voor de democratie, en dat is wat een goede school kan doen. Zo’n leraren­tekort, dat is het faillissement van de samenleving.”

jeugdfoto Wrister, Interview PSW 9 juli Beeld x
jeugdfoto Wrister, Interview PSW 9 juliBeeld x

Wrister Grommers

17 september 1964, Roden (Drenthe)

1971-1975 Rijnhuyse School, Nieuwegein
1976-1983 Cals College, Nieuwegein; Christelijk Lyceum Veenendaal
1983-1991 Bedrijfskunde aan Nyenrode, politicologie aan de VU en communicatiewetenschap aan de UvA, militaire dienst
1991-1994 Docent aan de School voor Journalistiek in Utrecht, Docent communicatiewetenschap, Universiteit van Amsterdam
1994-2010 Diverse communicatiefuncties: Scouting Nederland; Rijksvoorlichtingsdienst; consultant bij Boer & Croon, Hoofd communicatie bij gemeente Zaanstad en provincie Noord-Holland
2010-2017 Diverse functies, Universiteit van Amsterdam
2017-2022 Rector Montessori Lyceum Amsterdam

Wrister Grommers is getrouwd met Marente Bloemheuvel. Ze wonen in het centrum van Amsterdam en hebben een zoon (22) en een dochter (19), die beiden studeren in Amsterdam en zelfstandig wonen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden